Nummer 40


| oktober 1998


Het 'verraad' van de CVP (Christian Dutoit)<< Nummer 40

Verraad is een lelijk woord, dat wellicht iets te vaak en te lichtzinnig in de mond genomen wordt door geëmotioneerde Vlaamsgezinden wanneer die om een of andere reden menen dat hun verzuchtingen niet au sérieux genomen worden. Agalev en SP kunnen, althans op Vlaamsgezind vlak, nauwelijks van 'verraad' beschuldigd worden, want als het om Vlaamse verzuchtingen gaat houden ze de boot af. Dat ligt eventjes anders bij CVP en VU, waar tot op vandaag - het kan verbazing wekken - nog min of meer belangrijke Vlaamsgezinde tendensen bestaan.

Dat een machtspartij als de CVP - sinds 1958 onafgebroken aan de macht - compromissen sluit, is de logica zelve. Zolang deze vergissing van de geschiedenis bestaat (om de woorden van Tobback te gebruiken) is er geen andere weg, althans voor mensen die deze betreurenswaardige werkelijkheid niet in vraag stellen. Maar van een partij die een zodanige machtspositie bekleedt dat ze zowel in België als in Vlaanderen incontournable is, mag verwacht worden dat ze op bepaalde historische momenten niët blundert. Wij zijn niet meteen aanhangers van de stellingen van Van Cauwelaert, die meende dat Vlaanderen slechts aan zijn trekken kon komen door zijn numerieke overwicht binnen de Belgische staat te laten verzilveren, maar binnen deze CVP-logica betekende de beruchte grendelgrondwet van begin jaren zeventig een 'verraad' aan het testament van deze staatsman. Verraad èn blunder. Zoals de faciliteitenwetgeving van de jaren zestig. En bij de CVP wordt zoiets een ziekelijke gewoonte: vandaag zijn het de Brusselse Vlamingen die geofferd worden op het altaar van de persoonlijke ambities van een aantal christendemocratische coryfeeën.

Diegenen die vandaag van mening zijn dat het onverstandig is het dossier van het EU-stemrecht te koppelen aan een gewaarborgde vertegenwoordiging van de Brusselse Vlamingen zijn ofwel hopeloos naïef, ofwel vergissen zij zich deerlijk. Niet omdat dergelijke - op zich absurde - koppelingen vanuit democratisch standpunt onze voorkeur genieten, wel omdat ze een conditio sine qua non zijn om binnen de Belgische context wat dan ook te 'arrangeren'. Een gewaarborgde vertegenwoordiging van Brusselse Vlamingen is een eis die niet enkel verdedigbaar is, maar die a propos veel te laat komt: die zaak had al lang moeten geregeld zijn. Het is vijf óver twaalf. Nu nog eens uitstel betekent niet meer of niet minder een genadeslag voor de Vlamingen in de hoofdstad, en een persoonlijke biecht zal deze keer geen soelaas bieden voor de christendemocratische zondaars.

Het argument dat Vlaanderen zich naar de wereldopinie laat zien als 'onverdraagzaam' is vals en verwerpelijk: het is precies de schuld van de katholieke machtspartij dat deze aangelegenheid niet reeds lang geleden geregeld is. In de praktijk is het zo dat Vlaanderen wellicht tè tolerant is naar anderstaligen toe, wat niet betekent dat we hier pleiten voor het tegenovergestelde: de Vlaamse overheid kan geen inspanningen te veel leveren om migranten en anderstaligen toe te laten Nederlands te leren, in het bijzonder in Brussel en in Vlaams-Brabant.

De pejoratieve beeldvorming van Vlaanderen bezorgt ons uiteraard kopzorgen. Maar er zijn remedies. In de eerste plaats moet de progressieve en radicale Vlaamse beweging de hand uitsteken naar allochtonen. Er zijn hoopgevende tekenen die in de goede richting gaan, zoals het boekje van Jaak Peeters en de acties van Vlakaf. Maar even dringend is het onder druk zetten, zoniet electoraal afstraffen van de grootste partij van Vlaanderen, die niet meer in staat blijkt de belangen van haar achterban op een zindelijke manier te verdedigen.