Nummer 44


Ideologie | februari 1999


Heeft de Vlaamse burgerij België veroverd? (Geert Orbie)<< Nummer 44

In een vorig nummer van Meervoud heeft Antoon Roosens het Toudi-dubbelnummer "Le discours antiwallon" uitvoerig besproken. In het eerste hoofdstuk (Une Wallonie dépendante) beschrijft José Fontaine de vroegtijdige industriële revolutie in Wallonië, waardoor deze regio in 1830 de tweede industriële mogendheid ter wereld was. De monarchie, het financiewezen, de hogere administratie en de regering vormden na het ontstaan van België de kern van een Franstalige burgerij, die van buiten Wallonië (m.n. van Brussel) deze Waalse rijkdom op politiek, economisch, sociaal en cultureel vlak ging beheren. Hierbij was elke vereenzelviging met Wallonië haar vreemd. Nooit is deze Franstalige burgerij een nationale burgerij voor Wallonië geweest. Terecht merkt Fontaine op dat vanuit het inzicht in dit fenomeen de huidige stand van zaken in Wallonië en Brussel begrepen kan worden. Ook Roosens heeft in zijn "Marshall-plan voor Wallonië" dit verraad van de Belgische burgerij tegenover Wallonië benadrukt.

In tegenstelling tot Wallonië was de industriële ontwikkeling van Vlaanderen een laattijdig fenomeen. Lange tijd bleef de landbouw de belangrijkste economische activiteit en de landelijke aristocratie was dan ook sociaal dominerend. In ons land werd het Ancien Régime niet verslagen door een burgerlijke revolutie, maar door de invasie van de Napoleontische legers.

De burgerij was op zichzelf te zwak (politiek, ideologisch en economisch) om de macht in het nieuwe België uit te oefenen. Van in den beginne was deze staat een compromis tussen aristocratie en burgerij. In Vlaanderen zou deze ontluikende burgerij cultureel en ideologisch gedomineerd blijven door de aristocratie. Het overnemen van bepaalde aristocratische gebruiken, maar bovenal het hanteren van de Franse taal als communicatiemiddel waren hiervan het gevolg. Frans praten was echter niet enkel een cultureel gegeven, maar had ook een politieke betekenis omdat het diende om zich te onderscheiden van en te affirmeren tegenover de lagere sociale klassen, die een lokaal dialect spraken.. Het onderscheid tussen aristocratie en burgerij zou trou-wens snel vervagen doordat veel aristocraten hun fortuin gingen beleggen in de industrie en aldus de kapitalistische burgerij vervoegden. Door de bewuste taalkundige breuk met de rest van de Vlaamse bevolking werd de Vlaamse burgerij "gedenationaliseerd". Samen met de in Brussel gedelocaliseerde Waalse burgerij zou zij een Franstalige unitaire staat besturen. De expansie van de industriële burgerij, die tot 1870 zou duren, betekende voor Vlaanderen ook een uitdeinen van de sociale taalgrens. In alle Vlaamse steden ontstonden numeriek belangrijke franskiljonse bovenlagen.

Met de fase van het financieel of holdingkapitalisme (1870-1940) ontstond er een numerieke inkrimping en hergroepering van de kapitalistische klasse. Dit betekende in Vlaanderen het verdwijnen van de Franstalige burgerij uit de provinciesteden. De kapitalistische machthebbers waren nu allemaal in Brussel verzameld. Hun aanwezigheid in de hoofdstad en de administratieve, economische en huishoudelijke activiteiten die daaruit voortvloeiden, leidden tot een verregaande verfransing van de tot dan toe nog hoofdzakelijk Nederlandstalige hoofdstad, waarbij de talrijke immigranten (vaak uit landelijk Vlaanderen) in de hoop op sociale promotie de (gebrekkige) transculturatie naar het Frans ondergingen.

Fontaine beschrijft in Vlaanderen een tegenreactie tegen deze Belgisch-Brusselse francofone burgerij vanwege een nieuwe Vlaamsgezinde burgerij die zou ontstaan zijn op het einde van de negentiende eeuw. Dez Vlaamse burgerij werd volgens Fontaine zelfs hegemonisch in de Gramsciaanse zin en heeft vandaag de Franstalige burgerij van de Belgische macht verdreven. Ze heeft alles in België veroverd, behalve Wallonië, en wil van Brussel haar hoofdstad maken. Fontaine lijkt hier aan te leunen bij de strekking in Wallonië die het bestaan van een "état belgo-flamand" vooropstelt. Hierbij oefent de Vlaamse burgerij haar macht uit in de Belgische staat en de Franstalige Brusselse burgerij domineert Wallonië, in het bijzonder cultureel.

Hier ben ik het niet met Fontaine eens. De Franstalige Brusselse burgerij is in Vlaanderen (maar ook in België) al lang geen leidende (hegemonische) klasse meer, maar zij blijft nog steeds de heersende klasse. Haar macht is minder duidelijk en tastbaar dan honderd jaar terug, maar ze is daarom niet minder groot. De Vlaamse burgerij heeft deze heersende Belgische klasse nooit willen onttronen; wat ze trouwens ook niet gekund zou hebben (ik kom hier verder op terug). Het ontstaan van de Vlaamse burgerij wordt door Fontaine gesitueerd rond het einde van de vorige eeuw. Dit is de periode van de succesvolle opkomst van het Belgisch holdingkapitaal. De enige economische groepen met een Vlaams profiel die in het begin van deze eeuw op de voorgrond treden zijn enerzijds de ondernemingsgroep van de Boerenbond en anderzijds het Vlaamsch Handelsverbond, dat later het VEV zou worden. Deze initiatieven bleven in het geheel van de Belgische economie onbeduidend. Na de Tweede Wereldoorlog en in het bijzonder in de jaren zestig verdrong het monopoliekapitaal de holdings als drijvende economische kracht in België. Dit monopoliekapitaal was bijna uitsluitend van buitenlandse (Amerikaanse) origine omdat de absolute controle door de holdings van de kapitaalmarkt het ontstaan van binnenlandse monopolies had verhinderd. De holdingstructuur bleek totaal ongeschikt om de groeiende vraag naar en de technologisch razendsnel evoluerende productie van consumptiegoederen te verzorgen. Het nieuwe monopoliekapitaal ging vooral in Vlaanderen investeren, wat hier tussen 1957 en 1968 leidde tot een stijging van de industriële tewerkstelling van 47 naar 61%. Het Belgisch holdingkapitalisme steunde vooral op de basisnijverheid, steenkool, staal, elektriciteit en zware chemie, waardoor de nadruk, gezien de noodzakelijke nabijheid van de energietoevoer via de steenkoolmijnen, in Wallonië lag. Voor het monopoliekapitaal was echter de verkeersinfrastructuur en de nabijheid van grote havens van groter belang, wat de voorkeur voor Vlaanderen verklaart (naast de toenmalig lagere arbeidskostprijs). De intrede van dit monopoliekapitaal en de, in het kapitalisme wetmatige, concentratie van de industrie zorgden voor een vermindering van het aantal industriële ondernemingen. Deze vermindering ging vooral ten koste van de kleine bedrijven. In Vlaanderen betekende dit het verdwijnen van een groot aantal traditionele kleine en middelgrote industriële ondernemingen, met vaak een familiaal karakter. Het buitenlands monopoliekapitaal deed voor het management van zijn bedrijven een beroep op lokale, dus vaak Vlaamse, managers. Daarnaast ontstonden er in het zog van de industriële monopoliebedrijven een resem middelgrote ondernemingen, vooral in de dienstensector. Alle bovenvermelde groepen waren ofwel ontstaan dankzij het monopoliekapitaal (en los van het Belgisch holdingkapitalisme), ofwel hadden ze hun groei eraan te danken. Ze zouden elkaar vinden in het traditioneel Vlaamsgezinde Vlaams Economisch Verbond.

Het ontstaan van een Vlaamse burgerij moet dus eerder in deze periode gesitueerd worden. Deze klasse vormde een front voor de verdediging van haar belangen, die ook die van het (Amerikaans) monopoliekapitaal waren, tegen die van de Belgische holdingbourgeoisie. Deze belangenverdediging werd met een Vlaams sausje overgoten.

De decentralisering die ons land in de jaren zeventig en tachtig kende, was door deze klasse zeker gewenst. Echt de macht van het Belgisch establishment aanvallen (door de Belgische staat te breken), heeft zij echter nooit gewild en gekund. Op geen enkel ogenblik bekleedde zij immers een centrale plaats in het productieproces. Deze Vlaamse burgerij was en is dus zeker niet hegemonisch, zelfs niet in potentie.

De belangrijkste evolutie van de laatste decennia is ongetwijfeld de toenemende internationalisering van het industrieel productieproces, met alle economische, politieke en sociale gevolgen van dien. Als gevolg hiervan verdwijnen de nationale burgerijen om op te gaan in een multinationale oligarchie. De heerschappij van deze nieuwe klasse wordt uitgeoefend via supranationale en niet democratisch gecontroleerde instellingen (IMF, GATT, EU, ...), in plaats van via de structuren van de natiestaat, die nu als hinderlijk voor de expansie van het industrieel-financieel kapitalisme worden ervaren. De nationale burgerijen zijn dus gedenationaliseerd. Hun particuliere klassenbelangen vallen niet meer samen met het nationaal belang (= de belangen van de brede bevolkingslagen) en zijn er zelfs tegengesteld aan. Per defintie kan deze nieuwe supranationale kapitalistische klasse niet hegemonisch zijn. Ook (en vooral) in ons land heeft deze trend zich voorgedaan. Een deel van de Belgische burgerij is opgegaan in het multinationaal kapitalisme. Haar belangen zijn niet meer Belgisch. Toch verdedigt zij nog steeds het voortbestaan van deze staat, omdat zij via haar traditionele verwevenheid met het Belgisch establishment de staatsstructuren kan gebruiken om haar belangen op het supranationale vlak te verdedigen. Daarnaast blijft zij geografisch, sociaal en emotioneel aan het oude establishment en haar staat gebonden. In deze verdediging van België tegen centripetale tendensen worden zij bijgestaan door hun vroegere Belgische klassegenoten, die zich nog niet bewust zijn van hun vergane economische glorie, maar nog steeds het establishment uitmaken. Het deel van de Vlaamse burgerij, dat daadwerkelijk eigenaar is van de productiemiddelen, heeft nooit de boot van de mondialisering kunnen nemen en is gedoemd tot het leveren van achterhoedegevechten.

De Vlaamse managers, die in het VEV de eerste viool spelen, zijn eigenlijk gewone werknemers en kunnen niet anders dan de belangen van het multinationaal kapitaal verdedigen, die zoals gezegd supranationaal zijn en zeker niet Vlaams. Gewagen van een Vlaamse burgerij die in België alles veroverd zou hebben, is in dit licht dus niet correct. De oude Belgische burgerij, die onder invloed van de mondialisering opgehouden heeft één klasse te vormen, blijft zich in de Belgische staatstructuren nog wel als dusdanig gedragen en vormt het nog steeds invloedrijke establishment. De eenvoudigste manier om dit establishment te onttronen, is haar staatsstructuur te breken. Vanuit een soeverein en democratisch Vlaanderen en Wallonië kan dan de strijd aangegaan worden tegen het multinationaal kapitalisme, dat in steeds snellere mate leidt tot een economische, sociale en ecologische ramp. De nieuwe ideologie en utopie die aan dit weerwerk ten gronde moet liggen, kan, gezien de culturele aard van dit proces, enkel groeien binnen de nationale ruimte van elk volk. Er moet met andere woorden binnen elk volk een nieuwe potentieel hegemonische klasse groeien die een halt toeroept aan de multinationale waanzin en de economische hefbomen opnieuw onderwerpt aan de soevereine en democratische wil van het volk.

Binnen België is dit niet mogelijk. Vlamingen en Walen dienen dus hun pijlen gemeenschappelijk te richten op het Belgisch establishment en de Belgische staat. In een onafhankelijk Wallonië staat daar geen Waalse burgerij tegenover en in Vlaanderen is de Vlaamse burgerij te zwak, omdat ze heterogeen is en bovenal geen centrale rol in het productieproces inneemt. IJveren voor een onafhankelijk Vlaanderen en Wallonië is een progressieve daad. Het voortbestaan van België verdedigen speelt in de kaart van het establishment.