Nummer 4


Wraakroepende taaltoestanden | september 1993


Ziekenhuizen te Brussel (Bernard Daelemans)<< Nummer 4

De taaltoestanden in de Brusselse OCMW-ziekenhuizen vormen een oud zeer. Zowat iedereen weet dat de taalwetten er met de grove borstel overtreden worden. De Vlaamse politici hebben altijd beweerd dat de zaak rechtgetrokken zou worden wanneer zij 'écht' zouden participeren aan de macht in het Brusselse gewest. Maar uit de werkelijkheid blijkt geen enkele vooruitgang. Wij maken de balans.

De problematiek van de Brusselse OCMW-ziekenhuizen wordt een fundamenteel testgeval voor de nog recente structuren die werden uitgedacht voor de hoofdstad. Er kan niet voorbijgegaan worden aan het belang ervan: de gezondheidszorg behoort tot de fundamentele rechten van de mens en het staat buiten kijf dat het element taal daarbij een erg belangrijke rol speelt, soms zelfs een bepalende, zowel bij diagnose als behandeling. De regels van het menselijk respect zowel als de Belgische taalwetten laten er geen twijfel over bestaan: de opvang van Nederlandstalige patiënten in Brussel moet in het Nederlands geschieden.

Dit is echter helemaal niet het geval. Terwijl ongeveer 30% van de bezoekers van deze ziekenhuizen Nederlandstalig zijn, moet 58% ervan overschakelen op het Frans om zich bij het personeel verstaanbaar te maken. Met de regelmaat van de klok stellen exclusief Franstalige dokters vast dat hun patiënt "ininterrogeable" is. Dit heeft in een aantal gevallen reeds geleid tot zware complicaties, met soms een fatale afloop.

Het is dan ook onaanvaardbaar dat de Vlaamse beleidsmensen in deze bijzonder netelige kwestie de verantwoordelijkheid van zich afwerpen door te verwijzen naar andere instanties. De helse carrousel die zo op gang komt lijkt de staatshervorming in een bijzonder lelijk daglicht te stellen.

De gemeenschappelijke gemeenschapscommissie is bevoegd

Het institutionele landschap ziet er als volgt uit: de openbare ziekenhuizen in Brussel zijn zogenaamde bi-communautaire instellingen. Zij staan immers open voor leden van beide gemeenschappen. De politieke verantwoordelijkheid over deze ziekenhuizen wordt daarom uitgeoefend door het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (sic). In dit college zetelen twee Nederlandstalige en twee Franstalige Brusselse ministers. De voorzitter heeft slechts raadgevende stem. Met andere woorden: het college is paritair samengesteld en moet bovendien bij consensus beslissen. Zodoende hebben de Vlaamse ministers reële macht om de situatie in de ziekenhuizen te verbeteren: ze kunnen beletten dat het Gewest hen nog langer geld toestopt. Aan verschillende politici werd door het Overlegplatform Vlaamse Gezondheidszorg gevraagd of zij dit inderdaad ook zullen doen. De verder geciteerde uitspraken zijn afkomstig uit de antwoorden op deze vraag.

Dreigen met "macht en middelen"

De Vlaamse Minister van Brusselse aangelegenheden, Hugo Weckx, die namens de Vlaamse Regering zetelt in de Brusselse Vlaamse Gemeenschapscommissie, dringt er al lang bij zijn Vlaamse collega's op aan om hun "macht en middelen" aan te wenden: "Ik weet (...) dat Rome niet op één dag gebouwd is en dat de groei naar een werkelijk bicommunautair stelsel een procesmatig verloop moet kennen. Maar ik weet ook dat dit procesmatig verloop slechts gestalte zal krijgen wanneer concrete maatregelen in verband met subsidiebeperkingen zullen genomen worden: ik vrees dat enkel de dreiging met en de toepassing van financiële sancties de weg zullen openen naar het werkelijk bicommunautair worden van de bicommunautaire instellingen."

Brusselse Vlamingen "pacificeren" liever

Bij de Brusselse CVP-mandatarissen klinkt echter een heel andere klok: Walter Vandenbossche, CVP-fractieleider bij de Brusselse instellingen zegt dat zijn fractie geen maatregelen wenst te nemen "welke zouden leiden tot brutale afbreuk van de dienstverlening aan de Brusselse bevolking."

Ook Vic Anciaux, staatssecretaris in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is er niet happig op om de zaken te forceren. Zelf is hij niet rechtstreeks bevoegd in deze, aangezien alleen de ministers in het Verenigd College zetelen, maar hij betwijfelt of "optreden via investeringsdossiers (...) het gewenste resultaat zou bespoedigen" (VU-voorzitter Bert Anciaux stelt zelfs dat "de situatie doorheen de jaren reeds gevoelig verbeterd is" en dat men door financiële sanctionering "het doel wel eens zou kunnen voorbijschieten.")

Enkel het Vlaams Blok en Agalev pleiten te Brussel voor een harde opstelling. Dolf Cauwelier (Agalev) wil heel concrete maatregelen: hij verlangt dat "de Gewestregering bij het eventueel toekennen van gewestgeld aan deficitaire OCMW-ziekenhuizen in het opgelegde saneringsplan expliciet controleerbare richtlijnen zou inschrijven om de toepassing van de taalwetten te garanderen."

Uit dit alles blijkt dat de Vlamingen in Brussel wel degelijk de macht hebben om het beleid om te buigen, maar dat de huidige beleidvoerders dt niet durven doen (men noemt dit dan "pacificatie").

Brussel-nationaal

Aan de Vlaamse Minister-President Luc Van den Brande werd gevraagd de zaak ter sprake te brengen op het bilateraal Brussels overleg. Hij zegt dit "ernstig te overwegen". Toch lijkt het erop dat hij niet veel meer zal kunnen doen dan de bal terug te kaatsen naar de Brusselse Vlamingen.

Brussel-federaal

VU-kamerlid Van Vaerenbergh interpelleerde bij de Minister van Binnenlandse Zaken. Deze verklaarde zich onbevoegd: "Ik ben een loyaal federalist. Als de heer Gosuin niet doet wat hij moet doen, moeten de Vlamingen in de Brusselse instellingen ingrijpen, ik heb daarover niets te zeggen. Men moet er mij dan ook niet over interpelleren", aldus Louis Tobback.

Om kort te gaan: de taalwetten worden blijvend overtreden in de Brusselse ziekenhuizen. Theoretisch kunnen de Vlamingen die in het Gewest verantwoordelijkheid dragen hun macht gebruiken, maar zij willen de "pacificatie" niet in gevaar brengen. Zij gaan daarbij in tegen de mening van Weckx. De Vlaamse regering "staat erbij en kijkt ernaar". De federale overheid kan niet tussenbeide komen, om de "federale loyauteit" niet in het gedrangt te brengen. Is dát de "nieuwe burgerzin", waarover wijlen Boudewijn het in zijn laatste 21-juliboodschap had?