Nummer 61


Lessen voor Vlaanderen | november 2000


Een vernieuwd nationalisme voor Afrika (Theo Van Heijst)<< Nummer 61

We kunnen niet meer spreken van één Derde Wereld. De cijfers en commentaren die de Commissie voor Wereldvoedselveiligheid van de FAO verspreidde naar aanleiding van de Wereldvoedseldag op 16 oktober, maken dit duidelijk (1). Qua hongersnood en ondervoeding gaat het in Latijns-Amerika en Azië minder slecht dan vroeger. De landen daar kunnen we nog ontwikkelingslanden noemen. Ze zijn vrij geïndustrialiseerd en concurrentieel. Maar Zwart-Afrika blijft het grote zorgenkind: het aantal ondervoede mensen zal daar de komende jaren blijven stijgen, zonder uitzicht op verbetering. Er is geen "ontwikkeling" meer; Afrika is de gemarginaliseerde Vierde Wereld van de aarde.

Ontwikkeling

Met "ontwikkeling" bedoelen we in dit kader: het doel een hogere levensstandaard te bekomen door volgehouden economische groei en ook het beleid en de programma's daartoe. In de Derde Wereld en zeker in Afrika was ontwikkeling een nationalistisch project gedragen door de bevrijdingsbewegingen. Ze wilden niet alleen politieke bevrijding (onafhankelijkheid), maar ook de vrijheid hetzelfde niveau van welvaart te halen als in de 'ontwikkelde' landen. Het was dus een project van snelle verrijking door industrialisatie en even snelle sociale en culturele modernisatie; men wilde de Westerse landen inlopen door hun kapitalistische economische en sociale instituties te imiteren: arbeidsbetrekkingen, zakenmanagement, urbanisatie, opvoeding, nationaal gevoelen.

Op de Bandung- conferentie van Derde-Wereldlanden in 1955 klonk deze bourgeoisvisie (kapitalisme zonder kapitalisten) het sterkst door.

Naarmate de dekolonisatie verder vorderde, werd het duidelijk dat er twee visies waren op hoe ontwikkeling nu juist moest verlopen. Liberale economisten vonden dat de Afrikaanse landen zich moesten toeleggen op de export vanwege hun voordelige situatie qua goedkope arbeid, klimaat, mineralen en ertsen. Ze drongen aan op verdere samenwerking met de ex-kolonisator. Tiers-mondisten daarentegen drongen aan op een eigen prioritaire industrialisatie om de afhankelijkheid van de wereldmarkt te reduceren en het neokolonialisme in te perken. Hiermee samen ging het onderscheid tussen de gemodereerde en radicale (Lumumba!) bevrijdingsbewegingen.

Uiteindelijk maakten de meeste landen hun eigen mix van de twee standpunten. Ze moesten toch allemaal steunen op ingevoerde technologie en leningen van buitenlandse banken en regeringen. Politieke democratie werd echter vaak 'uitgesteld' om de economische en sociale achterstand vlugger te kunnen inhalen. De nieuwe Afrikaanse elites vertrouwden volledig op de staat en de technocratie: een nieuwe zakelijke middenklasse was niet nodig want die zou toch alleen voor zijn eigen profijt werken. En de oude, traditionele politieke organisatie, gebaseerd op stammen en ethnieën, moest ook weg, omdat die met de kolonisator gecollaboreerd had.

Uiteindelijk slaagde de Ethiopische keizer Haile Selassie erin de twee visies te 'verzoenen' door de stichting van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid in 1963; dit zou zogezegd ook een begin betekenen van de realisatie van het Pan-Africanistisch nationalisme.

Faling

Hoe ver staat het anno 2000 met de 'ontwikkeling' van Zwart-Afrika?

Wanneer we de resultaten van de projecten van nationale constructie (nationbuilding) bekijken, ziet het er slecht uit. Vroeger had het opkomend kapitalisme in het Westen nationale integratie meegebracht, maar de hedendaagse economische mondialisering breekt de samenlevingen op haar periferie uit elkaar. De liberale nationalisten zien dit niet in en blijven geloven dat Afrika zijn achterstand kan inlopen door deel te nemen in de internationale arbeidsverdeling. De koloniale artificiële grenzen respecteren de oudere geschiedenis van de volkeren niet en de huidige desintegratie brengt dus ethnicisme mee, ondanks de venijnige pogingen van de post-koloniale elites om stammen en ethnieën te doen verdwijnen. De huidige elites zijn immers zelf gefragmentariseerd, omdat ze door de economische crisis geen trans-ethnisch beleid meer kunnen voeren.

Wanneer we de sociale ontwikkeling in Afrika bekijken, stellen we grote verschillen vast. Sommige landen, zoals Tanzania, zijn erin geslaagd sociale mobiliteit te organiseren, de inkomensverschillen te reduceren, tewerkstelling te voorzien en hun eigen versie van de welvaartstaat op poten te zetten. Maar de meeste landen vertonen nog steeds dezelfde grote sociale ongelijkheid van 30, 40 jaar geleden. Kijk maar naar ex-Zaire...

Wanneer we 'ontwikkeling' in de kapitalistische zin gaan beschouwen, dan moeten we zeggen dat Afrika in dit nieuw stadium van economische mondialisatie volledig gemarginaliseerd is. De wereldwijde recessie van de jaren '80, met de hoge olieprijs, hoge rentevoeten, bracht de Afrikaanse landen, die zich geconcentreerd hadden op een te klein gamma van landbouw- en ruwe uitvoerproducten, in het bankroet. Toen ze zich wendden tot de Wereldbank en het IMF voor steun, antwoordden deze met de Structural Adjustment Programs (SAP): dit zijn voorwaardelijke leningen waarbij de ontvanger belooft over te gaan tot economische liberalisatie. Het betekende deregulatie, afschaffing van prijzencontrole, privatisering, afbraak van de sociale zekerheid en vaak ook devaluatie van de munt. De SAP's brachten wel hogere export met zich mee, maar ook veel meer ontbering. De jaren '80 waren 'the lost decade' van Africa, nog verergerd door droogtes, politieke instabiliteit en corruptie.

In de jaren '90 gingen de ontwikkelingssamenwerkers de nadruk leggen op 'duurzame ontwikkeling': het gaat hier om kleinschalige projecten, waarbij de natuurlijke bronnen behouden blijven, gepaard met een technologie die ook voor de plaatselijke bevolking handelbaar is. Maar of dit algemene economische groei en een wijdverspreide hogere levensstandaard meebrengt is nog maar zeer de vraag.

De ontwikkelingsindex van de UNO zegt de laatste jaren immers dat Afrika steeds verder achterop geraakt.

Dit belette Bill Clinton niet, bij zijn bezoek aan Afrika in 1998, te spreken van een 'African renaissance'.

Waarom?

De vraag is natuurlijk waarom de ontwikkeling van Afrika mislukt is.

Liberale economische analyses zien alleen geïsoleerde feiten, maar stellen het wereldsysteem nooit in vraag. De mislukking is volgens hen te wijten of aan de corruptie van de Afrikaanse politieke klasse, of aan de te zwakke economische basis, of aan de achterstand en te lage productiviteit van de landbouw, of aan de tribale fragmentatie, enz... Ze menen dat Afrika zich kan redden door een echte klasse van kapitalistische zakenlui, die Afrika meetronen in de glorie van de globalisatie en de landbouw commercialiseren. VN-secretaris-generaal Kofi Annan treedt dit bij: meer technologie, meer investeringen, meer toegang tot wereldmarkten, meer samenwerking en partnerschap is volgens hem wat Afrika nodig heeft.

De Afrikaanse deelnemers aan de 'Commonwealth Business Forum' op 18 tot 19 september laatsleden te Londen, lieten zich echter zeer kritisch uit over de impact van de mondialisatie op de ontwikkelingslanden. Sommigen merkten op dat de WTO en het IMF eigenlijk alleen voor de Westerse landen werken, anderen voegden daaraan toe dat er al te veel geprivatiseerd is in Afrika (2).

Trouwens: een commerciële landbouw zou een overschot op de arbeidsmarkt creëren zonder uitlaatklep in de industrie.

Andere meer neo-keynesiaanse en moralistische economisten zoals Nobel-prijswinnaar Amartya Sen menen dat de uitbanning van oorlog en simpele invoering van vrijheid en democratie, met genoeg publieke actie, pluralisme en participatie, de hongersnood en andere problemen kan doen verdwijnen (3). Kofi Annan noemt Sen de meest geïnspireerde woordvoerder van de armen van de hele wereld....

Tiers-mondisten zien dan weer alleen externe feiten voor het falen van ontwikkeling in Afrika: de wereldprijzen voor ruwe grondstoffen en landbouwproducten, de politieke en militaire tussenkomsten door Westerse grootmachten, hun steun aan reactionaire krachten, enz.

Een serieuze analyse houdt o.i. rekening met de complexe interactie tussen specifieke toestanden eigen aan de verschillende landen en de vroegere en huidige wereldsituatie: het failliet van Afrika is een gevolg van het kolonialisme en het neo-koloniaal beleid van de Afrikaanse heersende klasse na de onafhankelijkheid. Voor de Westerse economisch imperialistische landen was Afrika een bron voor grondstoffen en landbouwproducten; dat ze Afrika onder elkaar verdeeld hebben lag volledig in de kapitalistische logica. Door roofbouw heeft het kolonialisme een mogelijke landbouwrevolutie met een eeuw uitgesteld. Het organiseerde tevens een onevenwichtige interne arbeidsverdeling zodat er in Afrika geen lokale commerciële middenklasse kon ontstaan. De zwakheid van de jonge onafhankelijke Afrikaanse staten had dus niets te maken met pre-koloniale toestanden. De corruptie van de politieke middenklasse, het gebrek aan economisch beheer, de hardnekkige rurale toestanden: alles is ontstaan in de periode tussen 1880 en 1960!

De bevrijdingsbewegingen wilden dit ongedaan maken maar werden tegengewerkt; denk maar aan de verschillende Lomé-overeenkomsten. Afrika verloor 30 jaar potentiële vooruitgang tijdens een cruciale tijdspanne. De Afrikaanse elite ging ten slotte over naar het neo-koloniale kamp, tegen de aspiraties van hun volk in, dat ze zonder omzicht uitbuitten, ten bate van de eigen clan.

De ultieme reden van het Afrikaans falen is dus het heimelijk samenspel tussen de Afrikaanse heersersklasse en de mondiale strategie van het imperialisme (4); dit heeft zijn vorm gekregen in het na-oorlogse geostrategische kader (Koude Oorlog).

De recente democratiseringen in Afrika, zo geprezen in het Westen, werden weggekaapt door de vroegere autoritaire groepen die alle hefbomen van de staat reeds beheersten. De mondialisering doet Afrika nu finaal de das om (5).

Oplossingen

Hoe kan Afrika uit zijn gemarginaliseerde situatie geraken? Het nieuwe mondiale kader vraagt om lange- en korte-termijnvisies.

Op lange termijn moet Afrika zich industrialiseren en concurrentieel worden; hiervoor moet het wereldsysteem omgevormd worden. In de geest van een vernieuwd Pan-Afrikaans nationalisme moeten de landen zich loskoppelen van de mondiale grootmachten en overgaan tot het vormen van grote regionale blokken (6). Dit 'loskoppelen' betekent niet zich terugtrekken in een gesloten staatshuishouding, terugvallen in autarkie, zelfs niet op regionaal vlak. Het moet daarentegen zorgen voor regionale industriële complementariteit. Zo kan men komen tot genegocieerde en beheerste pluriregionale interdependentie.

Alleen zulke grote blokken kunnen de negatieve effecten opvangen van de vijf monopolies, nu beheerst door de Westerse grootmachten: de geavanceerde technologie, het mondiaal financieel systeem, de toegang tot natuurlijke bronnen, de massa-media (publieke opinie!) en de massavernietigingswapens. Het invoeren van de Tobin-taks, zoals de 11.11.11-actie deze maand voorstelt, is helemaal niet voldoende.

Op zeer korte termijn moeten de individuele Afrikaanse natie-staten vechten voor de ontwikkeling van de volkskracht; dit betekent groei die ten goede komt aan de gehele bevolking. Dit kan gebeuren door een industriële basis uit te bouwen die een landbouwrevolutie kan ondersteunen. De overgeëxploiteerde informele sector moet omgevormd worden tot een officiële volkseconomie, zodat werklui collectief kunnen onderhandelen. De natiestaten moeten hun volksontwikkeling beschermen tegen de vernietigende effecten van ongecontroleerde economische openheid. Dit alles vergt een vernieuwd sociaal nationalisme.

Maar de Afrikaanse landen moeten tevens zelfstandige politieke krachten onder het volk toelaten; democratisering is de politieke voorwaarde voor ontwikkeling. De formele democratisering moet rekening houden met de traditionele vormen van de Afrikaanse Jaku-democratie; hierbij wordt het volk voortdurend geraadpleegd, niet enkel bij verkiezingen. Verkozenen die hun beloftes niet nakomen worden tijdens de legislatuur al afgezet (7). Verder kunnen confederatieve en consociationele staatsvormen het ethnisch nationalisme in positieve, opbouwende banen leiden.

De democratisering van de samenleving is zeker zo belangrijk; hierbij denken we vooral aan de positie van de vrouw en de kleine autochtone volkeren (8).

Lessen voor Vlaanderen

Vlaanderen ligt dan wel in het welvarend centrum van het mondiaal kapitalisme en niet in de periferie zoals Afrika, toch is hier dezelfde durf nodig als die die Afrika aan de dag zal moeten leggen. Het labiele en implosieve systeem bedreigt immers ook onze democratie en welvaart.

Een onafhankelijk Vlaanderen zal zich ook moeten loskoppelen en opnieuw bepalen in hoeverre de soevereiniteit opgegeven wordt voor internationale verdragen en in hoeverre spaargelden in een nationale reserve moeten blijven, binnenlands geïnvesteerd dan wel naar een internationale markt mogen gaan. Tevens moet ook hier een democratie komen die niet boven onze hoofden gaat, maar die volksverbonden is.

Europese eenmaking moet een sociaal project worden (ab ovo herbeginnen!), een echte Europese aangelegenheid dus i.p.v. een eenheidsmarkt in dienst van het mondiaal kapitalisme.

Een vernieuwd internationalisme - de Vlaamse Beweging is altijd internationalistisch geweest- moet vooral véél meer echte steun geven aan de arme landen. Alleen zo kunnen de onmenselijke migratiestromen gestopt worden.

(1) www.fao.org
(2) B.A. Otabil. Globalisation: which way forward? In: West-Africa, 2-8 october 2000, p.26-27
(3) Amartya Sen. Un nouveau modèle économique. Editions Odile Jacob, 2000.
(4) J.F. Bayart e.a. The criminalization of the State in Africa .Oxford: J. Currey, 1999.
(5) Samir Amin. Les défis de la mondialisation. Paris: L'Harmattan, 1996
(6) Samir Amin. La déconnnexion; Pour sortir du système mondial. Paris: La Découverte, 1986
(7) Daniel T. Osabu-Kle. Comparative Cultural Democracy: the Key to Development in Africa. Ontario: Broadview Press, 2000
(8) Godfry Ayitègan Kouevi. La question autochtone en Afrique. In: Alternatives.