Nummer 49


Column | september 1999


Een proletarisch kunstenaar (Hendrik Carette)<< Nummer 49

Het moet niet altijd Johan Wolfgang von Goethe en Guido Gezelle zijn. En ook niet altijd Louis-Paul Boon en Jorge Luis Borges. Want de levens en de werken van die vier dode schrijvers die dit jaar in zowat alle grote cultuurtempels en in de media met een herdenkingsartikel worden herdacht zijn ondertussen allicht genoegzaam bekend.

De stad Brussel had dan ook in samenwerking met de Landeshauptstadt Stuttgart de tentoonstelling omheen het plastisch werk van Otto Dix georganiseerd. De vele Duitse banken die dit evenement financieel hebben gesteund konden er echter niet voor zorgen dat er ook een Nederlandstalige catalogus werd voorzien in de hoofdstad van Vlaanderen en een Engelstalige catalogus in de hoofdstad van Europa. Al bij al toch vreemd.

Binnen in het koele (het was snikheet heet buiten) statige stadhuis op de Grote Markt van Brussel heb ik met een meer dan gewone nieuwsgierigheid naar de schilderijen van de Duitser Otto Dix (1891-1969) staan kijken.

Deze solide schilder, die zich zijn hele leven graag een proletariër noemde, was een tijdgenoot van George Grosz over wie ik vier jaar geleden in Meervoud naar aanleiding van de grote indrukwekkende expositie in Düsseldorf mocht schrijven en moet beslist niet onderdoen voor deze meer bekende collega. Dix hanteerde het potlood en het penseel om een aantal prachtige portretten te maken van zichzelf (Selbstbildnis als Soldat van 1914) en van een aantal vrouwen (zoals Salon van 1921 en Drei Weiber van 1926) waar hij als het ware de schoonheid van lelijke verlepte vrouwen genadeloos en toch eigenlijk vanuit een zeker mededogen en zelfs met een zekere glans heeft gefixeerd. Het portret van de 24-jarige danseres Anita Berber dat dateert van 1925 is dan weer iets heel anders : hier vlamt de fatale vrouw als een rode bloeiende vleesbloem. Het begeleidende essay van Sabine Gruber bij dit portret in de Frans-Duitse catalogus is getiteld Heilige oder Hure? wat in het Frans werd vertaald als Madone ou Putain?, inderdaad het eeuwige dilemma voor de jonge verleidelijke vrouw. Otto Dix was geen afgestompte proletariër maar een groot tekenaar, aquarellist en schilder en een origineel portrettist. Een portrettist die niet schilderde in opdracht van een rijke mecenas of opdrachtgever (welke dikke of afzichtelijke hoerenmadam wil nu eenmaal haar ware gelaat en haar lijf afgebeeld zien op een groot en opzichtig schilderij ?) om geflatteerde portretten te maken. Neen, een kunstenaar die ons de ogen opent en ons een onvermoede rauwe werkelijkheid laat zien. Zijn bloedige ernst schokt. Zijn brutaal geborsteld Ungleiches Ehepaar van 1925 is daar een sterk voorbeeld van. En het doek Melancholie van 1930 blijft dof glanzend en mysterieus schitteren. We zien opnieuw een liefdespaar: de vrouw zit op een stoel en is geheel naakt, terwijl de man al (of nog) gekleed is en met afgewend en onzichtbaar gelaat door een raam naar de gloeiende verte staart. De naakte heerszuchtige vrouw houdt de man met haar linkerarm vast aan de schouder. Beiden kijken echter een andere richting uit. En op de grond ligt aan de voet van haar stoel een doodshoofd als attribuut. De man heeft een kortgeknipte of kalende haardos, de vrouw een weelderige kastanjebruine haardos.

Het hele doek is de fixatie van een dreigend tafereel en baadt in een donker licht. Maar geen praatjes bij plaatjes, zijn schilderijen hebben allerminst commentaar nodig. Ook de Duitse schilder Christian Schad (1894-1982) opereerde trouwens in dit zwaar expressionistische en bijna hyperrealistische; en ik denk dan aan het wrede portret Agosta, der Flügelmensch, und Rasha, die Schwarze Taube uit 1929, waar een witte invalide man met zijn donkere exotische vrouw poseert voor een portret van deze schilder Schad. Dix en Schad moeten elkaar of elkaars werk beslist hebben gekend. Otto Dix was tijdens het interbellum in dat woelige Duitsland geen maniërist, maar een geëngageerde getuige die doorheen de laag vernis en burgerlijk fatsoen van de Duitse façades zag.