Nummer 51


Bretanje/Interview | november 1999


Martial Menard, directeur van de Bretoense uitgeverij 'An Here': "Zonder Bretoens spreken we in de wind!" (Jan van Ormelingen)<< Nummer 51

Soms denkt hij wel eens: jammer dat niet alle Bretoenen in Parijs zijn geboren, dan zouden we waarschijnlijk al heel wat verder staan. Martial Menard is geboren in Parijs en werkte er jaren als kok. Op zijn vierentwintigste werd hij zich bewust van zijn Bretoens-zijn, leerde de taal en kwam terug naar Bretanje. Dat was in de jaren dat heel wat jonge mensen zich engageerden voor het Front de libération de la Bretagne-Armée républicaine bretonne. Zo ook Martial.

- Uw Bretoens militantisme begon bij het ARB en nu bent u directeur van een uitgeverij. U hebt wel een hele weg afgelegd.

Martial Menard: Het is een nogal uitzonderlijk parcours. Vaak hoor ik de vraag: hoe wordt je van een gevangene bedrijfsdirecteur? Zeker, het komt niet veel voor, maar ik heb het meegemaakt. Ik was actief lid van het FLB-ARB in de jaren zeventig en tachtig. Het heeft me twee jaar opsluiting gekost op een veroordeling tot zeven jaar, omdat toen de amnestiewet van François Mitterrand net was goedgekeurd. Dat heeft ervoor gezorgd dat alle Bretoense politieke gevangenen van die tijd werden vrijgelaten. Die twee jaar heb ik gebruikt om een heel grondige kennis van het Bretoens op te bouwen, zodat ik nu ook taalkundige ben. Toen ik de gevangenis verliet moest ik werk gaan zoeken. Voordien was ik een vijftiental jaar kok geweest, maar dat wou ik nu niet meer. Toen ben ik naar Diwan, de koepel van de Bretoenstalige scholen, gestapt, met de vraag om er te kunnen werken als kleuterleider. Ze hebben dat toen aanvaard - dat zou vandaag waarschijnlijk wel heel wat moeilijker liggen - omdat ze moeilijk de nodige mensen vonden. Ik ben dan twee tot drie jaar Diwan-leerkracht geweest. Dat was in de periode dat Diwan begon met de uitbouw van haar lager onderwijs waar de kinderen leerden lezen. Als leraar was ik toen al op zoek naar wat er bestond aan geschikte literatuur in het Bretoens. Ik vertaalde Franse boeken om ze in mijn kleuterklas te vertellen. Maar eigenlijk vond ik het nogal armzalig dat we onze kinderen Bretoens leerden lezen als er niet echt iets te lezen viel. Daarom heb ik Diwan voorgesteld om een Bretoense uitgeverij op te richten met als doelpubliek de kinderen die Bretoens leren. Ze hebben toen gezegd: ga ervoor, en zo heb ik toen An Here opgericht. In het begin heb ik een vijftal jaren alleen gewerkt. En nu zijn we een klein bedrijfje van elf werknemers.

- Is het wel mogelijk om een Bretoense uitgeverij op een gezonde manier te beheren?

Martial Menard: Zo'n uitgeverij geeft verschillende problemen. In Bretanje is de overgrote meerderheid van Bretoenstaligen analfabeet in zijn taal, maar niet in het Frans. Ze kunnen wel wat zaken lezen, maar niet genoeg om bijvoorbeeld een roman te lezen. Ons groot probleem is dus dat van een publiek van zo'n 300.000 Bretoenssprekende mensen nog geen tien percent Bretoens kan lezen. Een kleine dertigduizend mensen als 'markt' is uiterst beperkt en voor een Bretoense uitgeverij te klein om zelfstandig te kunnen functioneren volgens de economische wetmatigheden. De enige manier om te overleven als men enkel in het Bretoens uitgeeft is een beroep doen op subsidies. Die worden verleend door de regio Bretanje via het door haar gecreëerde Skol Uhel ar Vro ('Cultureel Instituut van Bretanje'), door de departementen en door Europa. Er was de keuze om te leven zonder subsidies, maar dan was één tot anderhalve werknemer het maximum. We hebben dan maar voor subsidies geopteerd, maar leven van de subsidiekraan is economisch gezien helemaal niet gezond, zeker niet wanneer de politiek voortdurend van houding verandert en soms zelfs gewoon de kraan dichtdraait. En dan stopt alles. Dat wilden wij voorkomen, maar onze Bretoenstalige markt was te klein. Toen hebben gezegd: als er in Bretanje heel wat mensen in het Frans lezen, laten we dan ook hele goeie boeken in het Frans maken. Gaande van werken over Bretoense politieke en culturele problemen, over andere Keltische landen tot andere minderheden. Zo hebben we dus een Franse afdeling opgericht die genoeg centen binnenbrengt om economisch te overleven. Dat is dus de manier die we hebben gevonden om een Bretoenstalige uitgeverij gezond te maken. Er moeten enkele toegevingen gedaan worden, maar ze kan overleven.

- De stijging van het aantal Diwan-kinderen moet toch zorgen voor een positieve evolutie?

Martial Menard: Inderdaad, sinds ik in 1983 begon zijn er heel wat zaken veranderd. Wegens het steeds groeiende aantal leerlingen die de Diwan-scholen bezochten, en het opdoeken van eentalig Franse banen en zelfs hele scholen, vond de Education Nationale dat ze het lek moest dichten. Ook al is dat lek, jammer genoeg voor ons, niet fenomenaal groot. Met dat doel voor ogen zijn ze met een eigen tweetalig schoolnet begonnen. Kort daarna zijn ze gevolgd door het privé, dus katholiek onderwijs, wat maakt dat er nu drie tweetalige schoolnetten zijn. De bedoeling van Education Nationale was dus om Diwan kapot te maken, maar net het omgekeerde is gebeurd. De eerste scholen werden vaak naast een Diwan-school geopend. De aanval was dus klaar en duidelijk, want ze konden ook elders gaan. Maar daar waar men twee Bretoense scholen naast mekaar had groeide een gezonde wedijver en zelfs een samenwerking, met als gevolg dat zowel Diwan als het andere net, Div Yezh, vooruitgingen. Voor onze uitgeverij An Here betekende dat natuurlijk een uitbreiding van de markt. Toch moet gezegd dat de eerste Diwan-ouders echte militanten waren die plichtsbewust elk nieuw uitgegeven boek aankochten. Het succes van Diwan heeft er echter voor gezorgd dat dit militant kader ruimschoots overschreden is en dat er zelfs ouders voor Diwan kiezen omdat het de dichtstbijzijnde school is. Deze mensen voelen niet automatisch de nood om een Bretoense uitgeverij te steunen. Vaak wordt er thuis zelfs gewoon Frans gesproken en Bretoens huiswerk maakt verschillende ouders zelfs eerder onwennig omdat zij het niet verstaan. Dit maakt dat onze verkoop niet evenredig gestegen is met de toename van het aantal tweetalige leerlingen. Het had dus beter gekund.

- Een sterke stijging van het aantal Bretoenstalige kinderen is dus nodig om gezond te worden als bedrijf?

Martial Menard: Als we de kinderen samentellen die naar één van de drie netten gaan, dan komen we aan zo'n 6.000. Heel veel andere kinderen krijgen een 'initiatie' in de Bretoense taal, maar dat zijn geen kinderen die vlot Bretoens spreken. Als we nu dat cijfer van 6.000 vergelijken met de totale Bretoense schoolbevolking, ik spreek dan natuurlijk over het historische Bretanje met vijf departementen, dan komen we aan iets meer dan 1%. Dit relativeert toch heel wat. Zelfs als we tien keer zoveel leerlingen zouden hebben, wat al heel goed zou zijn, dan zouden nog 90% van de kinderen Frans onderwijs volgen. Als uitgever moet je die cijfers kunnen analyseren. Dus: zelfs al winnen we terrein, en al is Diwan niet meer te negeren en zelfs niet meer kapot te krijgen, dan nog moeten we niet denken dat we de strijd gewonnen hebben.

- Hoe gaat het met de andere uitgeverijen in Bretanje?

Martial Menard: In Bretanje zijn uitgeverijen relatief belangrijk. Als we het vergelijken met de rest van de 'zeshoek', dan komt Bretanje op de derde plaats. Parijs komt eerst, maar dat is te wijten aan het overdreven centralisme. Van wat er in Bretanje uitgegeven wordt is echter maar een heel klein deeltje in het Bretoens geschreven. Voor Bretoenstalige werken zijn er een tiental uitgevers, maar op die tien is er maar één die professioneel werkt, en dat is An Here. De andere werken met vrijwilligers. Zij leveren interessant werk, maar wij hebben van bij het begin geopteerd voor professionalisering, omdat er zoveel nood was aan jeugdboeken. Zestien jaar nadien hebben we na heel wat inspanningen zo'n 200 titels gepubliceerd. De bibliotheek van Engelstalige of Franstalige kinderen is echter veel groter. Ik denk dat we kunnen beginnen te spreken van een Bretoenstalige uitgeverij voor kinderen vanaf zo'n 1000 titels. Er zijn nog heel wat terreinen die zelfs nog niet zijn aangesneden, denken we maar aan de vulgarisatie van wetenschappelijke werken, dingen over de natuur, geschiedenis, de sterren, de culturen...

- Moeten er dan ook nog woorden worden 'uitgevonden' om bepaalde zaken een naam te geven?

Martial Menard: Neen. Op dat gebied heeft het Bretoens bijna geen enkel probleem meer, en kan het dus makkelijk het moderne leven aan. In vergelijking met andere geminoriseerde talen staan we op dat punt dus heel sterk. Er bestaan in het Bretoens woordenboeken over psycho-analyse, informatica, handel, economie... De neologische problemen zijn praktisch allemaal opgelost. Sinds kort is er ook het Ofis ar Brezhoneg ('Bureau van de Bretoense taal') dat voldoet aan de vraag van bedrijven, steden, departementen... als ze een tweetalige bewegwijzering willen. Als men een boek wil vertalen, over wat dan ook: dit stelt geen probleem meer.

- An Here is heel nauw verbonden met Diwan. Maar wat gebeurt er met die Diwan-kinderen? Geeft het feit Bretoens te kennen echt een voordeel op de arbeidsmarkt?

Martial Menard: Nu zeker. Er zijn heel wat structuren die Bretoenstaligen zoeken. Zo vroeg de regio laatst nog een tweetalige secretaris. Het pas opgerichte Ofis ar Brezhoneg is eveneens op zoek naar Bretoenstalig personeel. De Diwanscholen leveren vanzelfsprekend een eeuwige zoektocht naar geschikte leerkrachten en omkaderend personeel. Wij bij An Here zoeken personeel, dat we bijna niet vinden omdat de Diwan-kinderen, behalve voor hun Bretoens dan, nog gevormd moeten worden. Een beroep hebben èn het Bretoens beheersen is iets anders, maar daar zijn we nog niet. Diwan-kinderen zijn zij die het Diwan-lyceum hebben volbracht. Een Diwan-universiteit is er nog niet. Dat is de volgende stap op de ladder. Maar het is misschien ook interessant om te vertellen dat de eerste Diwan-kinderen hun baccalaureaat met groot succes behaald hebben. Daarnet ben ik ook de Bretoense vrije radio's vergeten die in volle opgang zijn, maar vooral het project van Le Lay, de grote baas van TF1, om een tweetalige televisie TV Breizh te beginnen. Daar zal ook veel volk voor nodig zijn. Als we iets krijgen zoals in Wales - dat valt natuurlijk nog af te wachten -, dan krijgen we een evolutie waarbij productiehuizen programma's gaan leveren in het Welsh voor buitenlandse zenders. Dat is trouwens de enige manier voor het Bretoens om te overleven. Ik heb er het volle vertrouwen in dat het Bretoens op een dag gered zal zijn, maar dan zal dat om economische redenen zijn. Veel mensen uit de bedrijfswereld zijn zich ervan bewust geworden dat identiteitsbeleving vandaag in is. Dat betekent dat alles wat Bretoens is heel goed verkoopt. Voor de Diwan-kinderen, maar ook voor zij die niet langs Diwan gepasseerd zijn, is de kennis van het Bretoens een economische troef, iets wat vroeger niet het geval was. Vroeger zei men: dat Bretoens dient nergens voor, je leert beter Engels. Je hoort dat nu nog, maar toch steeds minder.

- Toch zien we dat de politiek niet volgt. Chirac zegt nee tegen een zo broodnodige grondwetswijziging. Is de Bretoense beweging in een zwart gat gevallen?

Martial Menard: Neen, want we hebben nooit echt op Parijs gerekend. Alles wat we gewonnen hebben, daar hebben we voor gevochten, of we hebben het zelf opgebouwd. Nooit hebben we iets zomaar gekregen. Denken we maar aan Diwan, TV Breizh, de radio's, de uitgeverij... alles wat we hebben, dat hebben we ook zelf uit de grond gestampt. Dat is begrijpelijk. Want natuurlijk hebben alle volkeren bestaansrecht, maar als ze moeten blijven door de barmhartigheid van hun buren, zijn ze dan nog een volk? Chirac was nochtans naar Kemper gekomen om ons te zeggen dat het 'Charter voor minder gesproken talen' ondertekend zou worden. Maar het aantal artikels uit het Charter dat Frankrijk wilde tekenen is totaal bespottelijk. Het Charter was getekend maar niet geratificeerd en als het dan toch geratificeerd zou zijn, dan was het enkel maar een bevestiging van de feiten. Voor mij is dat Charter dan ook niet erg betekenisvol, tenzij het in zijn geheel zou worden geratificeerd. Wat we in Bretanje moeten betreuren, en dat is veel erger, is het feit dat het culturele succes niet politiek vertaald wordt. Als een Bretoensgezinde politieke beweging naar de verkiezingen gaat wordt zelden meer dan 10% behaald. En dat is dan al een echt succes, maar in feite betekent dat niets. Meer dan 80% van de mensen willen dat het Bretoens op school wordt aangeleerd, dàt zijn cijfers die spreken. Die 80% voelt zich echter goed thuis in het Franse politieke leven en ziet geen contradictie in het stemmen voor de Parti Socialiste of de RPR, terwijl ze de Bretoense nationale partijen Emgann of de Union Démocratique Bretonne (UDB) links laat liggen. Onze Bretoense partijen zijn erg zwak, er is nog een stapel werk te doen.

- Je moet politiek vooruitgaan om ook de rest op gang te trekken?

Martial Menard: Ja, want zo kunnen we een onomkeerbare beweging in gang zetten. Er zijn veel mensen die beginnen te applaudiseren als ze het woord 'Bretanje' horen, maar die niet eens de moeite hebben gedaan om Bretoens te leren. In Bretanje zeggen we al lang: zonder Bretoens geen Bretanje. Maar velen denken nog, vaak door luiheid, dat het volstaat een vage sympathie te hebben voor het Bretoens. Maar de taal maakt de eenheid van het land, het volk, de natie. Zonder taal spreken we in de wind.