Nummer 46


Het hart gelucht | april 1999


Geert Van Istendael: "Een democratie zonder meningsverschillen is verdacht!" (Geert Van Istendael)<< Nummer 46

Geert van Istendael reageert op een aantal volgens hem onterechte aantijgingen in het vorige nummer van Meervoud. Wij bieden hem graag de kans zijn hart te luchten.

In uw maartnummer roept u mij op blz. 20 "ongetwijfeld tot één van de grootste denkers van deze eeuw" uit. Wie ben ik dat ik daarmee niet akkoord zou gaan? Op blz. 21 echter noemt u mij intellectueel oneerlijk. In dat tweede geval ben ik het vanzelfsprekend niet met u eens. U hebt kritiek op mijn mening zoals die werd opgetekend door het tijdschrift Rood.

U schrijft: "Van Istendaels verwijt dat Abicht de historische verdiensten van de Waalse arbeidersbeweging miskent is des te meer intellectueel oneerlijk daar Abicht zich juist mee achter het 'Marshallplan' voor Wallonië van Antoon Roosens heeft geschaard."

Wees gerust, dat Abicht het plan steunt van Roosens was mij bekend. En Abicht weet natuurlijk ook dat de Amerikanen na de Tweede Wereldoorlog niet uit grote solidariteit hun centen over arm Europa hebben uitgestrooid. Ze wilden een afzetmarkt voor hun industrie. Door middel van consumptie wilden ze het communisme bestrijden. Ze zijn daar voortreffelijk in geslaagd. Maar dat terzijde. Zeg ik dat Abicht de historische verdiensten van de Waalse arbeidersbeweging miskent? Op geen enkel moment. Ik zeg: "...wij hebben onze sociale zekerheid te danken aan de solidariteit van de Waalse arbeiders. We moeten die verworvenheden samen beheren en verdedigen."

Waar staat de naam Abicht? Waar verwijs ik naar Abicht? Onmiddellijk daarna zeg ik: "Niet weinig progressieve Vlamingen glijden wel eens gemakkelijk af naar hetzelfde discours als Van den Brande of de Lega Nord in Italië. Kijk maar eens naar Ludo Abicht, die zich op het OVV-congres verwondert dat hij naast mensen van het VNJ en het Vlaams Blok zit. Wie had hij daar anders verwacht? Hij had minstens kunnen opstaan en weggaan."

Bovenstaande woorden werden ingegeven door grote bezorgdheid. Ik vermoed dat Abichts ideeën over solidariteit niet zo ver van de mijne liggen. Maar ik noem zijn naam in verband met iets heel anders.

Eén. De Vlaamse beweging is er sinds de bevrijding niet in geslaagd als geheel een duidelijke scheidslijn te trekken tussen democratisch fatsoen en ondemocratisch onfatsoen.

Twee. U vindt dat "VNJ, Voorpost, het Vlaams Blok en tutti quanti moeten opstaan en weggaan." Allicht, maar jammer voor u, zij hebben dat nog nooit gedaan, zij doen dat niet en ik geloof niet dat zij dat ooit zullen doen.

Drie. Dat dus een man van Abichts formaat zich op de bewuste meeting verwondert over de aanwezigheid van VNJ en dgl. verbaast mij pijnlijk.

Vier. Ik heb grote achting voor Abicht en zijn werk. Toen ik nog niet zo lang geleden in het openbaar (in Antwerpen) mijn engagement uitsprak voor een multicultureel Brussel applaudisseerde hij luid en duidelijk, te midden van een veelal vijandig publiek. Waarvoor mijn dank.

Ik heb nog een paar opmerkingen. U zegt dat ook in voor Vlaanderen minder riante tijden de Vlaamse linkerzijde onverschillig of zelfs vijandig stond tegenover de Vlaamse beweging. Meent u dat nou? En Huysmans? en Fayat? En Gelders? En De Brock? En Vermeylen? En Van Extergem? En Craeybeckx? En De Batselier? Allemaal onverschilligen? En mag ik Daens links noemen? En is het ACV misschien rechts?

Ik duw dus de Vlaamse beweging niet in het verdomhoekje van extreem rechts. Er was en is ook in de Vlaamse emancipatiebeweging nog zoiets als een democratische rechterzijde en een centrum. Zo heb ik bijvoorbeeld iemand als Van den Brande nooit in de omgeving van het Vlaams Blok gesitueerd. De Vlaamse minister-president is een doorsnee CVP-mandataris, met iets meer mond dan inhoud. Ben ik het vrijwel geen enkele keer met hem eens, aan zijn democratische gezindheid heb ik nog nooit getwijfeld, geen seconde. Maar waarom zou ik de lof moeten zingen van zijn springerige, Vlaamse ambities? Iedereen flamingant in Vlaanderland? Een democratie zonder meningsverschillen is verdacht.

Aangezien ik geen nationalist ben, heb ik altijd de sociale taalgrens veel belangrijker gevonden dan de geografische. Dat in dit land de taal van de kleine man/vrouw haar rechten heeft veroverd tegen de privileges en het hardnekkige verzet van de elites in, vind ik een mirakel. De meerderheden die de taalwetten en de staatshervormingen in het parlement goedkeuren bestonden echter altijd uit Nederlandstaligen en Franstaligen. Misschien hebben veel Franstaligen tegen heug en meug de taalwetten laten passeren, maar dat is eigenlijk hùn zaak. In een parlementaire democratie telt de uitgebrachte stem. Dat groepjes Walen tegen de inkrimping van hun voorrechten stemden, is niet fraai, maar wel logisch. Maar dat Vlaamse nationalisten tegen wetten gestemd hebben die de rechten van het Nederlands uitbreidden, is noch fraai, noch logisch.

Het lichtjes absurde België heeft voor mij waarde omdat het erin slaagt twee zeer verschillende talen te laten coëxisteren binnen één staat. De oplossingen die voor dat probleem gevonden werden en worden zijn niet glorierijk, zeker niet elegant en nooit definitief.

Voor het overige wil ik over mijn zogezegde gehechtheid aan België nog dit kwijt. In deze van Engels doordesemde tijden ben ik dankbaar voor de nabijheid van het Frans, ook al werd ikzelf ooit vernederd terwille van mijn Nederlandse taal. Ik wil niet vergeten, maar evenmin wil ik rancuneus zijn.

Ik vind dat, behalve de twee wereldoorlogen, 1585 en 1830 de zwartste jaren uit onze geschiedenis zijn. Wat een schitterend multicultureel land, dat koninkrijk van Willem I, met als minderheidstalen het Frans en het Duits, als meerderheidstaal het kleinere Nederlands! Maar het is al anderhalve eeuw dood en het zal nooit verrijzen. Natte dromen daarover zijn misschien prettig, maar vruchteloos. Want "die Verhältnisse - sie sind nicht so" (B. Brecht).

Wat het belang van de sociale taalgrens betreft, verwijs ik u naar mijn boeken. In Het Belgisch labyrint heb ik het zelfs over de meester-slaaf-verhouding (oorspronkelijke uitgave, 1989: blz. 98-100; geactualiseerde uitgave, 1993: blz. 106-107). In Arm Brussel schrijf ik over de taaltoestanden in de negentiende eeuw heel simpel: "De arme mensen spreken dus bijna allemaal een Nederlands dialect, wie geld heeft, spreekt Frans." (blz. 107).

Vervolgens geef ik cijfers over het analfabetisme bij Nederlandstalige Brusselaars (toen significant hoger dan bij Franstaligen) en ik maak een vergelijking met de zwarte townships in Zuid-Afrika. Het hele hoofdstuk over talen heeft die teneur. Op blz. 126 klaag ik bijvoorbeeld de taalwantoestanden in de Brusselse ziekenhuizen aan. Ook in het buitenland wijs ik op het sociale aspect van de taalstrijd.

Lees mijn artikel Belgien: Ein europäischer Sonderfall? in: Hartden, E., Stanisavljevic, A., Tsakiris, D. (ed.), Der Balkan in Europa, Frankfurt am Main, Peter Lang, 1996, blz. 192.