Nummer 46


Interview | april 1999


Jari Demeulemeester: "We zijn te weinig assertief in de competitie met de andere gemeenschap!" (Bernard Daelemans)<< Nummer 46

De smalende uitlatingen van minister Jos Chabert aan het adres van de Vlaamse pendelaars hebben in Vlaanderen diepe wonden gelaten. Niet alleen heeft het Opperhoofd der Vlaamse Brusselaars daarmee een wansmakelijke blijk van politieke en intellectuele oneerlijkheid ten beste gegeven ten aanzien van de zeer, zeer timide pogingen van de Vlaamse volksvertegenwoordiging om in zijn aanzetten tot de staatshervorming het Brussels institutioneel misbaksel enigszins bij te spijkeren; hij stort ook koren op de molen van zij in Vlaanderen die Brussel meer en meer gaan zien als een ballast waarmee men liefst zo weinig mogelijk te maken heeft, en waar men dan ook liefst zo weinig mogelijk in investeert. Natuurlijk staan Chabert en andere Van Asbroecken niet alleen in 'Le Petit Bruxelles'. Een hele schare van would-be kosmopolitische 'Nederlandstalige stadsbewoners', veelal rijkelijk gesubsidieerd door de VGC, hebben Vlaanderen hooghartig de rug toegekeerd. Er zijn gelukkig in Brussel nog andere klokken te horen, en dat zijn niet de minste.

Jari Demeulemeester, ruim tien jaar directeur van het Vlaamse muziekhuis Ancienne Belgique, wenst zijn Vlaamse roots niet te verloochenen. Hij ergert zich niet alleen aan de oprispingen van Chabert en van een bepaalde neokosmopolitische garde. Hij heeft ook oog voor de wisselwerking tussen hoofdstad en provincie, en meent dat Vlaanderen in Brussel nog veel ambities moet waarmaken. Voor hem moet Vlaams-Brussel afstappen van de 'wereldwinkelmentaliteit' en de wereld verbazen met kwalitatief hoogstaande realisaties. Meervoud had een gesprek met hem.

- De uitlatingen van minister Chabert over de pendelaars zijn u in het verkeerde keelgat geschoten?

Jari Demeulemeester: Het is niet de bedoeling om nu te gaan ruziemaken op enkele maanden van de verkiezingen, maar het valt me toch op dat een heel aantal Brusselaars een aversie gaan krijgen zijn van de zogenaamde buiten, en een hautain gevoelen zijn gaan ontwikkelen tegenover hun hinterland en moederland. Men spreekt dan over de niet-Brusselse Vlamingen in termen van 'pendelaars', die leven volgens het ritme van 'métro-boulot-dodo', terwijl men van de modale burger toch niet kan verwachten dat hij hier vrij en vrolijk door de stad loopt, als hij 's morgens om 8 uur in een overvolle trein naar zijn werk spoort en 's avonds in een even volle trein weer terugmoet. Het is een illusie. Elke grote stad heeft zijn pendel. Dat zijn ook niet de mensen die het hier moeten maken. Zij zien nog af van de stad, want ze zijn verplicht om hier te komen werken. En dan nog de stad waar alle belastingen en reglementeringen vandaan komen.

Maar de afkeer tegenover Brussel is een niet-onverschilligheid. Waar men dertig jaar geleden nog naar de rue Neuve kwam voor een aantal voorzieningen, is heel Vlaams-Brabant nu, van Ninove tot Asse, Leuven, Londerzeel en Halle, verstedelijkt. Men komt daar op alle vlakken aan zijn trekken, of het nu gaat om kleding, uitgaan, restaurants, noem maar op. Dáárvoor heeft men de stad niet meer nodig.

Anderzijds zijn er steeds meer mensen die van deze stad houden, hoewel ze er niet wonen. Daarom begrijp ik degenen niet die menen dat men over deze stad maar iets te zeggen mag hebben als men er woont. Degenen die nu niet meer in de stad wonen en van de stad houden zijn in twee categorieën onder te brengen: ten eerste Vlamingen die echt zien dat ze daar nog een meerwaarde krijgen in die stad, die mogelijkheid tot contact met zoveel mensen, de spanning van de grootstad, en anderzijds ook duizenden en duizenden jonge Brusselse Vlamingen die op 20 km van hier zijn gaan wonen, en die zich nog altijd evenzeer Brusselaar voelen als vroeger.

Dan vraag ik mij af: is men een betere Brusselaar omdat men op zondagmorgen zijn broodjes gaat halen bij de bakker en op zaterdag naar de wasserette gaat, en zich voorts niets aantrekt van de stad? Ik denk dat er evenveel mensen zijn, misschien meer, die drie, vier keer per week hun stad consumeren, maar toevallig op 20 km van hier wonen. Als men de betrokkenheid van een aantal positieve burgers met deze stad moet doorknippen op het niveau 'croissants' of 'naar de winkel gaan', dan vind ik dat bedenkelijk voor het niveau van de mensen die over Brussel willen praten.

Het is natuurlijk spijtig dat ze er niet wonen, maar ja, deze stad kan nu eenmaal politiek niet uitdijen. Het grootste stuk van de mensen die met Brussel begaan zijn woont er niet. Maar dat maakt voor mij niet uit. Men kan veel intenser met deze stad meeleven en toevallig in Asse of in Lubbeek gaan slapen en 's zaterdags in de tuin werken. Die burgers mogen hier natuurlijk niet stemmen. Hoewel, voor de gemeenten en voor het gewest kunnen ze niet stemmen, maar vanuit hun gemeenschap, de Vlaamse en de Waalse, kunnen ze hun intensiteit, hun belangstelling en bekommernis voor deze stad uitdrukken.

- Vindt u de bekommernis die vanuit Vlaanderen voor Brussel aan de dag gelegd wordt voldoende?

Jari Demeulemeester: Tien jaar lang doet men nu al pogingen met de Brusseldagen van de Bond voor Grote en Jonge Gezinnen en vanuit de VTB-VAB om de mensen deze stad beter te leren kennen. Maar het probleem zal zich altijd blijven bestaan van de provinciaal, die ergens in Merelbeke of in Zichen-Zussen-Bolder tegen de hoofdstad aankijkt zoals ook in de Franse of Nederlandse provincies tegen de hoofdsteden Parijs en Amsterdam aangekeken wordt. Ik vraag me soms af of de aversie wel zo groot is als men wel beweert. Dat is nu eenmaal de normale afstand die de burger heeft tegenover zijn hoofdstad. Maar als men aan de mensen zou vragen: wil je stemmen voor de burgemeester van Ternat of Korbeek-Lo, of voor de stad waar ze dagelijks zijn, dan zouden er velen geneigd zijn voor het laatste te kiezen, zonder enige twijfel.

- U bent met minister Grouwels mee op 'ronde van de Vlaamse provincies' geweest om Brussel te promoten.

Jari Demeulemeester: Ik ben inderdaad een keer mee geweest. Naar verluidt waren de verhalen steeds dezelfde: de onveiligheid van de stad, ze is vuil en ze spreekt Frans.

Ik zou liever uitgaan van de volgende realiteit: de hele maatschappij is een supermarkt met allerlei winkels. De burger koopt gewoon zijn diensten, zijn goederen, zijn bescherming, zijn opvoeding, zijn info, zijn welzijn, zijn sociale zekerheid, zijn consumptie. Men koopt dat allemaal in de winkel. Het komt er dus op aan om in deze stad de beste winkels te hebben. Zoals Raymond Van het Groenewoud zou zeggen: wij willen de beste zijn, wij willen de grootste zijn.

Een bibliotheek? Welneen, je zet de grootste boekentoren van het land, met een verdieping Spaanse en Engelse en Franse literatuur. En laat iedereen dan maar zeggen : "ça sont les Flamands". Dat gebeurt nu een beetje met de AB en met het AZ-VUB. Als men in alles de beste kwaliteit kan aanbieden, de beste kijkcijfers haalt, dan wil dat inderdaad zeggen: een veel grotere investering. Dus moeten wij mensen als Van den Brande toch veel meer alert maken op het feit dat men in deze stad niet alleen met overheidsgebouwen aanwezig moet zijn.

Als ik hier dan in een brief van Erwin Eysakkers lees dat de Vlaamse regering op het einde van het jaar met zovele miljarden begrotingsoverschot kampt, dan sta ik versteld dat er voor Brussel geen projecten klaarliggen, behalve de Stadskrant van mevrouw Grouwels. We wegen er niet genoeg voor. Een aantal mensen die het goed menen met deze stad en met de binding met Vlaanderen zou daar eens moeten over gaan nadenken. Men moet investeren, niet zozeer in eigen administraties, maar in het leven van de modale consument, in plaats van alleen maar alternatieve winkeltjes van Broederlijk Delen, Wereldwinkels. Ik heb er niets tegen, maar er zijn nu al genoeg van die wereldwinkeltjes. Investeer gewoon op de brede markt.

- Ook in de Brusselse culturele wereld bestaat er een aversie tegenover Vlaanderen, dat zijn niet alleen politici.

Jari Demeulemeester: Zeer zeker.

- Zelf roei je op dat vlak tegen de stroom in. Zie je nog mensen die meegaan?

Jari Demeulemeester: Ik zie er een aantal. Tot nu toe hebben die nog geen grote stem gehad, men is misschien bang om daarin te zeer politieke stellingen in te nemen. Men heeft het hier allemaal zien verambtelijken.

- Zelf heb je enerzijds de opdracht aanvaard om hier een 11-juliviering te realiseren, anderzijds ben je ook betrokken bij het Irisfeest! Hoe sta je daar dan tegenover?

Jari Demeulemeester: Nogal dubbelzinnig. Die twee ministers Chabert en Picqué hebben natuurlijk van de kinderjaren geprofiteerd om dat pacifiek model te creëren. Daar is op zich niets tegen. Men kan zich de vraag stellen: kan je het niet waarmaken tegenover de achterban? Wij voelen onze roots sterk aan en kan je vanuit die roots in Brussel meedraaien? Als de hoofdstad feestviert, vind ik ook niet dat je je dan moet terugtrekken. Ik geef toe dat het vervelend is. Het zouden eigenlijk geen extremen mogen zijn. Theoretisch is het niet contradictorisch.

Luiken open, grendels weg, relax en onbevangen maar strijdvaardig: de beste zijn en de beste etalage hebben.

En wat de tweetaligheid betreft: ik beweer nog altijd dat er duizenden tweetaligen zijn, die Nederlands spreken als men hen dat vraagt. (Maar men vraagt het ze misschien niet vaak.)

Dat zijn zo bijvoorbeeld zeer vele mensen die familie hebben in Vlaanderen (zeer velen, want ik denk dat 70% van de autochtone bevolking uit Vlaanderen komt), maar die met de loop der jaren zijn gaan bewegen in een Franstalig sociaal-politiek en cultureel comfort. Als men spreekt over de Brusselaars, heeft men het zo vaak over de Zinnekes en over degenen die drie verschillende talen door mekaar spreken. Dat is maar een zeer klein aspect, het substraat van de overgang van de ene taal naar de andere. Dat is in feite een proletarisch gegeven.

Maar er zijn ook de tweetalige Brusselaars, die altijd tweetalig geweest zijn, en die er een erezaak van maken om in Brussel tweetalig te zijn. Zo denk ik aan vader De Rons, die zo lang schepen is geweest van de stad Brussel. Die heeft tot het einde zijn personeel kunnen aanzetten tot tweetaligheid. Vandaar dat er in de stad Brussel tot voor kort evenveel Frans- als Nederlandstaligen waren, die allen tweetalig waren. De bedrijfscultuur van de stadsadministratie was er een van tweetaligheid. Dat die mensen privé Franstalig zijn doet er toch niet zo veel toe. Er is nog een tijd geweest dat de Vlaamse beweging in Brussel in het Frans gebeurde. Zoals de orangisten: die zouden voor geen duizend frank Frans gesproken hebben op de tram, mais dans les bons milieux il faisait bien de parler français.

Dan is er nog een heel andere soort Franstaligen: dat zijn de afstammelingen van de betere burgerij uit bijvoorbeeld Kortrijkse families. Die kwamen hierheen, en die groep is zeer sterk verfranst. Men sprak daar Frans, men sprak een beetje dialect, maar men wou absoluut geen Nederlands leren, want dat was een vreemde taal. Die betere burgerij kijkt nog steeds met enige weerzin naar haar afkomst.

En dan is er de hele generatie van de Vlaamse bakkers, de slagers, de kruideniers, de kleine ondernemers, de vrije beroepen. Ik denk dat hun kinderen niet zo gauw verfranst zijn.

Bij de arbeiders zijn er ook nog heel veel mensen die Vlaams gebleven zijn. Bij de vakbond, de ACW-parochiehuizen vonden zij een Vlaams milieu.

De grootste verfransing heeft zich doorgezet bij de bedienden en de lagere kaders. Zo bijvoorbeeld in de hoogbouwflats waar mijn moeder woont merk je dat al die lui Frans spreken met elkaar, terwijl ze van Lebbeke komen. Daar is nog schaamte over hun afkomst, ze denken hun sociale geloofwaardigheid te verliezen door Nederlands te spreken.

De Walen die naar Brussel zijn gekomen hebben nooit Nederlands geleerd.

Al deze mensen hebben een verschillende attitude tegenover het Nederlands, en moeten op een verschillende manier worden benaderd. Als minister Grouwels zegt: we moeten op de volksfeesten gaan staan in Laken of in de Marollen, dan bereikt men maar een zeer beperkte fractie. Men kan hen wat subsidies toestoppen zodat zij hun publicaties en aankondigingen tweetalig maken, zoals André Monteyne destijds met de NCC gedaan heeft.

Maar het gaat veel verder dan dat: de Vlaamse enkelingen in de stad. Zo bijvoorbeeld mijn kozijn die diplomaat is: die woont nu vier jaar in Ganshoren en heeft zijn kinderen naar een Franstalige school gestuurd. Waarom heeft die man dat gedaan? Er schort wat aan de communicatie.

Al de mensen wagen de overstap niet omdat de kwaliteit van hetgeen we aanbieden en het impact van hetgeen we doen niet concurrentieel is met hetgeen ze gewoon op de markt kunnen kopen.

De bibliotheek is het strafste geval. De AB gaat wel. Maar laat de burger zelf de conclusie trekken: de Vlamingen doen het niet zo slecht, ik zal me daartoe wenden. Er is nu wel een krant gemaakt (Brussel deze week), maar men speelt lang niet genoeg in op al die verschillende bevolkingsgroepen met hetgeen we hen kunnen bieden.

Sommige mensen zeggen: TV-Brussel is toch al veel beter dan Télé-Bruxelles. Dát is interessant. Of zoals de RITZ: die zal met de nieuwe directeur uitgroeien tot de beste mediaschool in het centrum van de stad. Investeer daarin. Als de nieuwe directeur de school van Anne-Teresa Dekeersmaker overneemt, en conservatoria, opleidingen dramatische kunst samenbrengt: pak daarmee uit. Men moet uitpakken, niet alleen met propaganda, maar met realisaties. Dan zullen er mensen zijn die dat interessant gaan vinden.

Bij de eerste Mallemunten kwamen de mensen van de Bond en van de KWB aan mijn jas trekken: en gij vliegt niet in de bak! Zeer snel bereik je een sneeuwbaleffect: de drift om mekaar te treffen bij de Boterhammen, die drang is nog steeds sterk aanwezig. We trekken ons teveel terug in onze eentalige cocons. We zouden veel assertiever onze plaats moeten opeisen.

- Is het niet zo dat het discours van 'we moeten uit onze cocon treden' vaak samengaat met het afleggen van de Vlaamse gewaden onder het motto 'we moeten internationaal gaan'?

Jari Demeulemeester: Inderdaad, het tijdperk van de Franskiljons is voorbij, maar nu hebben we een belgitude gekregen, waar ik van sta te kijken. Onlangs vlogen een aantal lezers van De Standaard elkaar in de haren over de strijd die we dertig jaar geleden gestreden hebben. Daar gaat het eigenlijk niet over: het gaat om de totale afwezigheid van enig rootsbesef. Dat is zeer merkwaardig. Misschien is het nog dat oude gevoel van de Vlamingen dat we er toch nog niet zijn en dan maar een Frans jasje aantrekken om wat meer kleur te krijgen. Ik sta daarvan te kijken. Frie Leysen heeft daar de aanzet toe gegeven met haar Festival des Arts.

Het is natuurlijk zo dat men in Brussel niet door het leven gaat met alleen Frans- of Nederlandstaligen. Maar vandáár om heel die omschakeling te maken?

- Hoe kijkt u aan tegen het fenomeen van Brussel 2000 ?

Jari Demeulemeester: Dat is een gemiste kans. We zaten met evenveel Vlamingen als Franstaligen in de raad van beheer. Maar men is buiten het politieke discours willen blijven. Men wou er een chique artistiek feest van maken. We moesten vóór alles vermijden in een of ander communautair vaarwater te belanden. Met als gevolg dat er voor die 120 miljoen die de Vlaamse gemeenschap er zal insteken zeer weinig herkenbaar zal zijn als Vlaamse cultuur an sich in deze stad. Als je brugjes slaat met de overkant ...

- Dan krijgt men een aseptisch, ahistorisch geheel waarin de roots genegeerd worden.

Jari Demeulemeester: De roots komen er gewoon niet aan bod. Men heeft mij nu een voorstel gedaan om bij het openingsweekeinde een soort Huis van het Chanson te worden. Dat wil ik wel graag doen, want dat is mijn dada. Maar ook daar, als het gaat over zangers van deze stad: men wil 48 uur muziek maken. Dan zullen we natuurlijk in de minderheid staan. Waarom durft men niet zeggen: de beste show ever met Raymond van het Groenewoud? Dat kan dan weer niet. Men moet het bewijs leveren dat deze stad cultureel 'multi' is, en dán is er misschien wel een mogelijkheid om er een streepje Vlaams in te brengen.

Brussel 2000 zal een maat voor niets zijn omdat de gemeenschappen zich hier niet als gemeenschappen kunnen profileren.

- Terugkomend op het Irisfeest: dat is toch ook zo iets kunstmatigs?

Jari Demeulemeester: Ja, op een kunstmatige plek. Op een bepaald moment wordt aan de AB en aan de Hallen van Schaarbeek gevraagd: jullie zijn de grootste muziekhuizen van het gewest, dus doe het maar samen. Tja, op zo'n moment kom je er moeilijk onderuit. Het geeft toch altijd de gelegenheid om een Vlaamse groep in Brussel te laten optreden, en de samenwerking met de Hallen is altijd goed geweest.

Maar men wil het bewijs leveren dat de derde regio an sich bestaat. Ik vrees dat we daar niet meer van terug kunnen. Men kan de VGC moeilijk afschaffen. Maar de angst dat Vlaanderen zich met Brussel gaat bemoeien zit er diep in. Misschien heeft men dat in het verleden vanuit Vlaanderen verkeerd aangepakt. Maar toch: ik ga er prat op dat de Ancienne Belgique een creatie is van de Vlaamse gemeenschap, met een klein beetje steun van de VGC. Maar men heeft daar goed geïnvesteerd: men heeft een investering geleverd die tot in de Verenigde Staten zijn weerklank vindt. En de Franstaligen weten goed genoeg dat het een Vlaamse instelling is. Men moet niet altijd zeggen dat Vlaanderen nooit de juiste weg voor Brussel kan kiezen. Er zou een wijze wisselwerking kunnen ontstaan.

- Moeten er dan vanuit Brussel ook geen juiste signalen komen om Vlaanderen attent te maken op het potentieel aan investeringsterreinen dat hier braak ligt?

Jari Demeulemeester: Er ligt daar een grote rol voor de minister van Brusselse aangelegenheden. Moeten we dan weer aparte gespreksorganen creëren? Er zijn zes Vlamingen in het Vlaams parlement.

- Ik bedoel niet zozeer via de instellingen, maar vanuit het algemeen-maatschappelijk debat, vanuit het veld?

Jari Demeulemeester: We zouden een aantal mensen moeten bijeenbrengen, met een klare kijk op wat kan gebeuren, met projecten en die wars van enige politieke geladenheid kunnen optreden.

- En een soort Masterplan opstellen?

Jari Demeulemeester: Men zal misschien zeggen: we hebben al zo veel aan Brussel gegeven. Ja, men heeft veel gedaan om de kleine minderheid te beschermen, men ondersteunt talloze kleine vzw's, maar men is te weinig assertief op het terrein getreden in competitie met de andere gemeenschap. Onze entry naar Europa is nog zo minimaal. We moeten echt met klasse, en met kwaliteit naar buiten komen, zoals men ze in Parijs, en Londen en L.A. en Tokyo vindt. Zorgen dat we op wereldniveau staan.