Nummer 43


Vlaamse beweging | januari 1999


Wie wind zaait ... (Geert Orbie)<< Nummer 43

De Vlaamse beweging heeft nooit uitgeblonken in scherpe analyses. Vlaamsgezindheid was een kwestie van sentiment, van romantiek en symboliek. De klasseninhoud die historici en publicisten vandaag in de Vlaamse beweging willen blootleggen, en die er natuurlijk, zoals in elke nationale beweging, was en is, werd door deze laatste nooit bewust ervaren. De taalstrijd (ook een vorm van klassenstrijd) werd prioritair geacht en sociaal-economische analyses en bekommernissen werden als gevaarlijk bestempeld, want schadelijk voor de eenheid van de beweging (godsvrede). Vlaggenvertoon en blauwvoetgezang deden de harten sneller slaan en overtuigden van de juistheid en het nut van de strijd. De romantiek haalde het van de rede en de analyse.

We bevinden ons nu op een ogenblik dat de taalfase van de Vlaamse strijd grotendeels achter de rug is. In Brussel en de rand kan de aanslepende taalproblematiek trouwens niet opgelost worden met de klassieke voluntaristische Flor Grammens-recepten, maar enkel via het verwerven en uitbouwen van Vlaamse macht. De huidige Vlaamse macht is niet onaanzienlijk, maar blijft ingekapseld in het Belgisch regime. Zolang België blijft bestaan, m.a.w. zolang het Franstalig Brussels establishment in dit land de lakens blijft uitdelen, zal er een blijvende verfransing in Brussel en de brede rand plaatsvinden. Er dient dus hoogdringend denkwerk geleverd te worden over hoe we meer macht zullen verwerven en België zullen breken; wie onze mede- en wie onze tegenstanders zijn.

Lichtzinnige uitspraken en euforische korte-termijnprognoses zijn hierbij uit den boze. Ze onderschatten immers schromelijk de macht en invloed van dit Belgische establishment, dat er handig in geslaagd is zijn plat eigenbelang te verhullen achter een idealistisch beeld van België als voorbeeld van verdraagzaamheid en universeel samenlevingsmodel. Vlamingen en Walen die opkomen voor meer autonomie worden dan in het beste geval als navelstaarders en in het slechtste geval als Gauleiter of etnisch zuiveraar bestempeld. Gesubsidieerde intellectuele en artistieke harki's bestendigen bewust of onbewust (maar dat is even erg) de macht van de Frans-Brusselse bourgeoisie.

Beweren dat België eigenlijk al gebarsten is, kan men bezwaarlijk anders dan als een natte jongensdroom bestempelen. Bij de traditionele politieke partijen, de media, de Kerk, de vakbonden, mutualiteiten, het leger, de universiteiten, enz. kan men moeilijk een laaiend enthousiasme voor een onafhankelijk Vlaanderen (en aan Waalse kant nog minder voor een dito Wallonië) waarnemen, integendeel. Bovenal echter mag men de natuurlijke behoudsgezindheid van de bevolking niet onderschatten, die door alle schandalen van de afgelopen jaren, wel beseft dat het systeem ziek is, maar zeker nog niet bereid is om een stap in het onbekende te zetten. Zeker niet als onduidelijk is dat dit onbekende (een onafhankelijk Vlaanderen) beter is dan het, zelfs onvolmaakte, bestaande.

Minstens evenveel mensen willen in deze verwarde tijden terug naar de vervlogen harmonie van het unitaire België, liefst onder leiding van onze edele vorst. Deze verwarde reacties zijn het gevolg van het verlies van hegemonie door de leidende klasse. In België laat dit fenomeen zich nog meer dan elders in Europa gevoelen. De bevolking voelt dit heel goed aan, maar kan het niet duiden. Een onafhankelijk Vlaanderen zal pas op de steun van steeds grotere lagen van de bevolking kunnen rekenen wanneer een nieuwe klasse zich opwerpt als potentieel hegemonische klasse. De contouren van deze potentiële klasse zijn op dit ogenblik nog niet scherp afgelijnd en in geen enkel opzicht is deze klasse reeds een klasse für sich. Dit betekent ook dat de organische intellectuelen, die voor de nodige duiding kunnen zorgen, schaars zijn.

De Vlaamse beweging zou deze rol kunnen vervullen en hiertoe een aanzet geven, maar dat vereist een afstappen van de romantische recepten van het verleden, een breuk met de godsvrede-gedachte die enkel toelaat om over de vorm en niet over de inhoud te praten en een vooropplaatsen van analyse in het politieke denken en handelen. Dit vraagt tijd. Intussen kunnen we beter zwijgen over een nakende onafhankelijkheid.

Zoals Mark Grammens terecht stelt zijn we er gewoon niet klaar voor.