Nummer 38


Baskenland/Euskadi | juni - juli 1998


Spaanse staatsterroristen in de beklaagdenbank (Piet De Zaeger)<< Nummer 38

Eind mei begon het eerste proces m.b.t. de 'Grupos Antiterroristas de Liberación' (GAL), waarbij ook politieke verantwoordelijken op de beklaagdenbank zitten. De mysterieuze terreurgroep pleegde tijdens de jaren tachtig tientallen bloedige aanslagen, voornamelijk in Frans-Baskenland. Daarbij vielen 26 doden en talrijke gewonden. Doelwit: door middel van aanslagen op naar Frans-Baskenland gevluchte ETA-militanten de Franse staat onder druk zetten om hen uit te leveren. Ondertussen staat het vast dat de Spaanse ordediensten betrokken waren bij de creatie, de logistieke ondersteuning en de concrete opdrachten van de GAL-commando's. Wellicht vormt het GAL-dossier het 'mooiste' voorbeeld van staatsterrorisme in de recente West-Europese geschiedenis.

De rechtszaak waarvan sprake behandelt de eerste actie die de Grupos Antiterroristas de Liberación (GAL) opeisten, met name de ontvoering van de Franse zakenman Segundo Marey. Op 4 december 1983 werd de man in zijn woning in het Frans-Baskische Hendaia ontvoerd, in een auto gesleurd en over de Spaans-Franse grens gesmokkeld. Daar werd hij enkele dagen vastgehouden in Basauri, nabij Bilbo. De ontvoering van Marey, die overigens niets te maken had met de ETA, was eigenlijk een vergissing. De kidnapprs dachten immers dat ze het vermoedelijke ETA-lid Mikel Lujua Gorostiola geïdentificeerd hadden. De operatie werd uitgevoerd door enkele kleinere vissen, maar als verbindingsman trad José Amedo op, een agent van de Guardia Civil in Bilbo. Hij en zijn collega Michel Dominguez legden contacten met agenten van het Franse politiekorps (o.a. van de Police des Aires et des Frontières) die inlichtingen leverden over mogelijke doelwitten, recruteerden allerlei handlangers waaronder enkele Portugese huurmoordenaars en betaalden de onkosten met geld uit geheime staatsfondsen. De coördinatie was echter in handen van Francisco Alvarez, politiechef van Bilbo tot zijn promotie tot chef van de Spaanse anti-terroristische dienst MULC, en Miguel Planchuelo, op het moment van de feiten chef van de politie in Bilbo. Voor politieke ruggensteun konden zij dan weer rekenen op Julian Sancristobal, de civiele gouverneur van Biskaje en latere directeur van de Staatsveiligheid, en Ricardo Damborenea, de secretaris-generaal van de socialistische PSOE in Biskaje.

Al deze lieden hebben hun betrokkenheid in dit GAL-dossier reeds bekend voor onderzoeksrechter Eduardo Moner van het Hooggerechtshof (Tribunal Supremo). Dat is niet het geval voor PSOE-kopstukken als Rafael Vera, de toenmalige staatssecretaris voor de Staatsveiligheid, en José Barrionuevo, de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken. Ook zij zitten nu op de beklaagdenbank en worden door de andere verdachten aangeduid als de directe opdrachtgevers. Trouwens, Danborenea verklaarde eerder tegenover onderzoeksrechter Balthazar Garzon, en later ook tegenover de pers, dat de Spaanse ex-premier Felipe Gonzalez op de hoogte was en akkoord ging met het opzetten van de GAL-structuur. Gonzalez kon de dans echter ontspringen. Tegen hem loopt geen onderzoek meer in dit verband.

Vera en Barrionuevo rekenen alvast op een vrijspraak omdat er buiten de (erg bezwarende) verklaringen van de andere verdachten weinig hard bewijsmateriaal tegen hen zou bestaan. De onderzoeksrechters concentreerden zich vooral op het gebruik van geheime fondsen van het ministerie van Binnenlandse Zaken voor de financiering van de GAL-activiteiten. De andere verdachten (Sancristobal, Damborenea, Alvarez enz.) wilden in het GAL-dossier Marey hun mond wel opendoen, omdat het slachtoffer na tien dagen vrijgelaten werd. Zij konden ook moeilijk anders dan overgaan tot bekentenissen nadat Amedo en Dominguez waren beginnen praten en hen hadden verraden. Amedo en Dominguez werden loslippig nadat ze veroordeeld werden voor hun betrokkenheid bij de GAL-aanslagen op het café Batxoki in Baiona (8 februari 1986) en op bar La Consolation in Donibane Lohitzun of St.Jean-de-Luz (10 juli 1984). Bij de aanslag op de Batxoki werden zes personen, o.a. twee meisjes van 4 en van 5 jaar, zwaargewond door de kogels van de GAL.

Behoort de ontvoering van Marey niet tot de zwaarste misdaden van de GAL, dan wijst het dossier toch op de betrokkenheid van de hoogste politieke verantwoordelijken binnen de Spaanse staat. Bovendien bleek de ontvoering een efficiënt chantagemiddel tegenover de Franse instanties. In haar eerste communiqué eiste de GAL de ontvoering op èn eiste ze de vrijlating van Francisco Javier Lopez, Sebastián Lopez, José Maria Rubio en Jesus Alfredo Gutierrez. Deze vier Spaanse agenten waren in Frans-Baskenland gearresteerd na een poging om de Baskische vluchteling José Maria Larretxea te kidnappen. Vier uur na de vrijlating van de Spaanse agenten door Frankrijk werd Seguno Marey vrijgelaten.

Ook andere belangrijke dossiers over de activiteiten van de GAL komen binnen afzienbare tijd in de gerechtszalen. In die gerechtelijke onderzoeken doken eveneens de namen op van hoge politici, functionarissen en officieren van de Guardi Civil. In tegenstelling tot de zaak Marey hulden de beschuldigden zich bij ondervragingen over deze dossiers in stilzwijgen. Het gaat in die dossiers immers om moordzaken waarbij ze dus zwaardere straffen riskeren. We geven enkel de beruchtste zaken:

  • In de zaak 'Onaderra' (de aanslagen op Ramon Onaderra, Bixente Perurena en Angel Gurmindo en de moord op Christian Olaskoaga in 1983-1984) werden onder meer de volgende personen in beschuldiging gesteld: Luis Roldan (gewezen gouverneur van Navarra en gewezen directeur-generaal van de Guardia Civil), José Saenz de Santamaria (legergeneraal en directeur van de Guardia Civil tussen 1983 en 1986), Enrique Galindo (generaal van de Guardia Civil en gewezen commandant van de beruchte Intxaurrondo-kazerne van Donostia) en Juan Alberto Perote (de gewezen chef Operaties van de Spaanse geheime dienst CESID).

  • Het dossier 'Lasa en Zabala' zal in Baskenland wellicht de meeste emoties losweken. In wat wellicht de eerste GAL-operatie was, werden de twee vluchtelingen Joxean Lasa en Joxi Zabala ontvoerd in Baiona (16 oktober 1983), vastgehouden en gemarteld in overheidsgebouwen in Donostia, ten slotte vermoord en begraven in het Zuid-Spaanse Alicante. Toen de stoffelijke resten van de twee in maart 1995 ontdekt werden en na drie maanden per vliegtuig overgebracht naar Baskenland, verbood de overheid elke demonstratie aan de luchthaven. De menigte die verzameld was voor een laatste eerbetoon werd met geweld uiteengedreven door de ordediensten. Bij de begrafenis verhinderden agenten van de autonome Baskische politie Ertzaintza op een provocerende manier de toegang tot het kerkhof van Tolosa. Later, bij incidenten tijdens een protestbetoging in Donostia, werd een oudere manifestante (Rosa Zarra) dodelijk verwond door de Ertzaintza. Op de lijst van verdachte figuren o.a. de volgende namen: Rafael Vera (cfr. supra), Julen Elgorriaga (ex-gouverneur van Gipuzkoa), Enrique Galindo (cfr. supra), Felipe Bayo Leal en Enrique Dorado Villalobos (Guardia Civil-agenten in dienst in Intxaurrondo).

  • Bij de GAL-aanslag op de 'Monbar', een kroeg in Baiona (25 september 1985), werden vier Baskische vluchtelingen neergeschoten door GAL-huurlingen. Het gerechtelijk onderzoek richt zich op Emilio Alonso Manglano (gewezen directeur van de CESID) en Juan Alberto Perote (cfr. supra).

De steeds verscherpte politionele repressie, waarvoor de PSOE-regering meteen bij haar aantreden koos, degenereerde dus in de creatie van de para-politionele terreurgroep GAL. Nochtans waren er voor de nieuwe PSOE-regering andere opties begin jaren '80. Het ware mogelijk geweest met een aantal vertrouwenwekkende maatregelen ETA aan de onderhandelingstafel te krijgen. Een aantal maatregelen drongen zich trouwens sowieso op wilde men over Spanje als een normale democratische rechtsstaat spreken. Zo was er na de verdwijning van het Franco-regime nooit een zuivering geweest van de magistratuur, de ordediensten en het leger. Dat was de deal die tijdens de Transición was gemaakt. Franco-getrouwen controleerden vanaf 1975 de eerste post-Franco-regeringen en de door Franco benoemde koning Juan Carlos werd staatshoofd.

De electorale overwinning van de PSOE in 1982 bracht geen breuk teweeg in dat beleid. De partijtop van de PSOE koos integendeel voor de repressieve continuïteit. Ze zag er zelfs geen graten in daarbij een beroep te doen op schimmige individuen die reeds tijdens de Franco-dictatuur hadden deelgenomen aan para-politionele operaties tegen anti-fascistische militanten van ETA. Zo had Jean-Pierre Charid (GAL), die op 19 maart 1984 omkwam bij het plaatsen van een bom, reeds hand- en spandiensten verricht voor een anti-Baskisch doodseskader tijdens de nadagen van het Franco-regime.

Onder de dodelijke slachtoffers van de GAL bevonden zich vermoedelijke ETA-leden. Maar ook inwoners van Frans-Baskenland die niets te maken hadden met ETA, zoals een Frans spoorwegarbeider. Ook Baskische militanten die niet tot ETA behoorden werden geviseerd en vermoord. Zo ontplofte op 24 juli 1987 een bom onder de auto van de Spaans-Baskische antimilitarist Garcia Goena, die naar Frans-Baskenland was gevlucht om een gevangenisstraf wegens dienstweigering te ontlopen. Twee jaar eerder, op 20 november 1984, had de GAL Santi Brouard, kinderarts en parlementslid voor Herri Batasuna, vermoord in zijn kabinet.

Pas wanneer Frankrijk met een versnelde procedure overging tot het massaal uitleveren van Baskische verdachten aan Spanje hielden de aanslagen van de Grupos Antiterroristos de Liberación op. En pas na revelaties door onderzoeksjournalisten nam de Spaanse justitie het initiatief tot ernstige gerechtelijke onderzoeken naar de GAL. Daarbij werd ze gehinderd door zowel de PSOE als de, sinds 1996 regerende, Partido Popular (PP). Zo verhinderde de rechtse PP-regering van Aznar de inzage door onderzoeksrechter Garzon van geheime documenten van de CESID. De inhoud van die documenten, relevant in het onderzoek naar GAL, was reeds bekend omdat de gewezen chef Operaties van de Spaanse geheime dienst CESID, Juan Alberto Perote (cfr. supra), uit onvrede met zijn ontslag, kopies van de documenten openbaar had gemaakt. De kopies van de documenten waren echter niet rechtsgeldig.

Waarom net de nieuwe regering Aznar de voor de PSOE bezwarende CESID-documenten geheim wou houden bleek na nieuwe revelaties in de pers. Generaal José Saenz de Santamaria (cfr. supra) had ermee gedreigd een boekje open te doen over de para-politionele moordcommando's tijdens de UDC-regeringen (juni 1977 - oktober 1982) in het geval dat de CESID-documenten werden overhandigd aan onderzoeksrechter Garzon. Enkele gewezen UDC-ministers, die na het verdwijnen van de UDC in 1983 waren overgegaan naar de Partido Popular, hadden tijdens hun ministerambt zelf een 'vuile oorlog' tegen de ETA gevoerd.

Overigens wordt het democratisch imago van de Spaanse staat niet alleen geschonden door de GAL-affaire. Ook na de laatste GAL-aanslagen waren er nog voorbeelden van staatsterrorisme. Op 20 november 1989 pleegden Angel Duce (agent van de Policia Nacional), Felipe Bayo Leal (cfr. supra) en Juan de Dios Rubio (leider van een uiterst-rechtse groepering) een aanslag op parlementsleden van Herri Batasuna in het Madrileense hotel Alcala. Daarbij wordt Josu Muguruza gedood en Iñaki Esnaola zwaar gewond. Uit bekentenissen aan onderzoeksrechter Garzon blijkt de betrokkenheid van de CESID, van de Guardia Civil en van politiecommissaris Antonio Andrade (verantwoordelijke van de Mobiele Brigade van Madrid).

Daarnaast zijn er de continue rapporten over mishandelingen en martelingen in Spaanse commissariaten en kazernes. Maar er is ook het politieke kader. Dat een democratische meerderheid in Baskenland tijdens officiële referenda de Spaanse grondwet verwierp, neen zei tegen toetreding tot de NAVO, enz., werd genegeerd door Madrid. Minimalistische afspraken tussen de belangrijkste Baskische regeringspartij PNV en de opeenvolgende Spaanse regeringen in Madrid werden niet nagekomen. Dit alles vergrootte het geloof van radicale Baskische nationalisten in parlementair reformisme binnen de Spaanse staat niet. Wellicht verklaart deze vaststelling in grote mate waarom een belangrijk deel van de Baskische bevolking koos en kiest voor de verderzetting van een revolutionaire strategie, inclusief de verderzetting van de gewapende stadsguerilla met al zijn zinloos bloedvergieten.

Tot dusver is er slechts één poging ondernomen om via onderhandelingen tot een politieke oplossing van het gewapende conflict te komen: de onderhandelingen tussen ETA en de PSOE-regering in Algerije (1989). Toen ETA in april 1995 opnieuw een voorstel tot onderhandelingen lanceerde, was de reactie in Madrid er een van afwijzing. Ook de aantredende PP-regering van Aznar weigerde elke aanzet tot dialoog. Integendeel: de enige resterende communicatiekanalen tussen Madrid en de ETA via Harry Burnes (Jimmy Carter-foundation) en de Argentijnse Nobelprijswinnaar voor de Vrede Perez Esquivel, werden afgebroken. Daartegenover stond de groeiende wil tot onderhandelingen binnen politieke, syndicale, religieuze en andere sectoren van de Baskische gemeenschap.

Na de recente bloedige moordaanslagen op gemeenteraadsleden van de Partido Popular en de ongemeen zware gevangenisstraffen voor het partijbestuur van Herri Batasuna wegens het verspreiden van het ETA-vredesvoorstel, zijn de posities van beide kanten wellicht harder dan ooit. De begrijpelijke en terechte verontwaardiging over de recente ETA-aanslagen brengt opiniemakers, en dus de publieke opinie, al snel in de verleiding om de repressieve houding van de regering Aznar collectief als de enig mogelijke te bestempelen. Ondanks het Noord-Ierse voorbeeld, dat bewijst dat het anders kan. Het GAL-dossier, om maar één voorbeeld te noemen, bewijst de werkelijkheid complexer is dan het zwart-wit-beeld van Spanje dat bijvoorbeeld Standaard-correspondent Robert Bosschart koestert. In oude westerns werden cowboys geportretteerd als de goeden, en de indianen als gruwelijke monsters. Dat bleek niet zozeer een fabeltje, dan wel een mentale intoxicatie om het imperialisme waarop de Verenigde Staten zijn gesticht, ethisch te verantwoorden. De 'goede' cowboys bleken heel wat gruwelijkheden en onrechtvaardigheden op hun kerfstok te hebben. De vergelijking met Baskenland is snel gemaakt.