Nummer 41


Québec | november 1998


Enkel soevereiniteit kan het lot van Québec veiligstellen (Rudi Coel)<< Nummer 41

Op 30 november 1998 vinden er in Québec verkiezingen plaats. Premier Bouchard van het regerende Bloc Québécois wil een duidelijk mandaat om opnieuw een referendum over soevereiniteit-alliantie(*) te organiseren. Drie jaar geleden haalden de neen-stemmen het nipt (50,6 tegen 49,4%), maar die nederlaag kan ongetwijfeld op rekening geschreven worden van de massale tegenstem van de Engelstalige minderheid, die een kleine 10% van de bevolking uitmaakt. Deze groep vreest natuurlijk dat een zelfstandig Québec de naar haar zin reeds te radicale taalwetgeving nog zal verstrakken. De voorstanders van soevereiniteit zijn daarentegen de overtuiging toegedaan dat enkel een autonoom Québec zichzelf alle noodzakelijke middelen zal kunnen verschaffen om de Franstalige identiteit veilig te stellen in een land en op een continent waar het Engels een oppermachtige numerieke en economische machtspositie inneemt.

Québec heeft binnen het kader van haar bevoegdheden - Canada is immers een federale staat - een maximale bescherming proberen te geven aan haar Franstalige bevolking. Deze competenties zijn echter beperkt - zo kan de provincie niet normeren wat betreft het hoger en universitair onderwijs - bovendien heeft het Canadese Hooggerechtshof een aantal maatregelen in strijd met de grondwet en het recht op vrije meningsuiting geacht.

Idealisten zullen misschien sympathie opbrengen voor de Engelstaligen en zich afvragen waarom er in godsnaam een taalwetgeving nodig is in een federale provincie waarvan 80% van de bevolking het Frans als moedertaal heeft, net zoals ze zich in Vlaanderen en Catalonië het lot aantrekken van respectievelijk de Franstalige en de Spaanstalige minderheid. Net als in deze twee gebieden heeft de taalwetgeving in Québec niet de bedoeling de anderstalige aanwezigheid uit te gommen, maar vindt zij haar oorsprong in de noodzaak de meerderheidsbevolking te beschermen.

Het is weliswaar zo dat de Franstalige minderheid in de overige Canadese gebieden over bepaalde rechten beschikt, maar deze groep is niet in staat zich overeind te houden in vrije concurrentie met het Engels. In het immigratieland dat Canada nog steeds is, slaagt zij er met name niet in nieuwe taalgebruikers aan te trekken. Het Franstalige bevolkingsdeel buiten Québec krimpt dus zienderogen. Er is geen parallel mogelijk met de situatie van het Engels en van de Engelstalige minderheid in Québec. Het Engels in Québec is geen bedreigde taal, integendeel. Net de vaststelling dat de vrije concurrentie met het Engels ook in Québec leidde tot een langzame erosie en achteruitstelling van het Frans en de Franstalige kernbevolking, deed de overheid er begin jaren zestig toe besluiten het tot dan "gevoerde" laissez-faire beleid op te geven en in te grijpen in het taalgebeuren.

Men kwam immers tot een aantal verbijsterende vaststellingen :

  • een grote socio-economische ongelijkheid tussen tussen Engels- en Franstaligen. Losgekoppeld van factoren als scholingsgraad of opleidingsniveau verdienden Engelstaligen in 1970 nog 20% meer dan hun francofone collega's. In 1959 werden 6 op 10 kaderfuncties ingevuld door Engelstaligen. In 1976 maakten de Franstaligen slechts in 13% van de beheerraden van bedrijven met meer dan 1000 personeelsleden de meerderheid uit. In hetzelfde jaar was 80% van de bedrijfstop Engelstalig.

  • de belangrijkheid van het Engels in de bedrijven en in het straatbeeld. In het begin van de jaren zeventig werkte de helft van de Franstalige werknemers overwegend in het Engels, zeker wanneer het contacten met superieuren betrof. Ook in de commerciële affichering was het Engels proportioneel oververtegenwoordigd.

  • de massale keuze van de migranten voor het Engelstalige onderwijs. Van alle allofonen die in 1971 ingeschreven waren in het lager en middelbaar onderwijs bezocht, frequenteerde slechts 14% het Franstalig net. Eén en ander had natuurlijk ook weerslag op de taalkennis. Aangezien tot in 1969 het onderwijs van het Frans in de Engelstalige scholen niet verplicht was, in het niet verwonderlijk dat in die periode slechts een kleine helft van de allofonen en enkel 37% van de Engelstaligen in staat was een gesprek te voeren in het Frans.

De bovenstaande fenomenen tekenden zich op het scherpst af in Montréal, het socio-economische hart van Québec, waar drie vierden van de Engeltaligen en andertaligen gevestigd zijn en waar de Franstaligen op dit ogenblik ongeveer 60% van de bevolking maken (83% voor heel Québec). Het is dus geen overdrijving wanneer gesteld wordt dat de toekomst van het Frans in deze stad zal stemd, vonden hun bekroning in het Handvest van de Franse taal (1977). In de inleiding wordt gesteld dat "het Frans de onderscheiden taal is van een volk dat in meerderheid Franstalig is en het instrument is waarmee dat volk haar identiteit uitdrukt". De regering spreekt er haar wil in uit van het Frans "de taal van de overheid en de rechtspraak te maken, evenals de normale en gebruikelijke taal op het werk, in het onderwijs, op gebied van communicaties, handel en het zakenleven". Het handvest drukt de wil uit het Frans tot de gemeenschappelijke taal van het openbare leven te maken en de taal waarin alle Québécois van welke moedertaal dan ook kunnen communiceren en deelnemen aan de ontwikkeling van de maatschappij.. De defensieve oorsprong blijkt duidelijk uit de opsomming van een aantal fundamentele taalrechten: het recht van de werknemers hun activiteiten in het Frans uit te oefenen, het recht van consumenten van goederen en diensten om in het Frans geïnformeerd en bediend te worden". Dat werd vertolkt in een aantal concrete maatregelen, waarvan het draconische karakter enkel ingegeven werd door de bedreigde positie van het Frans.

Het Frans is de officiële taal van Québec. Voor handelszaken en bedrijven werd het Frans de enig toegelaten taal voor opschriften, affiches en commerciële advertenties. Uitzonderingen inzake publiciteit werden gemaakt voor etnische groepen en advertenties door non-profit organisaties.

Bedrijven van meer dan 50 personen zagen zich verplicht zich te onderwerpen aan een verfransingsproces. Firma's moesten ervoor zorgen dat kaders en alle leden van het personeel het Frans machtig zijn. De ondernemingen moesten er ook zorg voor dragen dat interne mededelingen in het Frans werden gesteld en het uitsluitend gebruik van het Frans moest bevorderd worden. Officiële berichten van de directie aan het personeel en alle communicaties tussen leden van het personeel moesten in het Frans gebeuren. Het onthaal van de klanten, aan de telefoon of in persoon moest in het Frans plaatsvinden. Bedrijven die deze normen toepasten kregen een verfransingscertificaat. De andere moesten een verfransingsprogramma opstellen en uitvoeren.

Op onderwijsvlak werd de toegang tot het Engelse schoolnet beperkt tot de personen waarvan de ouders, hun zussen of broers of zijzelf de meerderheid van het lager onderwijs in Québec in het Engels hadden ontvangen. Het recht van de Engelstaligen, de Inuit en de Amerindianen om school te lopen in hun eigen taal werd echter gevrijwaard. Op bestuurlijk vlak konden konden een aantal gemeenten trouwens een tweetalig statuut bekomen.

Ondanks het feit dat deze maatregelen fundamenteel beschermend bedoeld waren, kan het niet verbazen dat er vanuit Engeltalige hoek in Québec en in Canada protest kwam. Wettelijke middelen werden ingeschakeld tot het Canadese Hooggerechtshof en de United Nations Human Rights Committee toe om bepaalde delen van het Charter aan te vechten. In 1978 oordeelde het Hooggerechtshof reeds dat het Frans niet de uitsluitende taal van wetgeving en de rechtbanken mocht zijn. In 1984 besliste datzelfde Hooggerechtshof dat de toegang tot het schoolnet niet mocht beperkt worden tot mensen die de meerderheid van hun primair onderwijs in Québec in het Engels hadden gevolgd. Québec zag zich verplicht dat recht te verruimen tot kinderen wiens ouders of zijzelf Engelstalig lager onderwijs genoten hadden in de rest van Canada. Het Supreme Court oordeelde in 1988 dat het verbod op elke andere taal dan het Frans in openbare opschriften en commerciële advertenties in strijd was met de vrijheid van meningsuiting. Ook mocht niet enkel de Franse naam van een bedrijf legaal zijn. De wetgever in Québec zag zich verplicht deze bepalingen af te zwakken.

Veralgemenend kan gesteld worden dat andere talen voortaan konden op voorwaarde dat het Frans duidelijk domineerde (grootte van het opschrift enz.) Niettegenstaande deze belangrijke afzwakkingen heeft deze taalwetgeving belangrijke successen behaald. Het belangrijkste feit voor de overleving van het Frans is dat de overweldigende meerderheid van de allochtone bevolking nu school loopt in het Franstalige lager en middelbaar onderwijs: maar liefst 80%. Dat betekent een vooruitgang met 60 percent. Weliswaar is het zo dat de keuze voor wat het hoger en universitair onderwijs betreft vrij is. De doorstroming vanuit het Frans onderwijs zorgt er echter voor dat ook daar de helft van de allofone studenten voor Franse colleges of universiteiten kiest.

Het aantal Québécois met het Frans als gebruikelijke taal is gestegen van 81 naar 83%. De kennis van het Frans bij de allofone en Engelstalige bevolking is toegenomen: 60% van Engelstaligen en allofonen is tweetalig. Het aantal mensen dat overwegend in het Frans werkt is duidelijk gestegen, vooral in Montréal. De loonverschillen zijn weggevlakt. We vinden meer Franstaligen terug in hogere kaders en bedrijfsleiding, alhoewel de hogere top nog steeds voor 65% uit Engelstaligen bestaat. Zeven op tien bedrijven hebben een verfransingscertificaat bekomen. Het commercieel afficheren gebeurt hoofdzakelijk in het Frans: 80% van de commerciële boodschappen zijn uitsluitend in het Frans. In 95% van de handelzaken zijn de mensen in staat zich in het Frans te laten bedienen.

Deze successen zijn het bewijs van de noodzakelijkheid van de strenge taalwetten in Québec. Het Frans blijft echter een marginale taal op het Noord-Amerikaans continent. De internationalisering van de economie (oa de ALENA-akkoorden) en de nieuwe informatietechnologieën versterken de positie van het Engels. Québec heeft geen zeggenschap in het taalgebruik in federale overheidsinstellingen. Het kan ook niet normeren wat hoger en universitair onderwijs betreft. Het gevaar van Canadees overheidsingrijpen in de taalwetgeving ligt steeds op de loer.

Het Frans is een broos kasplantje dat moet overbeschermd worden wil het kans op overleven hebben. Daarmee zijn we dan meteen terug aanbeland bij het begin. De geboekte vooruitgang is zeer kwetsbaar. Men kan daarom goed begrijpen heel wat mensen (vooral de Franstaligen natuurlijk) de mening zijn toegedaan dat enkel de soevereiniteit het volk van Québec in staat zal stellen haar eigen toekomst volledig in eigen handen te nemen en het Frans, de basis van die identiteit, voorgoed te beveiligen.

En de Indianen dan, zult u zeggen. Tsjaa ... dat is een ander paar mouwen.

(*) Het gaat dus niet om volledige onafhankelijkheid aangezien Québec oa een gemeenschappelijke munt wil behouden met de rest van Canada.