Nummer 47


Bezondigt Vlaanderen zich aan ethnische zuiveringen? | mei - juni 1999


Luc Van den Brande en de laarzen van Staf de Clercq (Winfried Dolderer)<< Nummer 47

Hebben Hugo Schiltz, Dirk Achten en Manu Ruys meer met Staf de Clercq gemeen dan ze zelf beseffen ? In mei 1997 tekende Schiltz in een gastbijdrage aan 'Le Soir' verontwaardigd verzet aan tegen het in Franstalige kringen ondertussen gangbare verwijt dat de Vlamingen zich in en rond Brussel zouden bezondigen aan « etnische zuivering ». Hij werd bijgevallen door Standaard-hoofdredacteur Achten die het evenmin kon verkroppen Vlaanderen afgeschilderd te zien als 'imperialistisch bolwerk geënt op het Servische model'. Hetzelfde deuntje zingt oud-hoofdredacteur Ruys volgens wie het Vlaams-nationalisme zich terzake 'niets te verwijten heeft'.

Daarvoor worden de drie « gebelgde flaminganten » nu op de vingers getikt door de Vlaamse historicus Luc Vandeweyer: hun verontwaardiging raakt volgens hem kant noch wal ; ze zijn gewoon niet 'onbevangen' genoeg om de gegrondheid te erkennen van de Franstalige grieven. In het jongste nummer van Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis poogt Vandeweyer aan te tonen dat de geschiedenis van de Vlaamse gedachte ook een verhaal is van plannen tot etnische zuivering (1).

Er heeft zich de voorbije jaren een sluipende omwenteling voorgedaan in de geschiedschrijving van de Vlaamse beweging. Vroeger mochten de flaminganten zich nog koesteren in een gezapig zelfbeeld : er waren twee soorten nationalismen, een verfoeilijk 'staats-' en een nobel 'volksnationalisme' waarvan België de eerste en Vlaanderen uiteraard de tweede variant belichaamde. Vlaamse bewegers waren nooit iets anders dan 'idealisten', en waar ze toch eens de bal missloegen zoals in de collaboratie, deden ze dat om moreel hoogstaande redenen, zoniet door de schuld van België. Dat dit stichtend verhaal vandaag niet zomaar meer door de beugel kan, is hoofdzakelijk de verdienste van de Leuvense hoogleraar Lode Wils, die een indrukwekkend levenswerk heeft besteed aan het ontluisteren en afkraken van Vlaamse heilige huisjes.

Duitse invloeden

Volgens Wils was de Vlaamse beweging bij haar ontstaan een in wezen Belgische beweging. Zij beoogde de versterking van de Belgische identiteit. De latere anti-Belgische kentering was alleen te wijten aan externe factoren, zijnde de tweemalige Duitse inmenging. Door tijdens de Eerste Wereldoorlog in het bezette land het activisme uit te lokken, entten de Duitsers een anti-Belgisch kankergezwel op de Vlaamse beweging dat sindsdien almaar blijft voortwoekeren. Want Duitsland ging ook na de oorlog door met zijn Flamenpolitik, daarin gesteund door uitgeweken activisten die vanuit hun ballingschap haat tegen België bleven spuien. In België zelf hoopten de Vlaams-nationalisten op niets anders dan een nieuwe bezetting in een Duitse revanche-oorlog om alsnog de macht te kunnen grijpen, waardoor ze al vanaf de jaren twintig geheel in fascistisch vaarwater terechtkwamen. Wils is niet alleen een groot historicus, maar ook een groot polemist. De bron van zoniet al het kwaad, dan toch heel wat kwaad in de Belgische geschiedenis van deze eeuw is voor hem Duitsland. De Duitsers hebben Joegoslavië en Tsjechoslovakije op hun geweten door er tijdens de bezetting in de Tweede Wereldoorlog de kiemen te zaaien voor de latere ontploffing van die twee landen. En ook in België was hun verdeel-en-heerspolitiek de hoofdoorzaak van het uiteengroeien van Vlaanderen en Wallonië. (2)

Met zijn opvattingen over de nefaste rol van het Vlaams-nationalisme kreeg Wils in Vlaanderen aanvankelijk danig de wind van voren. Dat die wind de voorbije jaren sterk is geluwd, is onder meer het gevolg van een generatiewisseling. De oude garde van rechtstreeks betrokken getuigen, activisten, fronters, collaborateurs, die hun versie van de geschiedenis in het naoorlogse debat tot in de late jaren tachtig konden handhaven en een kwarteeuw geleden in ruime mate hun stempel drukten op de eerste editie van de Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, is intussen helemaal van het toneel verdwenen. Van de weeromstuit ging de voorbije tien tot vijftien jaar een lichting jonge historici aan de slag die de door Wils geëffende wegen met succes bewandelden en zijn stellingen met tal van detailstudies onderbouwden.

De aflossing van het traditionele Vlaamse geschiedenisbeeld ging gepaard met een verschuiving van categorieën. De toetssteen waarop personen en bewegingen werden beoordeeld, was nu niet meer hun 'Vlaams idealisme', maar hun houding tegenover de liberale democratie en de rechtsstaat. Op dat punt maakten uiteraard heel wat Vlaams-nationalisten die in de tussenoorlogse periode verknocht raakten aan autoritair gedachtengoed en tijdens de Tweede Wereldoorlog scheepgingen met een misdadig regime, een bijzonder slechte beurt. Maar reeds de activisten van de Eerste Wereldoorlog die in Vlaanderen weinig meer vertegenwoordigden dan zichzelf, bleken boter op hun hoofd te hebben. Zij hadden immers tegen de wil van de overgrote meerderheid van de bevolking in een Vlaamse satellietstaat van het Duitse keizerrijk pogen te vestigen, dus eveneens de beginselen van de democratie aan hun laarzen gelapt. De zodoende herijkte visie van het Vlaamse verleden werd bij het verschijnen van de Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, waarin ze ruimschoots haar beslag kreeg, ingehuldigd als het 'nieuwe referentiekader' van de Vlaamse geschiedschrijving. (3)

Oude wijn in nieuwe zakken

Geheel en al nieuw is dit referentiekader trouwens niet. Om te lezen dat de activisten Duitse agenten waren, hoefde men niet te wachten op Lode Wils. Hetzelfde schreef in de jaren twintig ook al de Belgische propagandist Armand Wullus die toen stelselmatig documenten liet roven uit Duitse archieven om er politieke munt uit te slaan in de strijd tegen de flaminganten, en aan wiens ontdekkingen Wils bij de constructie van zijn geschiedenisbeeld schatplichtig was (4). Ook de kritiek op de autoritaire ontsporing van het tussenoorlogse Vlaams-nationalisme is niet helemaal nieuw. In kringen van linkse flaminganten was deze kritiek alvast ruim twintig jaar geleden al schering en inslag.

De wind in de zeilen kreeg het 'nieuwe referentiekader' ongetwijfeld ook door een politieke en intellectuele conjunctuur die de voorbije jaren in delen van het Vlaamse publiek twijfels deed rijzen over de legitimiteit van bepaalde verworvenheden van de Vlaamse beweging en zelfs de rechtmatigheid van die beweging op zich. Er was de opkomst van het Vlaams Blok die aanleiding gaf tot een scherpere kijk op ideologische voorlopers en een mogelijke continuïteit van rechtse strekkingen in de Vlaamse beweging. Er was de oorlog in Joegoslavië die opeens een sombere schaduw wierp over het onschuldige 'volksnationalisme' en menig weldenkend Vlaming met afgrijzen deed aankijken tegen zogezegd onheilspellende aspecten van het eigen verleden.

Er zijn vooral uit de Angelsaksische geschiedeniswetenschap overgewaaide modieuze theorieën die ons voorhouden dat een natie niets anders is dan een op mythes en geschiedvervalsingen stoelende fictie. Er is de even modieuze dweperij met multiculturele toestanden die veronderstelt dat eentalige maatschappijen nagenoeg uit den boze zijn. Er is tenslotte het 'politiek correcte' denkbeeld dat minderheden bij voorbaat meer aandacht en rechten verdienen dan meerderheden, waardoor ook de Vlaamse meerderheid in Vlaanderen ten opzichte van zelfverklaarde Franstalige minderheden ideologisch in een lastig parket komt.

Dat sommige verkondigers van het nieuwe referentiekader misschien nu en dan wat te hard van stapel lopen, hoeft tegen deze achtergrond niet te verbazen. Luc Vandeweyer is een bijzonder productief historicus die een indrukwekkende reeks opstellen op zijn naam heeft staan over aspecten van de Vlaamse beweging in de Eerste Wereldoorlog en het interbellum. Als een van de eersten begon hij het nog grotendeels onontgonnen Archief van de Raad van Vlaanderen stelselmatig uit te pluizen. Zijn speurtocht naar etnische zuivering als streefdoel van de Vlaamse beweging beslaat een hele waaier uiteenlopende aspecten. Hij heeft het over voorstellen van vooraanstaande collaborateurs tijdens de Tweede Wereldoorlog zoals Staf de Clercq of de Frans-Vlaamse priester Jean-Marie Gantois tot Vlaamse kolonisatie in Noord-Frankrijk en Wallonië. Hij doet een activistisch project tot afbakening van de taalgrens uit de doeken waaruit blijkt dat de activisten ook een pak min of meer taalgemengde Waalse dorpen wilden meepikken. Wat er met de Walen in die gemeenten moest gebeuren, zegden ze weliswaar niet, maar Vandeweyer concludeert wel dat die wellicht hadden moeten ophoepelen. Hij had eraan kunnen toevoegen dat inderdaad enkele Duitse 'Vlamingenvrienden' in de Eerste Wereldoorlog openlijk de uitdrijving bepleitten van de Walen uit door Duitsland of Vlaanderen aan te hechten gebieden.

Is de vernederlandsing van Vlaanderen etnische zuivering ?

Minder evident lijkt het dat Vandeweyer ook de droom van sommige activisten om de Frans-Vlaamse Westhoek te heroveren, aankaart in verband met etnische zuivering. Daarbij ging het immers niet in de eerste plaats om de uitdrijving van anderstaligen, maar om de recuperatie van een toen nog overwegend Vlaams sprekende bevolking. Nog minder evident is waarom in zijn betoog ook de inspanningen van tussenoorlogse flaminganten aan bod komen om de verfransing van Vlaamse arbeiders in Wallonië tegen te gaan en het Vlaams karakter van de Kempische mijnstreek te behouden. En waar Vandeweyer de eis van de activisten laakt Nederlandsonkundige Waalse ambtenaren uit het bestuur in Vlaanderen te verwijderen, kan men zich afvragen of daarbij werkelijk sprake kan zijn van 'etnische zuivering' dan wel van 'positieve discriminatie' ten bate van tot dan toe kansloze Vlaamse kandidaten.

De lectuur van heel het betoog doet de indruk ontstaan dat Vandeweyer eigenlijk de vernederlandsing van Vlaanderen zelf beschouwt als een laakbaar proces van 'etnische zuivering'. Het is natuurlijk niet moeilijk uit ruim 160 jaar Vlaamse beweging citaten bijeen te sprokkelen die nogal bevreemdend overkomen op hedendaagse, in het eentalige Vlaanderen opgegroeide Vlamingen. Maar is er anderzijds in die 160 jaar geen enkele Franstalige te vinden die in vergelijkbaar agressieve bewoordingen de verfransing van Vlaanderen of de superioriteit van de Romaanse cultuur bepleitte ? En krijgen we, als we deze context buiten beschouwing laten, niet een ietwat eenzijdig beeld ? Vandeweyer geeft toe dat de door hem besproken verschijnselen ook reacties waren op het opdringen van Franstaligen benoorden de taalgrens.Maar, zo oordeelt hij streng, het eigenlijke kwaad waren de Germaanse meerderwaardigheidsgevoelens van de flaminganten.

Een nieuw referentiekader met politieke gebruikswaarde

Deze overmaat van Vlaamse zelfkastijding is zeker mede te verklaren als reactie op tientallen jaren verdoezeling van het verleden. Het 'nieuwe referentiekader' is in feite een met veertig jaar vertraagde afrekening met de duistere kanten van de Vlaamse geschiedenis, iets waar in het Duits de onvertaalbare term Vergangenheitsbewältigung voor bestaat. Tot eind de jaren tachtig werd in Vlaanderen de collaboratie als verdedigbare politieke keuze goedgepraat en werden figuren van nogal twijfelachtig allooi zoals de antisemiet Ward Hermans of de Germaanse mysticus Cyriel Verschaeve als Vlaamse iconen vereerd. De kritische doorlichting van dit geschiedenisbeeld kreeg dan misschien onvermijdelijk de allures van een beeldenstorm . Het volstaat niet vast te stellen dat activisten of collaborateurs zich in politiek opzicht hebben vergist. Men moet ook aantonen dat het slechterikken waren. Het nieuwe beeld dreigt daardoor wel even karikaturaal uit te vallen als het oude, alleen in omgekeerde zin : de halfgoden van weleer zijn nu de verguisde schurken.

Geschiedbeelden hebben hun politieke gebruikswaarde, en het 'nieuwe referentiekader' ontsnapt niet aan deze regel. Zoals elk geschiedbeeld is het vatbaar voor simplificatie en mythevorming ten dienste van actuele belangen. Welke belangen daarmee gemoeid zouden kunnen zijn, blijkt uit het betoog van Vandeweyer : zijn vertrekpunt is immers de gegrondheid te bewijzen van de Franstalige vrees voor etnische zuivering door Vlamingen in Brussel en omstreken. Het spreekt vanzelf dat de gesimplificeerde variant van de nieuwe visie spek voor de bek is van hen die de legitimiteit betwisten van de hedendaagse Vlaamse staatsvorming. Indien de gedachte van Vlaamse zelfbeschikking uitsluitend het product is van externe factoren, gepropageerd door een beweging van oorlogsprofiteurs, etnische zuiveraars en fascisten, dan berusten de autonome Vlaamse instellingen van vandaag geheel en al op ondemocratische grondslag. Luc van den Brande staat in de laarzen van Staf de Clercq.

Het valt op hoe nauw deze visie aanleunt bij het traditioele geschiedbeeld waarin eveneens, zij het in positieve zin, de betekenis van de 'Vlaamse idealisten' voor de ontvoogding van hun volk nogal dik in de verf werd gezet. « Aan de activisten heb ik het te danken dat ik vandaag in het Nederlands les mag geven », kreeg schrijver dezes onlangs van een West-Vlaamse leraar te horen. Het is nochtans een feit dat activisme en collaboratie telkens het Belgisch nationalisme enorm versterkten en de positie van de flaminganten veeleer verzwakten. Er moeten dus in het Vlaamse verleden nog andere en misschien belangrijker factoren aanwezig zijn die ervoor zorgden dat er in West-Vlaanderen en elders vandaag in het Nederlands les mag worden gegeven. Een verlicht geschiedbeeld noopt ertoe de sombere elementen in het Vlaamse verleden niet te ontkennen. Het noopt er geenszins toe zich daarop blind te staren. Mag er misschien nog gezegd worden dat in Vlaanderen een nationale beweging - zeker de voorbije vijftig jaar - haar doelen met geweldloze middelen en binnen een democratisch kader nastreefde, en helemaal zonder etnische zuiveringen? En zou dat geen reden mogen zijn tot een beetje Vlaamse - nou ja : zoniet trots, dan toch voldoening?

(1) Vandeweyer, Luc : Etnische zuivering als politiek project in België, in : Bijdragen tot de Eigentijdse geschiedenis, nr. 5, november 1998, p. 43-71.
(2) Wils, Lode : Van Clovis tot Happart. Leuven/Apeldoorn 1992, p. 300. De Duitse bezetters, aldus Wils, lieten in elk van de drie genoemde landen een 'tijdbom' achter.
(3) Aldus NEVB-redactiemedewerkster Petra Gunst in een spreekbeurt over de behandeling van de periode van de Tweede Wereldoorlog in de oude en de nieuwe endyclopedie voor het SOMA, Brussel, 31 maart 1999.
(4) Cfr. Bv. Wils, Lode : Honderd jaar Vlaamse Beweging, dl. II, Leuven 1985, p. 202 : Wullus zou hebben bewezen dat Duitsland na de Eerste Wereldoorlog nog doorging met de Flamenpolitik.