Nummer 67


Johan Sauwens | mei 2001


Zelfs morele hysterie heeft zijn grenzen (Bart De Wever)<< Nummer 67

In april 1990 trad Hugo Schiltz, toen federaal vice-premier, op als tafelredenaar op een bijeenkomst van het Sint-Maartensfonds. Dit gebeurde in volle openheid en lokte ook wel wat kritische commentaren uit in bepaalde media. Maar er kwam zelfs niet het begin van een regeringscrisis. Nederlandse journalisten waren daarover ten zeerste verbaasd. In mei 2001 komt Johan Sauwens argeloos als gewoon bezoeker naar de viering van vijftig jaar Sint-Maartensfonds. De gevolgen kent men. Wat is er in de tien jaar tussen die twee feiten veranderd?

Men zou kunnen aanvoeren dat de betrokken vereniging in die periode radicaliseerde tot uiterst rechts. Dit is onjuist. Het is zeker zo dat er sinds de electorale doorbraak van het Vlaams Blok in de verenigingen van het traditionalistisch-rechtse segment van het Vlaams-nationalisme veel minder schroom is om 'voluit' te gaan. Maar au fond zijn dit nog altijd dezelfde verenigingen met hetzelfde discours. Samen vormden ze de wieg van het Vlaams Blok, dat deze scène vandaag zo goed als volledig beheerst. Ook het Sint-Maartensfonds veranderde niet wezenlijk. De viering van de veertigste verjaardag in 1991 was vrijwel identiek aan die van vorige week: in hoofdzaak een verzameling van bejaarde mensen die collectief hun jeugdjaren willen herbeleven, inclusief het opvoeren van een aangebrande morfologie en fraseologie. Sommigen houden mordicus vol aan het grote gelijk, de meesten weten -stilzwijgend- maar al te goed dat ze destijds principieel en tactisch in de fout gingen.

Maar dat soort overwegingen is niet van tel, hier voert men een hoogmis op van het eigen idealisme en de eigen opoffering. Ten minste die eigenschappen kan men van deze mannen, die vrijwillig naar het bloedigste slagveld van de voorbije eeuw trokken, moeilijk loochenen. Dat is precies de reden waarom ze voor het hele Vlaams-nationalisme, alsook voor velen daarbuiten, ondanks alles een bijzondere plaats blijven innemen. Allicht daarom verscheen Sauwens, een rechtgeaard democraat, in hun midden. Wellicht ook in de wetenschap dat zeker niet heel dit publiek in Blok-vaarwater zit, ook al koesteren ze een voor buitenstaanders onbegrijpelijke en verwerpelijke nostalgie.

Waarom werd dit fait divers dan wel opgeblazen tot een zaak van nationaal belang? Men voert het onverwerkt oorlogsverleden aan als verklaring. Maar hoeveel Vlamingen zitten hier nog mee in de eenentwintigste eeuw? Het welles-nietesspel over de oorzaak, motivatie en aard van de collaboratie raakt nog slechts een selecte club van historici en ingewijden. Nog even en dit is echt niet maatschappelijk relevant meer, behalve als verklaringsgrond voor bepaalde aspecten van onze politieke geschiedenis.

Er is iets anders aan de hand. Normaal vermindert de maatschappelijke emotie over een gebeurtenis naarmate die zich verwijdert in de tijd. Maar voor de Tweede Wereldoorlog, en in het bijzonder voor de holocaust, doet zich de jongste jaren het omgekeerde voor. Dit verschijnsel treft de hele westerse wereld. Het aantal boeken en documentaires over deze periode is niet meer te tellen; de impact ervan op de culturele expressie is enorm. De joodse hoogleraar Norman Finkelstein beschreef recent op meesterlijke wijze het artificiële en instrumentele karakter hiervan in zijn boek De holocaust-industrie, bespiegelingen over de exploitatie van het joodse lijden. Het werd hem door de eigen gemeenschap bepaald niet in dank afgenomen.

De toegenomen relevantie van het oorlogsverleden is een instrument om bepaalde doelstellingen na te streven. In de Vlaamse politieke context moet dit gezien worden in het licht van de strijd tegen en de frustratie over het succes van een rechts-populistische partij. De linkerzijde, die door de algemene aanvaarding van het economisch liberalisme, ideologisch eigenlijk niet veel meer te vertellen heeft, grijpt gretig naar het anti-fascisme als inhoudelijke legitimering. Op zich is daar niets mis mee, maar na de vaudeville rond de regeringsdeelname in Oostenrijk toont het geval-Sauwens opnieuw pijnlijk aan dat de grenzen van de morele hysterie overschreden zijn.

Een hele reeks kritische vragen moet dringend worden gesteld. Volgt de bevolking nog in de hypocrisie van het morele opbod rond de aangehaalde zaken, terwijl er bijvoorbeeld geen vragen worden gesteld over de handel met dictaturen als China? Beseft men dat een democratie zich niet behoort te verdedigen door staatsgeweld in te schakelen tegen opinies, hoe verwerpelijk ook? En vooral, geeft men er zich rekenschap van dat we stilaan afglijden naar McCarthy-toestanden? Mensen worden gescreend tot in hun privéleven en zelfs mee verantwoordelijk gesteld voor alle uitlatingen van de kringen waarin ze verkeren, al is het per vergissing. Zonder enige nuance wordt men op één hoopje geveegd met massamoordenaars - in het VRT-journaal werd na het item-Sauwens zonder verpinken verwezen naar een reportage over de overlevenden van een concentratiekamp - waardoor iedere verdediging onmogelijk wordt. In een oogwenk zit men in de beklaagdenbank en wordt een carrière zonder pardon geknakt.

Wie een sterke waarschuwing wil uiten, kan verwijzen naar het vroegere Oost-Duitsland, waar het anti-fascisme werd uitgevonden als product van de communistische leugenfabriek om te legitimeren dat men het land omringde met prikkeldraad en dat de burgers scherp in de gaten werden gehouden door een Gedankenpolizei.

Moet de democratie zich verdedigen? Ja, maar niet door zichzelf op te heffen in een orgie van morele hysterie en intellectuele verkleutering.