Nummer 38


Voor een internationalisme zonder mentale grenzen | juni - juli 1998


Een pleidooi voor een sociaal en cultureel Mestactieplan (Ludo Abicht)<< Nummer 38

Op zaterdag 13 juni ontving onze vriend en medewerker Ludo Abicht in Gent de prestigieuze onderscheiding 'Orde van de Vlaamse Leeuw'. Meervoud brengt hier de tekst van de redevoering die hij bij deze gelegenheid uitsprak.

Eén van de mooiste definities van het anarchisme komt van de legendarische Amerikaanse Wobblies, de 'Industrial Workers of the World': "There is no Government like no Government", de beste regering is geen regering. We kunnen dit zonder meer toepassen op onze eigen ontvoogdingsstrijd: 'De beste Vlaamse beweging is geen Vlaamse beweging meer', wat zou betekenen dat we, niet zonder moeite, vergissingen en ernstige fouten, ten slotte toch het vooropgestelde doel bereikt hebben. Sommige Vlamingen, en niet de minst interessante, zijn ervan overtuigd dat we zover geraakt zijn. Ze ontkennen het historische belang van de emancipatie niet, integendeel, maar ze zijn bang dat het bevrijdende nationalisme ongemerkt zou kunnen overslaan in een triomfantelijk, exclusivistisch en onverdraagzaam staatsnationalisme, een houding waar de Vlaamse beweging zich altijd terecht tegen verzet heeft. Ik ga ervan uit dat hun bekommernis intelligent en eerbaar is, en er bestaan inderdaad stromingen die een verkrampte vorm van nationalisme voorstaan en de vrees van deze critici bevestigen, maar hebben ze daarom ook gelijk? Anderen, en ook zij behoren tot het democratische kamp, geloven dat de sociale, culturele en politieke ontvoogding moet worden verdergezet tot Vlaanderen, als autonome regio binnen Europa, zijn volledige onafhankelijkheid heeft verworven. Een derde, hiervoor reeds vermelde groep, wil niets minder dan een soevereine Vlaamse natie-staat.

Men kan deze drie posities grofweg omschrijven als

  • het streven naar een zo rechtvaardig en doorzichtig mogelijke uitbouw van de huidige federale structuren, waarbij het centrum van de macht in de handen blijft van het gedeelde federale gezag;
  • een confederalisme, waarbij de macht berust bij de twee deelstaten die via onderhandelingen een aantal bevoegdheden afstaan aan de gemeenschappelijke confederale koepel en
  • de creatie van twee soevereine natie-staten die, zoals Tsjechië en Slovakije, op vreedzame wijze uit elkaar gaan om daarna slechts in internationaal verband als goede buren met elkaar om te gaan.

De argumenten pro en contra elk van deze posities zijn talrijk en, zoals we intussen weten, uiterst complex, te complex om op een emotionele manier te worden benaderd. In dit korte referaat zou ik er daarom voor willen pleiten om als volwassen mensen eindelijk op te houden met de verduiveling van de tegenstanders: de verdedigers van het bestaande federalisme zijn, op enkele welbespraakte en vaak gepubliceerde uitzonderingen na, geen Belgicisten die gedreven worden door een nostalgie naar een mythische unitaire Belgische staat die hèt voorbeeld van tolerantie en rechtvaardigheid geweest zou zijn. En hoewel ik niet denk dat ze het bij het rechte eind hebben, zou ik toch willen voorstellen, dat we hun opvattingen en inspanningen open maar kritisch bekijken, zonder hun positie meteen als naïef of onrealistisch te verwerpen.

De voorstanders van de soevereine Vlaamse natie-staat zijn al evenmin blinde etnische nationalisten die ons onvermijdelijk naar Bosnische toestanden willen of zullen leiden. Mijn belangrijkste bezwaren tegen hen zijn van historische en geopolitieke aard. Historisch, omdat ik ervan overtuigd ben dat het tijdperk van de soevereine Europese natie-staat zeker in West-Europa aan het einde van de twintigste eeuw in feite voorbij is, en dat heeft alles te maken met de economische, culturele en politieke ontwikkelingen sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog. Cruciale problemen en hun oplossingen op bijvoorbeeld ecologisch of economisch vlak gaan de bevoegdheden en mogelijkheden van zelfs de grote staten te boven, en de mundializering van de economie maakt beslissingen op sociaal, economisch en politiek gebied steeds meer afhankelijk van beslissingscentra die over meer geld en macht beschikken dan zelfs de grote Europese kernlanden, laat staan de Benelux of een onafhankelijk Vlaanderen. Men kan dat om humanistische redenen toejuichen of omwille van de tewerkstellingspolitiek betreuren, maar dat verandert weinig of niets aan de zaak. Hetzelfde geldt ook voor de onomkeerbare vereniging van Europa, ook al is de oorspronkelijke vredesdroom van een Schuman of de Gaspari voorlopig in een eng economistisch stadium blijven steken, waarin bepaalde Europese belangengroepen meer gelijk zijn dan de honderden miljoenen Europeanen. Ook een Vlaams Tsjechië, met alle soevereiniteit vandien, zal tot op grote hoogte afhankelijk zijn van die internationale machten, omdat je nu eenmaal niet van vlaggen en volksliederen kan leven en er zelfs de gevolgen van de zure regen of het broeikaseffect niet mee kan tegenhouden. En wat ten slotte de voorstanders van het confederalisme aangaat, is het gewoon intellectueel oneerlijk, voortdurend hun woorden selectief te verdraaien en hen van verkapt separatisme of erger te beschuldigen. Ik stel voor dat we, en ik reken mezelf tot die groep, ons van deze valse problematiek even weinig aantrekken als van de beschuldigingen vanuit een andere hoek, dat we geen echt consequente Vlamingen zouden zijn.

Ik zou integendeel willen pleiten voor een internationalisme zonder mentale grenzen. Internationalisme is analoog aan de inter-subjectivité van Jean-Paul Sartre die stelt dat men slechts werkelijk respect voor de ander kan hebben indien men voldoende respect opbrengt voor zichzelf. Dit internationalisme houdt het Aristotelische juiste midden tussen enerzijds het cosmopolitisme en, anderzijds, het nationale of etnische autisme. Dit cosmopolitisme kan men beschrijven als de door de media en de reclame verspreide cultuur van de homo aeroportus, de reiziger die op alle luchthavens ter wereld dezelfde belastingvrije goederen kan kopen, dezelfde ingeblikte muziek kan horen en in identieke kamers in identieke hotels kan overnachten. Dit kan practisch zijn en zelfs geruststellend, maar is het daarbij ook nog een cultuur? Het autisme daartegenover, dat mijns inziens meer te maken heeft met de angst voor het vreemde, met xenofobie, dan met de waardering en liefde voor het eigene, is niets anders dan een pathologische afwijking die lijnrecht ingaat tegen de wereldgerichte geschiedenis van onze Nederlanden, die altijd al een internationale marktplaats geweest zijn van goederen, ideeën en kunstrichtingen uit alle windstreken, om te beginnen met de hier levende grote godsdiensten, jodendom, christenen en islam en om, voor de gelegenheid, te eindigen met de Vlaamse leeuw, ook al geen dier uit onze autochtone fauna. Onze Nederlandse cultuur is het respectabele resultaat van eeuwenlange uitwisselingen met het beste wat het buitenland ons te bieden had, dat we inderdaad op onze eigen manier hebben geïntegreerd en verwerkt. We zijn met andere woorden alleen al om historische redenen onverdacht en enthousiast internationaal en mogen dit in de toekomst niet vergeten. Maar we moeten internationaal zijn, dat wil ook zeggen solidair met de rest van de wereld, zonder mentale grenzen. Eén van de meest actuele mentale grenzen is vandaag de blindheid, waarmee we bijvoorbeeld alle begrip opbrengen voor de onderdrukking van alle volkeren en volksgroepen op de wereld, maar geen oog hebben voor de Vlamingen in Brussel en Vlaams Brabant. Hoe kan ik me bijvoorbeeld geloofwaardig engageren voor de belangen van de Maja's in Chiapas of de ongelukkige Bosniërs, en tegelijkertijd zwijgen over de etnische zuiveringen in de Brusselse rand? Of actief lid worden van Amnesty International, dat zich terecht inzet voor mensen die om hun afwijkende opinies vervolgd worden in Afghanistan of Koerdistan, en toch bang zijn om een halve eeuw na de repressie te spreken over Vlamingen en hun families die nog steeds te lijden hebben onder de gevolgen van hun afwijkende opinies tijdens de Tweede Wereldoorlog? Als ethicus moet ik de dubbele moraal verwerpen die niets met moraal, maar alles met opportunisme te maken heeft.

Ten slotte, om terug te keren tot de slogan "de beste Vlaamse beweging is geen Vlaamse beweging meer", zou ik een onderscheid willen maken tussen twee totaal verschillende types van leiderschap. Een tijd lang werd ik aangetrokken door het voorhoedemodel van Lenin: mensen die een verandering, een revolutie ten goede willen verwerkelijken, en iedere echte intellectueel kan toch niet anders zijn dan een revolutionair, moeten als het ware de leiding nemen, in de hoop dat anderen in hun spoor zullen volgen. Het probleem met dit model is, dat het soms succes heeft, maar dat een dergelijke voorhoede dan bijna nooit in staat blijft de verworven machtspositie op te geven, met alle bekende gevolgen vandien. Langzamerhand werd het duidelijk, dat er nog een andere vorm van verantwoordelijkheid bestaat, die op het eerste gezicht minder aantrekkelijk lijkt, namelijk de metafoor van "het zout der aarde". De juiste vertaling van die term is "mest", een substantie die in het beste geval liefst verdwijnt, maar voortleeft in de planten die het heeft helpen groeien. Het wordt, ook voor de Vlaamsgezinden, tijd voor een nieuw sociaal en cultureel Mestactieplan: mag ik daarvan drie voorbeelden geven? De nu volwassen geworden feministen, die het betreuren dat hun dochters niet meer naar de Vrouwendag gaan en zich zeker geen 'feministen' meer willen noemen, vergissen zich, als ze vergeten, hoeveel meer reële kansen hun dochters intussen gekregen hebben. De oude socialisten, die hun kleinkinderen onmogelijk nog naar een Eén Mei-optocht kunnen meesleuren en tijdens familiefeesten vaak harde kritiek op de vakbonden moeten slikken, moeten zich realiseren dat deze kleinkinderen de door hun grootouders veroverde sociale zekerheid gelukkig als vanzelfsprekend beschouwen en in geen geval van plan zijn die verworvenheden zomaar op te geven, ook al noemen ze zichzelf niet langer socialisten.

En die oude flaminganten, die door hun kinderen en kleinkinderen soms voor oubollige romantici worden versleten, moeten beseffen, hoe normaal diezelfde kinderen het vinden, zonder complexen in het Nederlands te kunnen studeren, leven en werken, ook al gaan ze nooit naar een IJzerbedevaart of een Zangfeest.

Vrouwendagen, Eén Mei-optochten en IJzerbedevaarten moeten daarom niet worden afgeschaft, en het doet deugd wanneer iemand uit de jongere generatie het belang ervan begrijpt, maar zijn de behaalde resultaten tenslotte niet veel belangrijker dan de vormen die deze bewegingen ooit hebben ontwikkeld? En zou het, om het helemaal bont te maken, in de positieve betekenis van kleurig, niet fantastisch zijn, wanneer één van de volgende keren de Orde van de Vlaamse Leeuw zou worden verleend aan bijvoorbeeld een nieuwe Vlaming, waarom geen jonge vrouw van Marokkaanse afkomst, die met haar literatuur of wetenschappelijk werk onze Nederlandse cultuur op een gevoelige manier heeft verrijkt?