Nummer 38


Derde gewest | juni - juli 1998


De SERV over de "belangengemeenschap Vlaanderen-Brussel" (Antoon Roosens)<< Nummer 38

In een lijvige brochure van 112 bladzijden publiceert de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) een sociaal-economische analyse van de "belangengemeenschap Vlaanderen/Brussel". In een beknopte bijlage van 12 bladzijden trekt de SERV dan de conclusies uit deze studie, en formuleert hij een 'aanbeveling' aan de Vlaamse regering voor haar beleid ten opzichte van de hoofdstad. Dit beleid moet, volgens de SERV, gericht zijn op "samenwerking en overleg" met Brussel en niet, zoals thans het geval zou zijn in het Beleidsplan Brussel van de regering - op concurrentie en antagonisme.
Naar verluidt zou de omgeving van minister-president Van den Brande eerder afwijzend gereageerd hebben op deze 'aanbeveling'. Volgens sommige geruchten zou onze premier nors gezegd hebben: "Is het dan dààrvoor dat wij hen zoveel geld geven?"

In de inleiding van de analyse legt de SERV - terecht - de nadruk op het onderscheid tussen Brussel Hoofdstedelijk Gewest, of Brussel-19, zoals het werd afgelijnd door de huidige staatshervorming, en het geografisch-economisch Brussels stadsgewest dat veel ruimer is, en dat zich uitstrekt van Aalst tot Leuven en van Mechelen tot Waterloo. Wij verwijzen de lezer hiervoor naar onze bijdrage in Meervoud nr. 33 (januari 1998), waar wij uitvoerig dit onderscheid hebben toegelicht aan de hand van de recente studies van het Instituut voor Sociale en Economische Geografie, van professor Van der Haegen van de KUL.

In een eerste deel wordt dan, aan de hand van enkele 'sociale indicatoren', de verhouding toegelicht tussen Brussel-19 enerzijds, en Vlaanderen en Wallonië anderzijds. Het betreft statistische gegevens en vergelijkingen betreffende demografie (bevolkingsevolutie; gezinssamenstelling; leeftijdsstructuur; nationaliteit en herkomst van de bevolking) alsook inzake inkomen en welstand (of armoede). Het gepubliceerde materiaal bevat weinig nieuws en is een (verdienstelijke) bundeling van wat reeds behandeld werd in gespecialiseerde literatuur en zelfs in de grote pers.

Het overheersende beeld is een scherp contrast, op nagenoeg alle domeinen, tussen Brussel-19 en - vooral - de Vlaamse rand rond Brussel. Brussel-19, met bijna 50% eenpersoonsgezinnen en een sterk vergrijzende bevolking, en een grote concentratie van allochtonen, stagneert en zakt stilaan weg in armoede en financiële problemen. Daarentegen kent de sub-urbane gordel, en vooral Halle-Vilvoorde, een merkwaardige expansie, zowel demografisch als inzake inkomen en welvaart.

Opmerkelijk in deze sociale analyse is, dat met geen woord wordt gerept over de specifieke culturele spanning tussen Brussel en de Vlaamse rand, en tussen de verschillende Brusselse bevolkingsgroepen zelf. Nochtans vormt deze spanning een zeer belangrijke component van de sociale interactie tussen Brussel en Vlaanderen.

*
* *

Het tweede deel van de brochure handelt over de economische indicatoren. Met een weelde aan statistieken wordt het verschil aangetoond tussen Brussel-19 en de twee grote gewesten, Vlaanderen en Wallonië, inzake werkgelegenheid, geografisch product en werkloosheid. Er wordt uitvoerig ingegaan op de pendel van arbeidskrachten tussen Brussel en Vlaanderen. Van de 576.406 loontrekkenden die in 1991 werden tewerkgesteld in Brussel-19, kwamen er dagelijks 215.693 uit Vlaanderen, terwijl slechts 27.935 inwoners van Brussel naar Vlaanderen gaan werken. De SERV berekent dat het verschil tussen deze pendelbewegingen resulteert in een netto-loonstroom van 84,5 miljard frank van Brussel naar Vlaanderen. Hij besluit hieruit o.m. dat de hoofdstad voor een belangrijk deel instaat voor het in stand houden van de rijkdom van Vlaanderen.

*
* *

Het is zeker prijzenswaardig de Vlaamse publieke opinie te herinneren aan het grote belang van Brussel als plaats van tewerkstelling van zowat 12% van de totale loontrekkende Vlaamse bevolking. Dit zou mensen als Louis Tobback, die impulsief pleiten voor het volledig uitstoten van Brussel uit de Vlaamse politieke ruimte, tot nadenken moeten stemmen.

Maar de SERV slaat de bal totaal mis, wanneer hij daaruit concludeert dat er een transfert van rijkdom zou plaatsvinden van Brussel naar Vlaanderen.

Men vergeet vooreerst dat een zeer hoog percentage van de werknemers, die vanuit Vlaanderen naar Brussel pendelen, werken in overheidsdiensten en parastatale instellingen, of in door de overheid gesubsidieerde diensten zoals gezondheidszorg, onderwijs, sociaal-culturele organisaties, enz. Deze werknemers worden betaald met in Vlaanderen geïnde belastingen. Het loon dat zij meenemen naar Vlaanderen, is geen transfert van Brussel naar Vlaanderen, maar is het resultaat van een transfert in omgekeerde richting!

Voor wat betreft de werknemers in de te Brussel gevestigde privébedrijven (die voor minstens 1/3 bestaan uit Vlaamse ondernemingen), vergeet de SERV dat het loon slechts een deel - en dikwijls het kleinste deel - uitmaakt van de totale economische waarde, geschapen door de arbeid van deze werknemers. De 'meerwaarde', dit is het deel van de totaal geproduceerde waarde dat achterblijft in de Brusselse ondernemingen nadat de lonen van de Vlaamse werknemers zijn betaald, resulteert in een transfer van rijkdom van Vlaanderen naar Brussel, en niet omgekeerd.

De SERV weet blijkbaar evenmin dat in een kapitalistische economie zoals de onze, ook de in Vlaanderen (en Wallonië) gecreëerde meerwaarde, door ter plekke tewerkgestelde arbeidskrachten, grotendeels geaccumuleerd wordt door de te Brussel gevestigde grote ondernemingen. Deze accumulatie gebeurt niet alleen - en zelfs niet in de eerste plaats - op basis van de waarde gecreëerd binnen deze grote ondernemingen zelf. De kapitalistische accumulatie is veeleer het resultaat van een transfer van meerwaarde, binnen elke bedrijfssector, van de minder productieve ondernemingen van deze sector naar de technisch meer geavanceerde bedrijven. En ook en vooral, van de transfer van meerwaarde tussen ondernemingen van verschillende bedrijfssectoren, van de zwakkere sectoren naar de grote sectoren waar de markt wordt gecontroleerd door een oligopolie van grote bedrijven. Dit gehele mechanisme speelt in het voordeel van de hoofdstad.

Om nog te zwijgen van de ononderbroken stroom van geld naar Brussel toe, in de vorm van consumptie door Vlamingen die naar Brussel komen kopen en winkelen, eten en zich vermaken.

Het is economische nonsens te beweren dat een hoofdstad haar rijkdom zou uitstrooien over het gehele land. Elke hoofdstad functioneert, binnen de door haar beheerste ruimte, als een zuigpomp die mensen en kapitalen transfereert naar het centrum. Omdat de hoofdstad in essentie slechts de geografische concentratie is van activiteiten en diensten, gericht op het gehele land, en betaald door het gehele land.

*
* *

Ten slotte wordt, in het derde deel van de brochure, een vergelijkende analyse gemaakt van het Gewestelijk Ontwikkelingsplan Brussel, het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en het Plan Régional d'Aménagement de Territoire van het Waalse Gewest.

Terecht stipt de studie aan dat, vooral tussen Brussel-19 en Vlaanderen, de beleidsopties in belangrijke mate gericht zijn op onderlinge concurrentie. Beide gewesten voorzien investeringen, gericht op het aantrekken van dezelfde, verwachte of verhoopte, ontwikkelingen van nieuwe activiteiten en bedrijven in of rond Brussel. Omdat twee verschillende beleidsinstanties bezig zijn met de ontwikkeling van één functioneel territorium, nl. het uitgebreide sociaal-economische Brusselse stadsgewest. Deze concurrentie leidt tot overlapping, inefficiëntie en verspilling.

In de beknopte bijlage tot deze studie formuleert de SERV daarom de aanbeveling dat er "een structureel overleg moet plaatsvinden dat zich vertaalt in een globaal samenwerkingsakkoord tussen Vlaanderen en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest". Deze samenwerking zou vooral gestalte moeten krijgen in een aantal beleidsdomeinen zoals ruimtelijke ordening, arbeidsmarkt, mobiliteit (verkeer en openbaar vervoer), milieu en, natuurlijk, economische aangelegenheden zoals vestigingspolitiek en ondersteuning van bedrijven.

*
* *

Het is precies met deze 'aanbeveling' dat de SERV zwaar ontgoochelt. Men weigert principieel het institutioneel aspect van de zaak te zien als de kern van het probleem. Men doet het voorkomen alsof het probleem opgelost zou kunnen worden met wat meer goede wil (en economisch inzicht!) van de Vlaamse regering.

Nu zegt het gezond verstand dat, wanneer men binnen eenzelfde gebied - het ruime grootstedelijke gewest - twee verschillende en onafhankelijke beleidsstructuren opricht, het samengestelde resultaat van de verschillende beleidsopties noodzakelijk incoherent en conflictueel moet zijn. Elke afzonderlijke regering kàn niet anders dan haar beleid afstemmen op de noden en behoeften van het door haar bestreken deel van dat gemeenschappelijk gebied. Dat is eenvoudigweg haar politieke taak. Men kan ongetwijfeld door overleg een aantal scherpe randjes afvijlen. Maar de prioriteiten zullen steeds verschillen.

De leden van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen - dat zijn de Vlaamse 'sociale partners' - weigeren, als gehoorzame leden van het Belgisch establishment, elke optie in overweging te nemen die het voortbestaan van dit establishment in gevaar zou kunnen brengen. Zij doen alsof zij niet weten dat de Brusselse francofonie, gesteund door dat Belgisch establishment, Brussel-19 als derde gewest heeft gewild, precies om een dam op te werpen tegen de groeiende Vlaamse economische en politieke macht, en om Brussel te beschermen tegen elke invloed of inmenging vanuit Vlaanderen. Zolang dit derde gewest blijft bestaan zal elke regering die de emanatie van het gewest is, zich blijven verzetten tegen de geringste tussenkomst van Vlaanderen in de Brusselse aangelegenheden, al zij het in de onschuldige vorm van een 'overleg'. Weet men niet meer welke storm van protest opgerezen is in francofoon Brussel, toen de Vlaamse regering in haar Beleidsplan-Brussel van 11 maart 1997 enkele schuchtere pogingen aankondigde om rechtstreeks in Brussel te gaan investeren? Er is van dat Beleidsplan dan ook niets in huis gekomen!

In het bestaande institutionele kader is de basis voor een overleg, in functie van de inderdaad reële belangengemeenschap, eenvoudig niet aanwezig. Omdat de instellingen zelf berusten op de negatie van deze belangengemeenschap.

*
* *

Wat natuurlijk wèl mogelijk zou zijn binnen het bestaande kader, is het type van 'overleg' dat past in de traditionele Belgische compromispolitiek. Wat betekent dat Vlaanderen - en steeds Vlaanderen alleen - zijn eigen belangen zou opofferen aan het - per definitie 'hogere' - Belgische of Brusselse belang.

De Brusselse francofonie spreekt tenminste duidelijke taal. Zij weten dat Brussel niet leefbaar is binnen de grenzen van de 19 gemeenten. Hun uitgesproken doelstelling is GROOT-BRUSSEL: de aanhechting van Halle-Vilvoorde, en delen van Leuven, bij het Brussels Gewest. Ongeveer de 'telefoonzone 02' waarvoor zelfs naïeve Vlaamse 'progressieven' een lans braken in De Standaard.

Uiteraard moet dit Groot-Brussel bestuurd worden door de Brusselse politieke klasse. En, via haar, door het Belgisch establishment. De Vlamingen kunnen zich dan terugtrekken op de Antwerpse haven, de West-Vlaamse polders en de Kempische heide.

Hoeft het te verbazen dat Van den Brande niet gelukkig was met het werkstuk van de SERV?