Nummer 64


Het hart gelucht | februari 2001


Brussel loslaten? Vlaanderen quo vadis? (Michaël Vandamme)<< Nummer 64

De afstand tussen Vlaanderen en Brussel groeit de laatste jaren zienderogen, en deze alsmaar breder wordende kloof is zowel psychologisch als institutioneel van aard. Brussel scheerde nooit populaire toppen in Vlaanderen, maar de apathie van de doorsnee- Vlaming voor zijn hoofdstad kent nu ook zijn doorwerking in de meer radicale middens van de Vlaamse beweging. Ivan Mertens, in een recent verleden nog voorzitter van de Vlaamse Volksbeweging, gooide de stok in het hoenderhok door te poneren dat Vlaanderen zich in zijn onafhankelijkheidsstreven niet langer door Brussel mocht laten tegenhouden. Zijn standpunt reflecteerde wat in brede lagen van zijn basis leeft. Vandaag de dag zien we dat hij meer en meer wordt bijgetreden door lucidere voormannen van de 'Vlaamse zaak': Frans Crols, Guido Tastenhoye (zie Meervoud, januari 2001), maar verrassend genoeg ook André Monteyne, ere-voorzitter van het Vlaams Komitee voor Brussel en een man die enorm vertrouwd is met de Brusselse praxis. In het nieuwe tijdschrift 'Secessie' stelt hij vast dat Vlaanderen in de huidige context Brussel verliest. Vlaanderen moet zich in eerste instantie over haar eigen staatsvorming bekommeren en pas daarna haar aandacht op Brussel focussen, dit is de strategie waarvoor gekozen moet worden. Strategie, het immer weerkerend toverwoord van zij die op de drieledige logica van de staatshervorming willen verder bouwen.

De psychologische kloof die Vlaanderen van Brussel scheidt is geen nieuw gegeven, recent is echter het institutioneel kader dat een politieke uitweg biedt aan deze psychologische onwennigheid. Toen het eeuwige knelpunt Brussel ruim tien jaar geleden in een aparte geweststructuur werd ondergebracht, werden de sluizen van de drieledigheid helemaal opengedraaid. Het welslagen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest verschaft de ultieme legitimiteit aan het drieledig federalisme. Brussel ontwikkelde een eigen dynamiek en de eigen instellingen speelden een identiteitscreërende rol, ook aan het adres van de Brusselse Vlamingen. In deze gewestelijke ontwikkeling vonden vele Vlaams-Brusselse politici nestwarmte en uiteindelijk een veilige thuishaven. Het stilzwijgen van de nationale Vlaamse partijorganen maakt hun medeplichtig aan deze nefaste ontwikkeling. Op Brussel moet een omgekeerd subsidiariteitsbeginsel worden toegepast, anders gezegd: Brussel moet politiek zoveel mogelijk op federaal niveau worden benaderd. De obsessionele manier waarop bevoegdheden en taken naar het gewest zijn overgeheveld zijn een zielig voorbeeld van gewillige minorisering en zo te zien is het verzadigingspunt nog niet bereikt. Onderhandelen doet men op het niveau waarop men het sterkst staat.

De bescheiden stappen in de richting van een fiscale decentralisatie die in het kader van de Lambermontakkoorden gezet worden berusten op de bestaande drieledigheid - de kiem van gemeenschapsfiscaliteit (kijk- en luistergeld) werd schroomloos omgevormd tot een gewestbelasting. Een zelfde patroon is ontwaarbaar bij de overheveling van de provincie- en gemeentewet. Over de situatie van de Vlamingen werd niet onderhandeld, dit zou te ambitieus zijn, en dus wordt het hele dossier maar naar de vergeetput van de Brusselse Costa verwezen. Tenzij men in de schoot van deze ad hoc-vergadering de VU alsnog met enkele kruimels over de schreef wil halen.

Zowel de staatsrechtelijke constitutie van dit land maar vooral de perceptie ervan is de laatste tien, vijftien jaar enorm veranderd. Men kan niet anders dan dit als een feitelijkheid erkennen, maar de conclusie die illustere voormannen als André Monteyne of Guido Tastenhoye hieruit trekken is m.i. een strategische vergissing die ons op termijn zuur zal opbreken.

Centraal in de visie van zij die pleiten voor een Vlaams afkeren van Brussel is de strategie om Vlaanderen (het Vlaams Gewest) tot het staatsniveau op te tillen, om vervolgens vanuit deze nieuwe verworven positie Brussel te bewerken. Los van de realiteit dat vele modale Vlaamse bewegers geen moer geven om deze tweede 'Brussel-fase', gaan we ervan uit dat de interesse die een man als Guido Tastenhoye voor Brussel betoont welgemeend is. Als een rode draad loopt ze door zijn talrijke publicaties over communautaire kwesties en enkele jaren geleden nog verdedigde hij op een VVB-sporenviering (juni '97) verbeten de noodzaak voor Vlaanderen om van Brussel haar venster op de wereld te maken.

Deze 'theorie-in-twee-fasen' gaat uit van de gevaarlijke veronderstelling dat er in Vlaanderen betekenisvolle stuwende krachten zijn die de Vlaamse ontvoogding tot het niveau van de staatsvorming willen tillen. Deze krachten zijn er echter niet, waardoor de eerste fase slabakt en de situatie "waarin we Brussel aan het verliezen zijn" bestendigd wordt. Toonaangevende wetstraat-watchers (Mark Grammens, Hugo De Ridder, maar ook nog steeds Marc Platel) zijn het erover eens dat onder de regering Verhofstadt het zwaartepunt van het politiek apparaat van dit land naar Franstalige België verschoof, wat niet echt een illustratie van deze vermeende "Vlaamse dynamiek" genoemd kan worden. Na de nachtelijke Lambermont-onderhandelingen verklaarde Magda Aelvoet de lange aansleep door de moeizame gesprekken die over de "minderhedenproblematiek" (sic) gevoerd werden (VTM-middagnieuws, 23.1.2001), t.t.z. de Vlamingen in Brussel en de Franstaligen in de faciliteitengemeenten (en de rest van Vlaams-Brabant). Latere reacties van o.a. VU-coryfeeën Patrick Vankrunkelsven en Bert Anciaux toonden aan dat we hier heus niet te maken hebben met een uitschuiver van een wat verdwaasde groene bij wie de Griekse schotel van maandagnacht misvallen was. Door de koppeling van het lot van beide "minderheden" (resic) doorbreekt men de traditionele link tussen de Vlamingen in Brussel en de federale pariteit, wat neerkomt op het slopen van een fundamentele pijler van het communautaire evenwicht in dit land. Stefaan Huysentruyt was de witte raaf die de vinger op deze wonde legde (F.E.T., 24.1.2001). Men kan bij het aanschouwen van een dergelijk onwezenlijke opstelling bezwaarlijk gewag maken van een Vlaamse dynamiek. De balans van anderhalf jaar regering Verhofstadt toont trouwens hoezeer een bepaalde tendens in de Vlaamse beweging - mezelf incluis - zich enkele jaren vergist heeft in de liberale voorman. Ooit maakte journalist Hans Brockmans (auteur van enkele toonaangevende boeken over de verankeringsproblematiek) de vergelijking tussen Guy Verhofstadt en Vaclav Klaus ("De Tsjechische premier die zijn unitaire land deed springen op economische thema's", Tegenstroom, februari 1994), we durven ons vandaag afvragen of het hier wel over dezelfde persoon gaat. De eerder gewekte indruk dat het Vlaams bedrijfsleven de motor van een Vlaams separatisme zou worden (zij wier separatistische keuze door economische motieven is ingegeven omschreef het weekblad Trends ooit als "de nieuwe separatisten") is niet meer dan een fata morgana gebleken. Een Vlaamse dynamiek is dus ver zoek, en of hier met onze politieke bovenlaag snel verandering in zal komen is zeer onbetwijfelbaar. Als figuren als Stevaert, Landuyt of Dewael onze Vlaamse onafhankelijkheid gaan bewerkstelligen, reserveer ik alvast mijn boerderij op het Engels platteland. Maar terwijl het dynamisme ontbreekt en het Vlaams onafhankelijkheidsstreven weinig concreets oplevert wordt de huidige situatie bestendigd, zonder dat reële waarborgen in Brussel afgedwongen worden. Zonder ook dat de Vlaamse regering ten volle haar bevoegdheden gebruikt om een actieve aanwezigheidspolitiek in Brussel te voeren.

Ruim tien jaar geleden werd de VVB de radicaliseringmotor van de doorsnee Vlaamse beweging. De gedachtegang die van de ettelijke disfuncties van België de brug sloeg naar de idee van een onafhankelijke Vlaamse staat won aan populariteit, zonder weliswaar toegang te vinden tot de brede bevolkingslagen. Op zich is dit een eerbare conclusie, maar in deze kangoeroeredenering ligt tussen de twee uiteinden van deze causaliteitsketen een grijze zone die velen met een ferme dosis idealisme en goede wil menen te kunnen vullen. Alsof de Vlaamse ontvoogding een Highland-idylle genre Rob Roy of Braveheart is. Het siert de geëngageerde diplomaat Marcel Gunst dat hij een licht werpt op de technische aspecten die bij een mogelijke staatsvorming kijken komen (erkenning, verkrijgen van statuut opvolgerstaat,...) en haast per definitie een supranationaal karakter hebben. In de veronderstelling dat over enkele jaren een heropflakkering van Vlaams bewustzijn over deze gewesten zal neerdalen, zullen we vrij pover staan wanneer de soevereiniteit over het Brussels Hoofdstedelijk Gewest door de Vlaamse regering opgeëist wordt. Anders is het wanneer Vlaanderen een stevige pijler in haar hoofdstad heeft staan, zowel demografisch, politiek als structureel.

Laten we eerlijk blijven met onszelf, een onafhankelijk Vlaanderen zonder Brussel is lulkoek. Wim Jorissen zaliger wist ruim dertig jaar geleden al te vertellen dat de 'overwinning' of 'nederlaag' van de Vlaamse beweging in Brussel zal geleden worden. Geef me een oplossing voor Brussel, en ik teken onmiddellijk voor de Vlaamse onafhankelijkheid verklaarde Yves Desmet, politiek hoofdredacteur van De Morgen, enkele jaren terug aan Doorbraak. De politiek geroyeerde VLD'er Leo Goovaerts moet - een vrij machteloze Brigitte Grouwels buiten beschouwing gelaten - zowat de laatste Brusselse 'traditionele' politicus geweest die het verwerven van een stevige pied à terre in onze hoofdstad in verband bracht met een 'inkooppolitiek' die vanuit Vlaanderen gevoerd moet worden (Ons Leven, december '98). Dit is de beste garantie tegen een later verlies van onze hoofdstad. Hopen op een Vlaamsvoelende revival, om dan na onze ambities in Vlaanderen te hebben verwezenlijkt, Brussel als externe instantie in te palmen komt neer op het spelen van Russische roulette. De vaststelling van Voltaire op het einde van de 18e eeuw dat men in Brussel enkel Vlamingen vond, is niet het soort argument van het dossier waarmee we Vlaanderen internationaal gaan verkopen; waarmee ik niet gezegd wil hebben dat er niet zoiets bestaat als historische rechten. Enkele jaren geleden hadden de Amerikaanse republikeinen van toenmalig speaker van het Huis van Afgevaardigden Newt Gingrich een lamlegging van het hele federale staatsapparaat over omwille van een begroting die hen niet zinde. Een teken van durf dat tot op zeker hoogte kan inspireren.

Tien jaar geleden vervaardigde Philippe Moureaux de 'institutionele atoombom' omwille van een aantal exportlicenties voor Waalse wapenfabrieken en nog verder terug hadden Waalse syndicalisten onder André Renard een 'quasi-revolutie' omdat de uitslag van het referendum dat over de terugkeer van Leopold III georganiseerd werd hun niet aanstond. Eénzelfde vastberadenheid typeerde de PS - met als vice-premier de permanent-geïntoxiceerde Guy Mathot - tijdens de regering Eyskens zolang geen steun voor de hopeloze Waalse staalindustrie op tafel zou liggen. Wanneer de Waalse arbeiders de banken zouden bestormen, beloofde hij er persoonlijk voor te zorgen dat de politie het eerste halfuur niet zou optreden (De Standaard, 22.1.2001). Elk jaar tracht de Franse Gemeenschap creatieve budgetten naar het francofoon initiatief Carrefour in Vlaams-Brabant door te sluizen, zonder dat hier ooit één reële crisis rond gemaakt werd. Het zou eens andersom moeten gebeuren. Enkel in de Lage Landen aan de zee vind je een volk dat de meerderheid in een land uitmaakt en zich in dit soort circustoestanden laat bedonderen. Gelukkig hebben we nog mensen als Manu Claeys die ons via De Standaard diets maken dat het allemaal... in onze volksaard ligt.