Nummer 45


Brussel | maart 1999


De pendelaars van Chabert (Antoon Roosens)<< Nummer 45

In de stads-sociologie erkent met vier soorten steden: de kleine stad, de regionale stad, de grote stad en de hoofdstad.

De kleine stad verzorgt een aantal functies voor haar onmiddellijk ommeland, voornamelijk als winkelcentrum en ook voor een (beperkt) aantal diensten zoals onderwijs (de secundaire school van de streek) en gezondheidszorg (het plaatselijk ziekenhuis). Haar specifiek werkingsbereik reikt zelden verder dan vijf à tien kilometer.

De regionale stad heeft reeds een ruimer achterland omdat zij, naast de functie van een kleine stad, enkele belangrijker administratieve of economische functies vervult. Men kan, in ons land, de arrondissements-hoofdplaats als het type van de regionale stad beschouwen.

De grote stad heeft een invloedssfeer die zich uitstrekt tot een (groot) deel van de provincie, en soms tot nabije delen van een aangrenzende provincie. In Vlaanderen worden, naast Brussel, ook Antwerpen en Gent tot de grote steden gerekend. Zij vervullen, naast hun functies als kleine en regionale stad, ook belangrijke economische, administratieve en sociaal-culturele functies in een zone, waarvan de straal afhankelijk is van verschillende factoren zoals: de afstand en bereikbaarheid (verkeersinfrastructuur); de kwaliteit en de kwantiteit van de aangeboden diensten; en de relatieve afstand tot andere grote steden of tot de hoofdstad. Aldus wordt de Antwerpse invloedssfeeer naar het zuiden toe, en die van Gent naar het oosten toe, beperkt door de nabijheid van Brussel.

Ten slotte is er de hoofdstad waarvan het werkingsbereik zich uitstrekt over het gehele land. Zij is de zetel van een aantal politiek-administratieve instellingen met nationaal bereik. Economisch is zij de vestigingsplaats van de belangrijkste bedrijven, voornamelijk in de sector van de diensten, waarvan de activiteit zich uitstrekt over een aantal provincies of over het gehele land. En cultureel is de hoofdstad - althans in een normaal land - ook de plaats waar de verschillende elites van de natie in grote mate zijn geconcentreerd of met hoge frequentie in onderling contact komen. Daarom vervult zij de functie van catalysator van de nationale identiteit. Tenslotte is het via de hoofdstad dat de natie haar internationale contacten legt, en zowel haar impulsen ontvangt van buiten uit, als haar uitstraling realiseert.

*
* *

Voor Vlaanderen vervult Brussel tegelijk de vier bovenvermelde functies:

  • als kleine stad, voor haar onmiddellijk ommeland van ca. 80.000 inwoners;
  • als regionale stad, voor een achterland van ongeveer 800.000 inwoners, voornamelijk in Vlaams-Brabant;
  • als grote stad met een invloedssfeer van ca. 2.300.000 inwoners, voor zowat het gehele Vlaamse land van de Noordzee tot de Maas, met uitsluiting van beperkte invloedssferen van Gent en Antwerpen;
  • en ten slotte als hoofdstad, zetel van de federale èn Vlaamse politieke en administratieve instellingen en van de belangrijkste bedrijven van de Vlaamse tertiaire sector.

Een belangrijke anomalie in Vlaanderen is dat, cultureel, de hoofdstad in belangrijke mate vervreemd is geraakt van de natie waarvan zij deel uitmaakt, ingevolge de verfransing tijdens de laatste helft van de 19de eeuw en de eerste helft van de 20ste eeuw. Hierdoor vervult Brussel slechts gebrekkig zijn rol van catalysator van de Nederlandse cultuur, met al de gevolgen daarvan voor het cultureel niveau voor de gehele Vlaamse bevolking.

Een tweede - Belgische - anomalie ligt op het institutioneel vlak. Men heeft van een deel van Brussel, de 19 oude kerngemeenten, een apart gewest gemaakt, daar waar de reële Brusselse agglomeratie zich uitstrekt over 36 gemeenten (waarvan 34 in Vlaanderen en 2 in Waals-Brabant). Naarmate het voortschrijdend ontbindingsproces van de Belgische staat gaat leiden tot een steeds grotere overdracht van reële, fiscale en sociaal-economische bevoegdheden naar de deelgebieden toe, moet dit fataal uitmonden op een steeds scherpere dysfunctie van Brussel als hoofdstedelijke agglomeratie, indien men vasthoudt aan de huidige drieledigheid van de staatsstructuur.

Zoals H. Van Der Haegen en M. Pattyn, in een studie in het Statistisch Tijdschrift (nr. 3 van 1979), terecht hebben onderlijnd: "Daar de gemeenten (van het stadsgewest) onderling complementaire functies vervullen en deel uitmaken van één stedelijk gebied, is het wenselijk dat één enkel orgaan de werking van het systeem coördineert." Het is zonder meer evident dat Brussel zijn menigvuldige en complexe stedelijke functies slechts kan vervullen in een intense interactie en symbiose met zijn sociaal-economische omgeving, die voor het overgrote deel Vlaams is. De politieke opdeling van de reële Brusselse agglomeratie in een mini-gewest van 19 gemeenten en de 'Vlaamse Rand' is een absurditeit die alleen in een apenland als het onze denkbaar is. En elke verdere stap in de politieke en culturele verwijdering tussen Brussel en Vlaanderen hypothekeert niet alleen de ontwikkelingskansen van Vlaanderen, maar betekent ook en vooral een zware hinderpaal voor de leefbaarheid zelf van Brussel.

*
* *

Het is dan ook met stijgende verbazing dat men kennis neemt van het recente, modieuze discours van een bepaalde Vlaams-Brusselse kliek die zich in de media opwerpen als de verdedigers van de Brusselse - en natuurlijk Belgische - instellingen.

Deze pseudo-progressieven beschouwen Brussel als een klein-stedelijk eiland dat, op zichzelf, en geïsoleerd niet alleen van geheel Vlaanderen, maar zelfs van de (Vlaamse) rand rond Brussel - dus van de rest van de agglomeratie - zijn eigen leventje zou kunnen en moeten leiden. Niet alleen beschouwen zij het Vlaamse Gewest als een 'ongewenste schoonmoeder'. Maar ook de honderdduizenden inwoners van de Vlaamse Rand en verder op, die elke dag naar Brussel komen werken, als loontrekkenden of zelfstandigen, er komen vergaderen, inkopen doen, zaken bespreken of deelnemen aan het maatschappelijk beslissingsproces, worden door een minister Chabert uitgescholden als 'pendelaars', vreemde indringers.

Waarvan zou Brussel dan moeten leven, tenzij van deze pendelaars? Hoe kan een stad, die gegroeid is en bestaat door en omwille van haar functie als grootstad en hoofdstad, overleven zonder deze permanente stroom van en naar het Vlaamse land? En waarom zouden de inwoners van een stad, die leeft van en door haar functie als hoofdstad, alleen moeten beslissen over wat er in en met die stad gebeurt?

Helemaal potsierlijk wordt het wanneer men die lui hun apothekersrekeningetjes hoort maken met die 'pendelaars'. De S.E.R.V. (Sociaal-Economische Raad voor Vlaanderen) rekent uit dat de lonen, die deze pendelaars vanuit Brussel naar Vlaanderen meedragen, een 'verarming' betekenen voor de hoofdstad. Deze heren vergeten dat die lonen voor het grootste deel betaald worden met belastinggelden die eerst vanuit Vlaanderen naar Brussel zijn gevloeid; dat die pendelaars een groot deel van hun loon in Brussel verteren; dat zij door hun arbeid de meerwaarde genereren die te Brussel wordt opgestreken; zonder te spreken van de jaarlijkse miljardentransfer van Vlaanderen naar Brussel via het 'federale' doorgeefluik.

Een andere geleerde professor (C. Kesteloot in Leuvense Geografische papers nr. 6) maakt het nog bonter: "De Vlaams-Brabantse inwoners van de Brusselse periferie gebruikten dagelijks infrastructuur en overheidsdiensten in Brussel, die door de Brusselse belastingbetaler gefinancierd worden. Overdag wordt de veiligheid van de rijke Vlaams-Brabantse autopendelaar uit Kraainem gewaarborgd door politie-agenten die door het arme Sint-Joost-ten-Node betaald worden." Ja, laten we terugkeren naar de middeleeuwen, toen aan de ingangspoort van de stad een tol werd geheven voor het gebruik van het marktplein en de bescherming door de stadspandoeren.Vlaanderen kan dan een tol heffen op de wegen van Brussel naar Oostende, Antwerpen en Leuven die elke dag door honderdduizenden Brusselaars worden bereden om in Vlaanderen te gaan zonnen of er geld te verdienen. En waarom zou het arme Sint-Joost-ten-Node geen geld vragen aan de rijkere Ukkelaars of Woluwenaren die elke dag over het Sint-Joostplein naar de Brusselse binnenstad rijden?

*
* *

Het is natuurlijk juist dat de inwoners van een hoofdstad niet alleen de kosten moeten of kunnen dragen van de diensten en van de infrastructuur, vereist voor de uitoefening van de hoofdstedelijke functies. Dat kan nergens ter wereld. Geen enkele hoofdstad kan leven zonder een permanente stroom van geld - en mensen - van het land naar de stad.

Maar in een 'normaal' land gebeurt deze financiering via het centraal budget van de staat. En de staat - dat is het gehele land - beslist dan ook wat er met dat geld in de hoofdstad gebeurt.

Dat is nu precies wat de Brusselaars nièt willen. Zij hebben van Brussel een apart gewest willen maken, at betekent dat zij met hun eigen inkomsten ook hun eigen uitgaven zouden moeten dekken. Zij wensen geen "Vlaamse schoonmoeder". Zij eisen wel het geld op van die schoonmoeder. Maar Vlaanderen mag zich niet inlaten met wat Brussel uitvoert met dat geld. De Vlamingen mogen zelf niet vragen dat Brussel, in ruil voor dat Vlaamse geld, de kleine inspanning zou doen om de Vlaamse 'pendelaars' in het Nederlands te woord te staan.

*
* *

De oplossing voor het probleem ligt voor de hand. Dat men een einde stelle aan de absurde constructie van een Brussels autonoom gewest. Een hoofdstad is niet autonoom. Zij kan slechts leven door en met het gehele land. En zij moet, samen met de zeer grote voordelen, ook de enkele nadelen en servitudes daarvan aanvaarden.

Een van die servitudes is, dat zij zich moet opstellen voor de gehele bevolking, waarvan zij leeft. En dat is voor 80% de Vlaamse bevolking. Brussel heeft slechts toekomst als integraal deel van de Vlaamse (deel-)staat. Maar de Brusselse francofonen hebben dan wèl het recht om, in Vlaanderen, als culturele (niet als etnische) minderheid, hun eigen taal en cultuur te beleven. Zolang zij zelf niet inzien dat dit asociaal gedrag hun toekomst, als stad en als individu, blijvend hypothekeert.

Wat betreft de Brusselse Chaberts en andere adepten van de bruxellitude: zij begrijpen niets van de aard en de functie van een hoofdstad, noch van haar reële belangen. Of zij doen alsof zij het niet begrijpen. Want velen onder hen verdedigen, met de Brusselse en de Belgische instellingen, slechts hun eigen glorie en portemonnee.