Nummer 62


| december 2000


Joden in New York, Vlamingen in Brussel (Ludo Abicht)<< Nummer 62

New York City is geen joodse stad: het joodse bevolkingsaandeel bedraagt minder dan één zesde van het totaal. Toch voelen de joden, of ze nu geassimileerd zijn, geïntegreerd of geïsoleerd, zich in deze stad als vissen in het water. Op minder dan drie generaties zijn ze erin geslaagd, zodanig hun stempel op New York te drukken, dat heel veel buitenstaanders, ook Amerikanen, de stad ten onrechte met deze minderheid identificeren.

Zoals we zullen zien, is er bijna geen terrein waarop joden niet actief en vaak opvallend aanwezig zijn als volwaardige medeburgers, maar ook bijna altijd als bewuste, complexloze joden die geen contradictie zien tussen hun stadsburgerschap en hun uitdrukkelijk geafficheerde joodse identiteit. Ondanks hun prominente positie in het economische en culturele leven hebben ze er blijkbaar nooit aan gedacht, van New York een "joodse stad" te willen maken en hebben velen van hen zich integendeel ingezet voor de integratie en emancipatie van kansarmere, meestal nieuwe immigranten en voor de bevordering van etnische, religieuze en raciale verdraagzaamheid. Dat dit niet altijd gelukt is, bewijzen de soms gewelddadige acties van zwarten en Portoricanen tegen joodse huiseigenaars en huisjesmelkers die bepaalde districten wel om economische en veiligheidsredenen verlaten hadden, maar hun bezittingen daar niet hadden opgegeven. Toch kan men algemeen stellen, dat de joden in het politieke en sociale leven van New York een eerder verzoenende rol hebben kunnen spelen.

Zoiets doet een mens dromen: zou het in de toekomst mogelijk zijn dat de Vlamingen, een demografisch vergelijkbare minderheid binnen de multiculturele Brusselse bevolking, van een in zijn culturele eigenheid bedreigde, vaak lichtjes beschaamde groep evolueren naar een werkelijk geïntegreerde en gewaardeerde component van deze stad waar ze even complexloos aanwezig zouden zijn als de joden in New York?

Dergelijke vergelijkingen zijn uiteraard riskant, omdat er meer verschilpunten zijn dan overeenkomsten, maar het lijkt me nuttig eens na te gaan hoe anderen het er afbrengen en daar wellicht iets van te leren.

Het succesverhaal

De eerste joden kwamen al naar Nieuw Amsterdam, toen nog een Nederlandse kolonie, in 1654. Ze vormden slechts 2% van de bevolking, maar het feit dat ze goed waren voor 8% van de belastingen wijst erop, dat ze het economisch niet slecht deden. In 1664 kwam de stad in Engelse handen en de joden kregen er ruimere politieke en religieuze rechten. Ze waren vooral actief als handelaars en ambachtslieden, onder meer als juweliers. Tot aan het einde van de achttiende eeuw varieerde hun aantal in de bevolking tussen 1 en 2%. Als gevolg van de grotere tolerantie waren er steeds meer gemengde huwelijken en bekeringen naar het protestantisme. Tijdens de Amerikaanse Revolutie vochten er joden aan beide zijden van de barricade, hoewel de meerderheid zich aansloot bij de revolutionairen.

In de nieuwe Amerikaanse staat verkregen ze volledige burgerrechten en namen ze volop deel aan het politieke, culturele en economische leven. In 1852 bouwden ze het eerste joodse hospitaal, dat later beroemd zal worden als Mount Sinai. Ze richtten hun eerste kranten en tijdschriften op en zonden hun kinderen naar de openbare scholen en de Columbia Universiteit.

Ook tijdens de Burgeroorlog streden joden in beide kampen, maar de New Yorkse joden waren overwegend voorstanders van de afschaffing van de slavernij, waardoor hun positie na de overwinning van de Noordelijke staten merkbaar versterkt werd.

Tussen 1870 en 1920 immigreerden Oost-Europese joden massaal - meer dan één miljoen - naar de Verenigde Staten en botsten daar, als arme inwijkelingen, op de reeds lang gevestigde en sociaal conservatieve oudere, meestal Duits sprekende joodse Amerikanen. De nieuwkomers spraken Jiddisj, hadden een proletarische mentaliteit en moesten hun bestaan van onderuit opbouwen. In 1870 waren 4% van de New Yorkers joods, in 1920 waren er dat 29%. Als gevolg van hun aantal en sociale status vormden deze Oost-Europese joden in die periode de kern van de vakbonden en de linkse organisaties , terwijl de rijkere "Duitse" joden in de handel, de industrie en het bankwezen actief waren. Na 1920 begon de tegenstelling tussen rijke (kapitalistische, cultureel ontwikkelde) en arme (socialistische, Jiddisj sprekende) joden snel af te nemen, omdat steeds meer joden van de arbeidersklasse naar de middenstand opklommen en hun radicale principes voor een meer burgerlijke, liberale mentaliteit inruilden. Deze evolutie was grotendeels te danken aan het hoge percentage joodse jongeren die gratis aan de openbare universiteit (vooral City College) gingen studeren, waar al in 1918 78% van alle ingeschreven studenten joods was. Ze studeerden voornamelijk medicijnen en recht, wat het nog steeds bestaande cliché over "joodse dokters en advocaten" in romans en allerlei jodenmoppen verklaart. Algemeen kan men zeggen, dat ze, vanuit hun situatie, met succes telkens die wegen zijn ingeslagen die hen in staat stelden, als groep aan hun aanvankelijke miserie te ontkomen. Wel is het merkwaardig, dat ze daarbij op de toenemende steun van welgestelde joodse leiders konden rekenen die hun joodse solidariteit belangrijker achtten dan hun eigen geprivilegieerde positie binnen de Amerikaanse maatschappij. Deze solidariteit dichtte trouwens de vaak diepe kloven tussen orthodoxe, conservatieve en gereformeerde (liberale) congregaties die in normale omstandigheden elk hun eigen, duidelijke aparte sociale leven leidden. Hetzelfde zal zich herhalen in de soms bittere strijd tussen zionisten en antizionisten: van zodra er joden door buitenstaanders worden aangevallen, schuiven ze hun grote meningsverschillen opzij om zich collectief te verdedigen. Deze samenwerking, gecombineerd met een bijna obsessieve nadruk op het studeren, gekoppeld aan een pragmatische no-nonsense filosofie ("Yes, but is it good for the Jews?") is een efficiënt recept voor succes gebleken.

Na WO I steeg de joodse bevolking tussen 1937 en 1950 tot iets meer dan 2 miljoen, ongeveer 25 % van het totaal - intussen was de hele bevolking door Ierse, Italiaanse en andere migratiestromen gegroeid tot zo'n 8 miljoen -, en begon dan te verminderen, omdat steeds meer joden (en andere middenstanders) de binnenstad verlieten om zich in de welvarende, nette (en etnisch homogene) "suburbs" (voorsteden) te vestigen. De sociaal-economische opgang in de vroegere overwegend "joodse" industrietakken (onder meer textiel en kleding) ging verder, terwijl binnen de vakbonden sociaal-democratische en communistische joden om de controle vochten. Joden vormden de belangrijkste en zichtbaarste segmenten van de vrije beroepen, de ambtenarij, de academische wereld en het onderwijs (meer dan de helft van de leerkrachten), terwijl ze nog altijd buiten de zware industrie, de haven, de grote banken, de verzekeringsmaatschappijen en de high society clubs werden gehouden. Dat belette hen niet een belangrijke rol te spelen in het politieke leven en de civiele maatschappij, onder meer binnen de Democratische Partij en, vanaf de jaren zestig, ook binnen de Beweging voor de Burgerrechten van zwarten en andere niet-blanke minderheden. De joden hebben niet alleen een uitgebreid netwerk van specifiek joodse culturele centra en instituten uitgebouwd, maar zijn ook overal aanwezig in het bredere culturele leven van de stad, van het Guggenheim Museum tot de Opera, de radio, de filmindustrie, de musicals en de televisie. Het Jiddisj, ooit de taal van de overgrote meerderheid van de New Yorkse joden, begon na 1920 af te nemen en wordt nu nog voornamelijk gesproken door de ultra-orthodoxe Chassidim, waaronder een aantal immigrantengroepen van na 1945 en door een bescheiden maar groeiende groep jongeren die hier op zoek gaan naar hun "roots".

Bij de buitenstaanders zijn vooral die joden bekend die naam hebben gemaakt in het muziekleven en het theater (in de jaren 50 vormden de joden ongeveer 70% van het publiek op concerten en toneelopvoeringen), in de literatuur en de literaire kritiek, via tijdschriften als The Nation, The new Masses en Partisan Review. Kunstenaars als Vladimir Horowitz, Isaac Stern, Stan Getz, Franz Klein en Mark Rothko werden wereldberoemd. Leidinggevende uitgeverijen als Viking Press, Simon and Schuster, Alfred Knopf, Random House, Schocken Books en Anchor Books, kranten als The New York Times en de New York Post, The New Yorker en The Village Voice en The New York Review of Books richtten zich tot het brede publiek, maar waren ondenkbaar zonder de joodse inbreng.

Samenvattend kan men zeggen dat de joodse minderheid in New York zich volledig in het New Yorkse leven geintegreerd heeft, zonder zich in een getto terug te trekken, maar ook zonder in dit proces zijn specifieke joodse identiteit te verliezen. De cijfers zijn daarin duidelijk: 43% van de joden zijn verbonden aan een synagoge, 2/3 steunt joodse liefdadige en sociale verenigingen en 3/4 van alle joden zijn op een of andere manier bij het joodse gemeenschapsleven betrokken.

De Vlamingen in Brussel

Waar bij de joden in de Diaspora de religieuze overtuiging, de relatie met Israël en de gehechtheid aan de culturele gebruiken en gewoonten een veel grotere rol spelen dan de eigen taal (het Jiddisj), staat dit laatste bij de Vlamingen om historische en culturele redenen centraal, ook al beheersen de meesten van hen voldoende het Frans en/of het Engels om zonder enig probleem met de niet-Nederlandstalige meerderheid te kunnen communiceren. Deze meertaligheid heeft ook het nadeel, dat de anderen in feite geen behoefte hebben om Nederlands te leren, waardoor ze ook geen toegang verkrijgen tot de Nederlandstalige wereld die voor hen een gesloten boek blijft. Met andere woorden: de taalwetten, die aan de overheidsinstanties een minimale kennis van het Nederlands opleggen, worden dan ook correct ervaren als "Vlaamse" eisen, dat wil zeggen van en voor de Vlaamse minderheid in Brussel. Deze eisen zijn legitiem en mogen daarom niet opgegeven worden, maar ze zijn tegelijkertijd beschermend en restrictief en dragen op zich niet bij tot een kwalitatieve verbetering van de Vlaamse aanwezigheid in Brussel. Zonder aan deze taalhomogeniteit te raken, kunnen we, met het voorbeeld van de New Yorkse joden in het achterhoofd, een paar stellingen ter discussie voorleggen die de positie van de Vlamingen in Brussel op termijn drastisch kunnen veranderen.

1. Door hun sterke economische positie kunnen de Vlamingen, in nauwe samenwerking met de Vlaamse deelstaat, een opgemerkte bijdrage leveren aan de dringende verbetering van het sociale weefsel in de hele stad. Door de recente ervaring van hun eigen minorisering in België en de succesrijke emancipatie daaruit kunnen de Vlamingen meer dan wie ook begrip opbrengen voor de sociale en culturele emancipatie van andere minderheden. Wanneer we bijvoorbeeld sociale woningen bouwen voor "jonge Vlaamse gezinnen" doen we niet meer dan onze plicht tegenover de eigen bevolking. Wanneer we echter, samen met anderen, deelnemen aan woon - en leefprojecten voor andere minderheidsgroepen, bewijzen we, dat we ons werkelijk engageren voor de leefbaarheid van de hele stad.

2. Wanneer we, alleen of met anderen, twee- of meertalige culturele evenementen organiseren, gaande van volwassenenonderwijs tot kunstenfestivals, worden we een factor waarmee ook de niet-Vlaamse meerderheid rekening zal houden.

3. Wanneer we ons, als juristen en sociale werkers, ook daadwerkelijk inzetten voor de eerbiediging van de mensenrechten van iedereen, kunnen we onze behoorlijke expertise op dat gebied aanwenden om aan te tonen, dat een volwassen geworden Vlaamse gemeenschap de vanzelfsprekende verdediging van de eigen belangen aan die van de anderen kan koppelen, zonder vrees voor het verlies van haar eigenheid. We kunnen daarmee integendeel bewijzen, dat voor ons "mensenrechten" ondeelbaar zijn en dat een "internationalisme", dat zich vijandig opstelt tegen de Vlaamse minderheid, in feite ongeloofwaardig is.

4. Net zoals de Vlaamse economie en technologie onmogelijk zou zijn zonder de uitwisseling met de rest van de wereld, kan de Nederlandse cultuur in Vlaanderen, en Brussel, slechts groeien door interactie met alle andere culturen in het binnen- en buitenland. Brussel, met al zijn problemen, biedt ons de kans, om dit ook in de praktijk te brengen. Indien we deze uitdaging niet aannemen, is het gevaar van een culturele gettoïzering reëel. Om hoger genoemde redenen zal dit getto trouwens voor de meerderheid van de Brusselse bevolking onzichtbaar blijven. Wat belet Brusselse Vlamingen om, met hun talenkennis en culturele koopkracht, volop aan het bredere culturele leven van de stad deel te nemen en daarmee de eigen Nederlandse cultuur te bevruchten? Deze deelname betekent geenszins dat we gewoon in de Brusselse smeltkroes moeten verdwijnen en onze eigen traditie moeten afzweren om aanvaard te worden. Dat dit in het verleden grotendeels het geval geweest is met de arme Vlaamse inwijkelingen die zich over hun afkomst schaamden, is geen reden om het vandaag, vanuit een veel sterkere positie, opnieuw zo ver te laten komen. De Vlaamse intellectuelen, zelf het product van een geslaagde Vlaamse emancipatie, die daarvoor pleiten, begaan een ernstige vergissing; van volwaardige partners in een intercultureel proces worden ze in het beste geval, imitatoren die door de Franstalige meerderheid wel worden gebruikt, maar daarom nog niet gerespecteerd, omdat respect nu eenmaal samenhangt met zelfrespect.

5. Al te vaak hoor je de Brusselse Vlamingen klagen, dat Vlaanderen te weinig voor hen doet. Men kan die relatie echter ook omkeren: bewuste, in Brussel geïntegreerde Vlamingen die de band met de rest van het land niet hebben doorgeknipt, kunnen een belangrijke rol spelen in de strijd tegen de verenging die elke succesrijke beweging voor autonomie van binnenuit bedreigt. Een actieve, internationalistisch georiënteerde Vlaamse minderheid in Brussel kan een dergelijke noodlottige maar helaas niet ondenkbare ontwikkeling helpen verhinderen.

6. Laten we wel wezen: Brussel is geen Vlaamse stad. Wél een stad waar de Vlamingen, indien ze hun troeven goed uitspelen, een nieuw klimaat kunnen scheppen dat zowel voor hen als voor hun stadsgenoten leefbaarder wordt en waar ze, op termijn, niet meer uit weg te denken (of te wensen) zijn. Niet om historische of geografische redenen, maar omdat ze er, net als de joden in New York, in geslaagd zijn, gewoon overal aanwezig te zijn zonder zich voortdurend voor hun bestaan te moeten excuseren.

7. Ten slotte nog een mooie samenvatting van het probleem door Rabbi Hillel uit de eerste eeuw voor Christus:

"Indien ik niet voor mezelf opkom, wie zal dat dan wèl doen? Indien ik alleen voor mezelf opkom, wat voor een mens ben ik dan? Indien ik er nu niet aan begin, wanneer dan wel?"