Nummer 43


Ideologie | januari 1999


Een historische overgangstijd (Antoon Roosens)<< Nummer 43

Sinds de mensheid het stadium van de tribale samenleving is ontgroeid, berust de politieke macht steeds in de handen van een heersende klasse. In een feodale maatschappij, en in de meeste autoritaire staatsvormen, is deze klasse-heerschappij duidelijk, open en dikwijls brutaal. In een democratische staatsstructuur, vooral sinds het algemeen stemrecht, is de klasseheerschappij minder zichtbaar. Zij wordt er op een complexere en veel subtielere manier uitgeoefend, via de tussenschakel van wat Gramsci noemde 'organische intellectuelen': politieke, economische en intellectuele kaders die, samen met de eigenlijke heersende klasse, het establishment vormen.

Maar uiteindelijk komt het steeds neer op hetzelfde: de heersende klasse is diegene die, in een gegeven ontwikkelingsstadium van de productietechniek, de centrale sector van de economie controleert. De centrale sector is deze, waar het grootste deel van de rijkdom (meerwaarde) wordt geproduceerd, en waar de sterkste accumulatie van kapitaal plaatsgrijpt.

In normale tijden is de heersende klasse ook de leidende klasse van de maatschappij. Gezien haar centrale plaats in het productieproces kan de heersende klasse, in haar politiek beleid, haar eigen groepsbelang op de eerste plaats stellen, en toch tegelijkertijd het algemeen belang bevorderen. Zoals een Amerikaanse president het lapidair formuleerde: "What good is for Ford, is good for America". Daaruit volgt dat geen enkele ondergeschikte sociale groep of klasse fundamenteel benadeeld wordt door de manier, waarop de heersende klasse de politieke leiding uitoefent, d.i. in functie van haar eigen economisch klassebelang. Dit, althans, zolang de economische sector waarop de heersende klasse steunt, ook de centrale motor van de algemene economische expansie blijft.

Wat geenszins uitsluit dat er tussen de heersende klasse en de andere, gedomineerde groepen of klassen, tegenstellingen zijn - en soms scherpe conflicten - over de te voeren politiek. Maar deze conflicten zullen, in laatste analyse, steeds betrekking hebben op de verdeling, tussen de verschillende bevolkingslagen, van de rijkdom die hoofdzakelijk door die heersende klasse wordt geproduceerd. Ook wanneer, zoals dikwijls, deze conflicten de vorm aannemen van 'ideologische' of 'culturele' tegenstellingen. De Vlaamse beweging is een typisch voorbeeld van een dergelijk conflict.

Bij al deze conflicten wordt de basis van het door de heersende klasse gevoerde beleid, niet ècht in vraag gesteld. Haar visie op de maatschappelijke ordening, op de relatie tussen de mensen en de sociale groepen, op de na te streven prioriteiten van het beleid, wordt minstens impliciet als algemeen geldend aanvaard. Daarom is, in normale omstandigheden, de heersende klasse ook de leidende klasse: haar maatschappijvisie is normatief voor de gehele samenleving.

In deze fase worden, in een politieke democratie, de partijen die de arbeidende klassen vertegenwoordigen, geassocieerd met het politieke beleid. Hun leiders worden grotendeels opgenomen in het establishment, als 'organische intellectuelen' van de heersende klasse. Ook wanneer die partij(en) integraal het regeringsteam leveren, raakt het door hen gevoerde beleid niet aan de strategische belangen van de heersende klasse.

*
* *

De echte revolutionaire conflicten duiken pas op in een scharniermoment van de geschiedenis. Wanneer, ingevolge de evolutie van wetenschap en techniek, het zwaartepunt van de economie verschuift naar een andere sector dan deze, waarop de macht van de heersende klasse steunt. Dan verliest deze klasse immers haar functie van leidende klasse. Haar groepsbelangen vallen niet langer samen met het algemeen belang. Zij belichaamt niet meer het 'nationaal belang'. Haar intellectueel, moreel en politiek leiderschap wordt in vraag gesteld omdat zij niet meer in staat is, materieel-economisch, tegelijk haar eigen belangen en de belangen van de gehele samenleving te bevorderen.

Dit sluit geenszins uit dat, in die overgangsfase, deze klasse verder de politieke heerschappij blijft uitoefenen, en dit soms voor lange tijd. Zolang het door haar opgerichte staatsapparaat overeind blijft, kan zij via haar organische intellectuelen de samenleving op politiek vlak blijven controleren. Ook wanneer de door haar uitgestippelde politiek in feite blijkt te leiden tot een voelbare daling van de welvaart en het welzijn van steeds bredere bevolkingslagen. Een groot deel van de politieke, administratieve en zelfs syndicale kaders; academici, leraren en professoren; journalisten, schrijvers, zelfs kunstenaars, enz., die werden opgenomen in het establishment, zijn voor hun persoonlijke of categoriële belangen afhankelijk geworden van de bestendiging van het bestaande staatsapparaat. Zij onderhouden, veelal te goe-der trouw maar dikwijls bewust, de mythe - want het is nu een mythe geworden - dat er geen 'alternatief' is, dat het economisch belang van de oude heersende klasse nog steeds samenvalt met het algemeen belang.

De bestendiging van de politieke macht van een heersende klasse, die niet meer de leidende klasse is, wordt ook in de hand gewerkt door het feit dat er, in het begin van deze historische overgangsperiode, geen nieuwe klasse klaarstaat om de heer-schappij over te nemen. De vorming van een nieuwe, potentieel heersende klasse, is historisch steeds een traag en moeizaam proces. De sociale groepen, die voortaan in hun belangen worden geschaad door de bestendi-ging van het bestaande regime, zijn menigvuldig en heterogeen. Zij moeten nog een lange, onderlinge strijd uitvechten vooraleer duidelijk zal worden welke sociale groep precies het centrum zal worden van een alternatieve heersende klasse: zij die de nieuwe, centrale functie in de gewijzigde economische structuren vervullen. De organische intellectuelen van de oude heersende klasse zullen, zeer machiavellistisch, inspelen op deze verdeeldheid. Zij zullen, desnoods met de grofste intellectuele oneerlijkheid, de mythe in stand houden dat er geen alternatief is. Aldus ontstaat een lange periode van intellectuele, morele en politieke verwarring en van scherpe ideologische strijd, die meestal dwars door de geledingen van de bestaande politieke en sociale groeperingen zal snijden.

*
* *

De spreekwoordelijke 'man-in-de-straat' is de eerste om te beseffen - op een obscure en contradictorische wijze - dat het 'grondig misloopt'. Geen wonder: hij is ook de eerste om het aan den lijve te ondervinden. Hij verliest zijn vertrouwen in de politieke leiding, er groeit een 'kloof tussen de burger en de politiek', een kloof die met geen enkele cosmetische behandeling te dichten is.

Maar 'Jan-met-de-pet' staat alléén! Er is, in dat stadium, nog geen georganiseerde groep van intellectuelen ontstaan, die de 'mythe' - het correct political thinking - op een systematische en onophoudende manier ontmaskert en weerlegt, en een coherent alternatief tracht te formuleren.

In deze fase is de massa, in haar onstabiliteit en onzekerheid, vaak de speelbal van zuiver demagogische, en zelfs ronduit fantaisistische, nieuwe partijen of ideologische stromingen. Deze teren op de morele ontreddering van de massa, maar bieden geen enkel reëel alternatief. Strategisch hebben deze politieke avonturiers geen toekomst, maar ondertussen vertragen zij wel de noodzakelijke, nieuwe politieke bewustwording.

Het is pas nadat steeds ruimere groepen van intellectuelen gebroken hebben met de officiële mythe, en een voldoende coherent maatschappij-alternatief hebben geformuleerd, dat de verwarring in de onderliggende sociale geledingen kan opklaren en dat een nieuwe, politiek gestructureerde tegenmacht gestalte kan krijgen.

Dan breekt het echte 'revolutionaire' moment aan. De oude staatsstructuur wordt afgebouwd, en de oude heersende klasse verdwijnt van het historisch toneel.

*
* *

Alle kapitalistische kernlanden bevinden zich vandaag in de hierboven beschreven, historische overgangsfase. De industrie, die sinds de 16de eeuw de dominante productievorm was, wordt opgevolgd door de diensten als voornaamste bron van creatie van waarde en meerwaarde. En de kapitaalsaccumulatie grijpt essentieel plaats buiten het industrieel productieproces.

De kapitalistische bourgeoisie, die in de industrie haar economische machtsbasis vond, verliest haar positie als leidende klasse. Maar haar greep op de politieke macht is sterker dan ooit. De mondialisering van de grootnijverheid, de daarmee gepaard gaande uitholling van de democratische controle op het economisch proces binnen de natiestaat, laten haar toe haar rol als politiek heersende klasse te bestendigen en te verstevigen.

Wij gaan dus, op termijn, naar een fase van fundamentele politieke structuurhervormingen. Maar ondertussen vertoont onze samenleving ook al de negatieve symptomen van de overgangsfase: daling van het welzijn en van de welvaart van steeds bredere bevolkingslagen, en intellectuele, morele en politieke verwarring die, in extreme gevallen, zou kunnen leiden tot een verregaande desintegratie van het maatschappelijke weefsel.

Het wordt een harde maar een boeiende tijd!