Nummer 56


Column | april 2000


Mijn excuses (Hendrik Carette)<< Nummer 56

Ik bied u mijn excuses aan voor het feit dat ik ongaarne of met tegenzin naar die foto van de naakte Kristien Hemmerechts in het Nieuw Wereldtijdschrift heb gekeken. Ik bied u mijn excuses aan voor het feit dat ik nog altijd graag dikke dure sigaren rook en aldus verantwoordelijk ben voor het passief roken van mijn gespreksgenoten. Ik bied u mijn excuses aan voor het feit dat ik lui en drankzuchtig ben en aldus niet geheel en al aan uw verwachtingen kan voldoen. Ik bied u mijn excuses aan voor het feit dat ik bij mijn kapper niet in het weekblad P-Magazine wil bladeren. Ik bied u mijn excuses aan voor het feit dat ik nog nooit politiek correct ben geweest. Ik bied u mijn excuses aan voor het feit dat ik meer en meer naar het maquis op het eiland Corsica verlang. Ik bied u mijn excuses aan voor het feit dat ik een literair duivelspact met Ezra Pound heb gesloten. Ik bied u mijn excuses aan voor het feit dat ik alom en allerwegen de dreigende mediocriteit vermijd. Ik bied u mijn excuses aan voor het feit dat ik geheim lid ben van een geheim genootschap. Ik bied u mijn excuses aan voor het feit dat ik een bewonderaar ben en blijf van Lev Trotski (de schrijver van het boek Literatuur en revolutie en de leider van het Rode Leger met zijn prachtige gepantserde trein) maar ook van Joris van Severen (De Leider tout court). Ik bied u mijn excuses aan voor het feit dat ik één maatschappelijk aandeel bezit van Sabam en aldus hoe dan ook een verachtelijke (welke dichter schreef ook weer: veracht den burgerman maar ledig zijne kruiken) aandeelhouder ben en blijf. Ik bied u mijn excuses aan voor het feit dat ik nog altijd geen eigen website heb en dus onbereikbaar ben en blijf. Ik bied u mijn excuses aan voor het feit dat ik Geert Bourgeois bij zijn verkiezing tot voorzitter heb gesteund. Ik bied mijn excuses aan voor het feit dat ik soms slechte vrienden frequenteer. Ik bied u mijn excuses aan voor het feit dat ik niet één collega-dichter benijd (ik weet dat zij ziek zijn en monomaan en in stilte lijden onder mijn aanwezigheid). Ik bied u mijn excuses aan omdat ik de Griekse Beginselen niet belijd. Ik bied u mijn excuses aan voor het feit dat ik hevig verlang naar de tijd van toen, toen Toon van Overstraeten nog senator voor het nevelige Nijvel was. Ik bied u mijn excuses aan voor het feit dat ik de uitspraak 'Als je uit je land vlucht, snijd je je wortels af' van de Perzische schrijver (°Arak, 1954) Kader Abdolah geheel al onderschrijf. Ik bied u mijn excuses aan voor het feit dat ik soms een bange blanke man ben in de tram. Ik bied u mijn excuses aan voor het feit dat ik in restaurants in Brussel al snel Frans spreek als de ober of de gastvrouw het Diets niet machtig is. Ik bied u mijn excuses aan voor het feit dat ik graag een colbertjasje of een colbertkostuum draag en aldus geheel en al valselijk het uiterlijk van een kleinburger vertoon. Ik bied u mijn excuses aan voor het feit dat ik snel ontvlambaar ben en blijf. Ik bied u mijn excuses aan voor het feit dat ik - in navolging van de door mij zeer bewonderde Michel de Ghelderode - mijn dagelijks brood verdien op het kabinet van de Burgemeester van de gemeente waar ik woon. Ik bied u mijn excuses aan voor het feit dat ik lid ben en blijf van de elitaire Fondation ça ira. Ik bied u mijn excuses aan voor het feit dat ik een West-Vlaming ben en blijf en aldus soms geheel onvrijwillig hulp zeg als ik eigenlijk gulp bedoel en omgekeerd. Ik bied u mijn excuses aan voor het feit dat ik de zoon van mijn vader (Toon Carette, geheim lid van het Verdinaso) ben en nog altijd niet goed begrijp waarom hij elf maanden in dat kamp van Sint-Kruis moest verblijven en waarom amnestie in dit land ten enen male onmogelijk was en is. Ik bied u mijn excuses aan omdat ik marginaal en paradoxaal ben gebleven. Kortom ik bied u mijn excuses aan omdat ik er nog altijd ben.

Maar ik vraag geen vergiffenis en geen sussende en zalvende woorden. En zeker geen prevelende priester die mij ongevraagd zou zalven wanneer mijn rustbed een sterfbed wordt. Ik wil geen ingebeelde goedheid en geen hypocrisie. En laat de doden dan dood zijn, ik weet dankzij Ernst Bloch dat de doden terug keren, want hun actie wil met ons opnieuw tot stand komen.