Nummer 65


Ideologie | maart 2001


Links-liberalisme en Vlaamse beweging (Theo Van Heijst)<< Nummer 65

De tweespalt binnen de Volksunie is niet enkel belangrijk voor de mandatarissen, kaderleden en militanten van die partij. De situatie roept ook verstrekkende vragen op. Heeft een Vlaams-nationale politieke partij nog nut? Heeft de Vlaamse beweging nog een maatschappelijke zin?

De strubbelingen binnen Vlaanderens 'democratische' nationalistische partij worden door de politiek-correcte pers en andere belanghebbenden graag voorgesteld als een strijd tussen een conservatieve kliek enerzijds en een progressieve groep anderzijds, tussen 'zuiveren' die alles willen verknoeien en pragmatici die hun verantwoordelijkheid opnemen. Maar de meest verspreide terminologie is ook de meest accurate: er is het Vlaams-radicale kamp met Geert Bourgeois en het links-liberale met Bert Anciaux en Patrick Vankrunkelsven (en de kersverse ID21-ideoloog Sven Gatz).

Een nieuwe grote theorie

'Links-liberaal'...iedereen neemt tegenwoordig het woord in de mond, maar wat betekent het eigenlijk?

Links-liberalisme was oorspronkelijk een vage term uit de Angelsaksische wereld om het spectrum van opvattingen te beschrijven, kenmerkend voor de negentiende- en twintigste-eeuwse avant-garde van geleerden en kunstenaars. Die vonden zich heerlijk speciaal door te laveren tussen hyper-individualisme en maatschappelijke betrokkenheid. De typische Westerse intellectueel hield er liberale overtuigingen op na (geloof in natuurrechten, in vrijheden, vooral van denken, uitdrukking en vereniging, in wettelijke hervormingen voor meer verdraagzaamheid), die hij combineerde met klassiek-'linkse' waarden en principes van sociale rechtvaardigheid en gelijke verdeling van rijkdom en macht. Hij was voor Vrijheid en Gelijkheid, en dat de afgeleide principes konden botsen vond hij niet erg, integendeel. Noemde Multatuli zijn alter ego Max Havelaar niet met enige trots 'een vat vol tegenstrijdigheden'?

Na de Tweede Wereldoorlog, met de installatie van de Welvaartstaat en de democratisering van het onderwijs, verspreidde deze opvatting zich onder alle Westerse geschoolden en werd het links-liberale stilaan ook gewoon links genoemd, terwijl politiek links in de USA 'liberal' heet. In de Gouden jaren zestig vonden meer en meer geleerden dat de liberale stellingen en de linkse idealen eigenlijk afgeleid waren van één universalistisch aanvoelen, en dat ze daarom verzoend konden worden in één theoretisch stelsel en één politieke doctrine. In 1971 was John Rawls klaar met zijn 'meesterwerk' "A Theory of Justice", juist in de tijd van de extreem-linkse studentenopstanden, de Nieuw-Linkse groeperingen van Marxisten en de aanzet tot het Euro-communisme en juist voor de economische crisis. Rawls hernieuwde de theorie van het maatschappelijk contract en viel tegelijk het utilitarisme aan: de scherpe kantjes van het liberalisme moeten hun ethisch tegenwicht vinden in een normatieve filosofie die zegt dat ongelijkheid slechts kan als het in het belang van iedereen is. Rawls was dus de kans voor bepaalde socialisten zich voortaan sociaal-democraat te noemen en hun economische shift naar rechts te vergoelijken met een verhoogde portie moralisatie.

Met eenzelfde prekerigheid waren eind jaren 1960 in Europa een aantal volbloed liberalen politiek naar links verschoven: ze zwoeren eveneens het harde nutsdenken af en maten zich een nieuwe stijl en de naam 'vrije democraten' aan. Hun grote theoreticus was de Duitse socioloog Ralf Dahrendorf, staatssecretaris in het paarse kabinet van Willy Brandt (1969). Voor hem zijn individuele competitie en collectieve actie ook evenwaardige uitdrukkingen van eenzelfde maatschappelijke kracht. Het komt erop aan de kansen van alle individuen uit te breiden. Hij schreef nog in 1983: "Je mehr Menschen mehr Lebenschancen haben, desto liberaler ist eine Gesellschaft". Voor de voormalige socialist Dahrendorf is de klassenstrijd immers terug een individuele concurrentie geworden, aangezien de moderne markt-rationele maatschappij meer gelegenheid biedt op persoonlijke vooruitgang. Vrije democraten zeggen daarom graag dat ze links noch rechts zijn, maar gewoon liberaal.

Links-liberalisme is dus eigenlijk het onbestaande midden tussen sociaal-democratie en liberalisme: links-, sociaal- of progressief-liberalen zijn in werkelijkheid mensen die door hun opinies in de twee 'partijen' terecht kunnen. Europa kent ten andere enkele 'echte' links-liberale partijen.

In de jaren 1990, toen de Koude Oorlog voorbij was en de ergste crisis-effecten geluwd, grepen de Westerse gezeten sociaal-democraten terug naar Rawls en de vrije democraten naar Dahrendorf. Dit resulteerde in een nieuwe allesomvattende theorie en nieuwe politieke praktijken: the Third Way, das Neue Mitte, het Poldermodel en de Actieve Welvaartstaat. En uiteindelijk ook in België: een paarse coalitie.

Als ik nu één ding bevrijdend heb ervaren in de postmodernistische stellingen, dan is dat wel het uitgangspunt (niet de gevolgtrekkingen) van de Franse filosofen: dat zegt dat in onze hedendaagse complexe en gefragmenteerde samenleving totaliserende theorieën gevaarlijke illusies zijn. Het moet uit zijn met de 'grote verhalen' en de 'Grote Geschiedenis'. Een links-liberale theorie is voor mij even goed een vorm van ideologisch imperialisme.

Post hier, post daar, post ginder

Maar de neuzen van de Westerse, en dus ook Vlaamse intellectuelen en opiniemakers zijn al lang niet meer naar Parijs gericht. De Vlaamse geestelijke elite mag nu liever in New York vertoeven. En het is daar juist, in de States, dat het postmodernisme wel iets anders betekent dan de Franse contestatie. De Angelsaksische versie van 'het einde van de geschiedenis' verwijst naar de eindoverwinning van de ideologie van het liberalisme, de triomf van de kapitalistische markteconomie. Dat is wat een bepaalde Vlaamse opiniëring en politieke klasse vandaag gelooft. Zij hebben voorgoed dit economische paradigma aanvaard, zodat 'links' en 'rechts' slechts politieke en ethische nuances binnen het liberale spectrum uitmaken.

Progressief zijn heet dus vandaag jezelf rood-groen, sociaal-groen of links-liberaal noemen. Het komt erop aan hard genoeg te roepen dat men voor gelijke kansen is, dat het eigen 'correctief' op het marktdenken zeer belangrijk is, dat de markt geen doel maar een middel is. Want ieder staat wel op zijn eigen strepen: een Derde Weg, een Vierde, een Vijfde? Misschien wel een Zesde...

We weten nu al iets meer over de term 'links-liberalisme', maar we weten nog niet waarom een aantal Vlaams-nationalisten zich tot links-liberalen muteerden. Mijns inziens komt dat omdat ze een aantal premissen uit de heersende sociologische stroming overgenomen hebben en daar voor Vlaanderen een reeks zichzelf vervullende voorspellingen aan naaien.

Hun vooropgezette stellingen bestaan ten eerste uit een geloof in de weldoende effecten van de 'post-industriële' samenleving. Nu we meer naar een diensteneconomie verschoven zijn, zouden alle centrale sociale breuklijnen voortaan door onderhandeling en bij consensus opgelost kunnen worden. We zijn zonder revolutie in het post-kapitalisme geraakt. Grote conflictueuze ideologieën spelen geen rol meer, we zitten in het post-ideologische tijdvak. "De maatschappij verkorrelt" zegt Hans Van Mierlo (D'66). In de communicatiesamenleving heeft immers ieder individu alle levenskansen, als hij maar voldoende toegang tot kennis, informatie en andere cognitieve vaardigheden heeft.

Ten tweede geloven ze in de postmoderne opvatting dat de maatschappij geen objectieve realiteit is die je door analyse kunt doorgronden en dat er geen gemeenschappen, geen samenlevingen, geen families als vaststaande entiteiten bestaan. Elke sociale of culturele identiteit is dus eigenlijk een verzinsel.

Ten derde geloven ze dat de empirische justificatie in de verschuivingen van het stemgedrag der burgers ligt. De hedendaagse kiezer laat zich niet meer leiden door economische of confessionele breuklijnen, hij stemt niet meer traditioneel of partijtrouw. Hij hecht nu meer waarde aan zijn eigen levenskwaliteit en -stijl, zijn persoonlijk gevoel voor solidariteit en zijn kansen voor zelfexpressie. Hij is meer gehecht aan nieuwe sociale bewegingen dan aan oude politieke partijen. Het kiezerscorps, althans toch de geschoolde strata der middenklassen, is m.a.w. post-materialistisch geworden.

Einde van de Vlaamse beweging?

Uit dit alles concluderen een aantal VU-mensen dat de Vlaamse beweging en een democratische Vlaams-nationale partij de burgers niet meer kunnen aanspreken; zij vrezen dus voor hun persoonlijke politieke toekomst. De verwachting zit in een eigen (regerings-)partij à la D'66, een progressieve koepel of misschien zelfs in een linkserige "catch-all"-partij. Daarom moeten ze voor zichzelf een paar psychologische afweermechanismen aanwenden en naar buiten een aantal uitspraken over de Vlaamse strijd verspreiden om hun 'natuurlijke' mutatie tot links-liberaal te rechtvaardigen.

- Zo zou reeds 95 % van het programma van de Vlaamse beweging opgelost zijn. Een paar aanhalingen uit het federalistische 'Manifest van de Volksunie' (1955) tonen aan dat dit pertinente onzin is: tégen "de denationalisatie te Brussel en aan de taalgrens"; "de gevaren die de Europese integratie voor de Nederlandse gaafheid van Vlaanderen bergt"; vóór "omvorming tot een tweeledige bondstaat"; "uitroeiing van de kanker der mobiliteit door werkverschaffing ter plaatse"; "vrijwaring van de belangen der middenklasse in de ruimste zin"; "bestrijding der misbruiken en ongezonde invloeden van het grootkapitaal, de kapitaalconcentraties en de monopolies. Uitroeiing van de ondemocratische beïnvloeding van het staatsbeleid door de nationale en internationale geldmachten". We staan dus nog maar aan het begin...

- Zo zou slechts 3 % van de Vlamingen wakker liggen van het communautaire. Onwaar! In de Vlaamse Regionale Indicatoren (Vrind) van 1998 lezen we duidelijk: "Bijna een vijfde (= 20% nvdr) van de Vlamingen zegt gewonnen te zijn voor een onafhankelijke Vlaamse staat. Dit is een stijging. Telkens ongeveer een kwart van de bevolking is gewonnen voor een splitsing van de sociale zekerheid en een federalisering van de belastingen".

- Zo zou Vlaanderen niet echt onafhankelijk moeten worden, want de natiestaat is voorbijgestreefd en we gaan naar een verenigd Europa. De staat wordt inderdaad 'uitgehold', maar dat is omdat ze haar macht verliest ten voordele van het ongebreideld kapitalisme, waarvan de Europese Unie een instrument is. Europese integratie zal nooit een echt politiek project worden. Verschillende schrijvers die al in Meervoud besproken werden, tonen aan dat de natiestaat het vlak bij uitstek is om zich te weren tegen de economische mondialisering.

- Zo zou de Vlaamse strijd voortaan behartigd worden door de bekomen eigen Vlaamse instellingen en moeten de Vlaamse bewegers zich slechts bekommeren om de invulling van het 'autonome' Vlaanderen. We weten wat onze eigen instellingen waard zijn. Alle Vlaamse regeringen zijn tot nu toe gewoon kleine politieke copies van de federale geweest. Het Vlaams parlement mag dan wel tot Vlaamsvoelende resoluties komen, maar die zijn zes maand nadien al vergeten. De Vlaamse administratie wil intussen slechts 'behoorlijk bestuur' uitoefenen en verliest zich daarbij soms in bedilzucht.

En de 'invulling van Vlaanderen' is wel iets anders dan streven naar de grootst mogelijke maatschappelijke verdraagzaamheid aangaande individuele levensstijl en persoonlijk consumptiegedrag. Evenmin is het een oppervlakkig project van collectieve tranerigheid en eeuwigdurende happenings.

Werk aan de winkel

De Vlaamse beweging en haar politieke emanatie, een democratische Vlaams-radicale partij, hebben dus zeker nog zin. Het is niet omdat de aanhang vermindert en de verkiezingsresultaten teruglopen dat men de handdoek in de ring moet gooien en links-liberaal worden.

Links-liberalisme als politieke stijl is nep: het is vluchtgedrag dat projectloos pragmatisme voorstelt als verantwoordelijkheidszin en dat systeembevestigend denken maskert als gevoel voor realiteit en rede. "Minder partijprogramma's, meer persoonlijkheden" noemt Hans Van Mierlo dat...

Links-liberalisme als theorie is een blaas: wie ervan uitgaat dat de principes vrijheid en gelijkheid eenzelfde grondbeginsel hebben, komt vroeg of laat tot de Rousseauiaanse paradox, een moralisme dat de mensen verplicht vrij te zijn.

Laten we liever aannemen dat we vechten voor een bredere en diepere democratie, voor echte welvaart en waarachtig welzijn, en dat de principes Vrijheid en Gelijkheid mekaar meer en meer zullen beïnvloeden doorheen de oneindige geschiedenis, naar een gemeenschappelijke horizon toe die nooit bereikt zal worden. Het is een strijd vóór een Vlaamse en een Waalse welvaartstaat en tégen de koppeling van markt en wild kapitalisme. Dat is vooruitstrevendheid!

De flaminganten hebben dus een opdracht als voorhoede, nl. inbeuken op de oude conventies en het nieuwe conformisme die Vlaanderen bedreigen in haar voorspoed en remmen in haar opgang.

Laten we dus aan het werk gaan en ernstige analyses maken van de toegenomen mondialisering (van volkscultuur tot economisch wereldsysteem), van de veranderende betrekkingen tussen werkgevers en werknemers, van de verschuivingen in de beroepsstructuur, van de invloed op politieke democratie, van de stijgende macht van transnationale ondernemingen om de loontrekkenden en kleine bedrijven te beheersen en te opereren zonder belemmering vanwege nationale regeringen.

Laten we de resultaten van deze onderzoeken meedelen aan alle Vlamingen en hun wijzen op de gevaren die erin schuilen. Ze zullen er niet ongevoelig voor zijn.

We kunnen er immers zeker van zijn dat het Vlaamse volk een duaal bewustzijn bezit: één reeks overtuigingen is gebaseerd op de mainstream cultuur verspreid door belgicistische media, onderwijs en instellingen. Een tegengestelde reeks meningen houdt de volksmens erop na, door zijn persoonlijke ervaring: het dagelijks leven als Vlaming in dit België.

Vaak genoeg zien we hoe de man/vrouw in de straat door zijn/haar handelen het politiek-correcte woordgebruik doorbreekt en vanuit eergevoel of verontwaardiging reageert: dat is zijn/haar klasse-instinct als Vlaming. Hierop moet de Vlaamse beweging een beroep doen, dit kunnen we duiden en sublimeren.

En een Vlaams-radicale partij moet zich inspannen om tot een brede alliantie van al die Vlaams-nationale krachten te komen m.a.w. zij moet een natie-klasse organiseren. Op die manier kan ze uitgroeien tot iets veel belangrijker dan een kleine zweeppartij.