Nummer 67


Nieuws uit het derde gewest en zijn riante omgeving | mei 2001


(Euro-)Brussel-kroniek (Bernard Daelemans)<< Nummer 67

De man van drie miljard

Mocht het zogeheten Lombardakkoord dat zogezegd moet bijdragen tot de verbetering van de positie van de Vlamingen in de Brusselse instellingen gerealiseerd worden, dan zou Luckas Vandertaelen (Agalev) in Elsene misschien toch nog schepen kunnen worden. De Vlaamse onderhandelaars zijn bereid daarvoor jaarlijks drie miljard op tafel te leggen, die ten goede komt aan de Franse (80%) en de Vlaamse (20%) gemeenschapscommissies en aan de gemeenten. De opname van een Vlaamse schepen in de Brusselse gemeentebesturen wordt echter niet verplicht. De gemeenten die dit wel doen zouden daarvoor financieel beloond worden. Het zullen echter steeds de Franstaligen zijn die uiteindelijk beslissen wie zij op hun lijsten plaatsen en wie zij in de bestuurscoalitie opnemen. Over bevoegdheden of financiele armslag van de betrokkenen wordt in het akkoord met geen woord gerept.

Afschaffing dubbele meerderheid

Maar er zijn nog meer pyrrhusoverwinningen geboekt tijdens de onderhandelingen van de minicosta. Inderdaad, het aantal Vlaams-Brusselse parlementsleden zou fors opgetrokken worden van 11 tot 28. Maar in ruil daarvoor wordt de dubbele meerderheid die thans speelt in de 'Verenigde Vergadering' van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie opgeheven. De Vlamingen krijgen met andere woorden meer mandaten, maar minder macht.

De dubbele meerderheid in de GGC is een zeer heikel punt. We herinneren ons een aantal stemmingen inzake begrotingen die de Brusselse politici niet licht zullen vergeten. In mei 1995 werden aan de Brusselse OCMW-ziekenhuizen kredieten toegekend ten bedrage van vier miljard om hun schuldenberg weg te wissen. De Vlaamse oppositie, met in de hoofdrol destijds Dolf Cauwelier (Agalev) voerde aan dat in ruil voor dit geld een inbraak van de Vlamingen in het beheer van die ziekenhuizen geforceerd kon worden, zodat men meer vat zou krijgen op de schrijnende taaltoestanden die er zich voordoen. De regering (met Jos Chabert in de hoofdrol) was eerst zo vermetel geweest om de oprichting van het fonds en stoemelings te laten passeren, en het was pas nadat de Raad van State, die door Cauwelier onder de arm werd genomen, had gesteld dat beslissingen met een dergelijke budgettaire weerslag voor het parlement moeten komen dat de zaak ter stemming werd voorgelegd. Van de toen elf leden van de Nederlandse taalgroep stemden slechts vijf leden vóór (Chabert, Creyf, Vandenbossche, Grijp en Delathouwer). Twéé stemden tegen (Cauwelier en Monteyne). Blokker Roeland Van Walleghem was traditiegetrouw niet komen opdagen. Maar twee leden van de meerderheid verborgen zich beschaamd in de coulissen om zich aan de stemming te onttrekken: Vic Anciaux en Jan Beghin. Dat was dus niet de mooiste dag in de geschiedenis van de Brusselse Vlamingen, maar dat lag alleen aan het feit dat de verkozenen de hefboom waarover ze beschikten niet durfden gebruiken. Dat ze daarmee hun imago beschadigden, hadden ze dan ook alleen aan zichzelf te wijten.

Tijdens de tweede legislatuur werden de zaken nog meer op de spits gedreven. Jos Chabert had weer een groot investeringsplan uitgewerkt, ten belope van zegge en schrijve twaalf miljard, waarvan weerom vier miljard voor rekening van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. Het geld zou deze keer dienen om de infrastructuur van de Brusselse ziekenhuizen zwaar te renoveren. In de meeste gevallen ging het hier om praktisch volledige nieuwbouw, zoals onder andere het Sint-Pieters-Ziekenhuis. Maar als gevolg van het ontslag van Vic Anciaux uit de regering was er geen meerderheid meer in de Nederlandse taalgroep. De begrotingen voor het jaar 1998 en 1999 werden daardoor nooit goedgekeurd. En toch is Chabert erin geslaagd om alle geplande investeringen te laten uitvoeren. Hij beriep zich daarvoor op een wel zeer curieuze toepassing van bepaalde artikelen uit de wet op de Rijksboekhouding, die in 'zeer uitzonderlijke omstandigheden' de overheid moeten toelaten om 'spoedeisende' maatregelen te treffen. Dat de bouw van volledig nieuwe ziekenhuisvleugels 'spoedeisend' zijn wist Chabert te verantwoorden door te stellen dat de betrokken instellingen moesten voldoen aan nieuwe normen inzake brandveiligheid en andere wettelijk vastgelegde regels. Deze vindingrijkheid werd niet door alle leden van het Rekenhof geapprecieerd. Deze instantie, die haar visum moest verlenen voor de uitgaven, stemde verdeeld over de kwestie. Het meest stuitende was nog dat het ontbreken van een parlementaire meerderheid op zichzelf al als een 'uitzonderlijke omstandigheid' werd gezien. Alle spitsvondigheden ten spijt werd eens te meer duidelijk dat in dit land niet alle Belgen gelijk zijn voor de wet, en dat vooral de Brusselse regering uitblinkt in het openlijk naast zich neerleggen van democratische en wettelijke voorschriften (Was die regering sedert het ontslag van Anciaux op zichzelf al niet onwettig samengesteld?).

Nog politiek spektakel volgde toen de oppositietandem VLD-VU ermee dreigde om in de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie het Verdrag van Amsterdam niet goed te keuren. Uiteindelijk kwam het toch niet zover.

Aan de onregelmatige toestand in verband met de Gemeenschappelijke Gemeenschapsommissie kwam pas een einde toen in september van 1999 een algemene regularisatie werd goedgekeurd door de nieuwe meerderheid. Het was wel triestig dat de voormalige opposanten (VLD en VU) op dat ogenblik al een groot deel van hun eisen hadden laten varen. Dat zij nu ook nog instemmen met het afschaffen van de dubbele meerderheid waarmee ze zelf de vorige regering het vuur aan de schenen hebben gelegd, getuigt dan ook niet van enige consequentie.

28 parlementszitjes

Behalve de afschaffing van de dubbele meerderheid op wetgevend vlak zijn er nog een aantal andere maatregelen ingebouwd om het Vlaams Blok te minoriseren. Die houden verband met de aanwijzing van de mandaten in de verschillende parlementen en raden.

Het Lombardakkoord voorziet namelijk dat de Brusselse Hoofdstedelijke Raad wordt uitgebreid tot 89 leden. Daarvan zouden er 17 voorbehouden worden voor de Nederlandstaligen. De Brusselaars zouden ook rechtstreeks hun zes afgevaardigden in het Vlaams parlement mogen kiezen (dit is zowat de enige onverdeeld positieve ingreep die wordt voorgesteld). En ten slotte zal de Vlaamse Gemeenschapscommissie nog eens uitgebreid worden met vijf mandaten. Die zullen echter worden verdeeld tussen de partijen, niet op grond van de Brusselse verkiezingsuitslag, maar op grond van de krachtsverhoudingen in het Vlaams Parlement. En alsof dat nog niet zou volstaan, wordt een nieuw systeem van apparentering tussen lijsten ingevoerd, die het mogelijk maakt om de stemoverschotten van de 'democratische' partijen binnen de 'democratische' club te houden.

Bij een bespreking in de Brusselse Hoofdstedelijke Raad voerde Vlaams Blokraadslid Erik Arckens voor een keer het woord in het Frans. Hij feliciteerde de Franstaligen met hun onderhandelingsstrategie. Aan Chabert wordt de grap toegeschreven: in 2005 komen twee Brusselse Vlamingen mekaar tegen op straat: «O, u bent ook een Brusselse Vlaming. En in welk parlement zetelt u dan?».

Een derde van de Brusselaars spreekt goed Nederlands

Ondanks het feit dat alle Brusselaars vanaf de derde klas de tweede landstaal aangeleerd krijgen, zegt slechts een derde van de Brusselaars goed of uitstekend Nederlands te kennen. En in dat percentage zijn ook de Brusselse Vlamingen inbegrepen. Nog eens 30% van de Brusselaars zegt 'redelijk' Nederlands te spreken. 37% spreekt het niet of spreekt hooguit enkele woorden Nederlands.

Deze gegevens zijn afkomstig uit een eerste neerslag van een grootscheeps taalonderzoek dat het centrum voor de Interdisciplinaire Studie van Brussel van de VUB, onder impuls van Els Witte heeft gevoerd. Tweeduizendvijfhonderd Brusselaars werden ondervraagd over hun taalachtergrond en taalgedrag. Het is voor het eerst dat een wetenschappelijk onderzoek van een dergelijke omvang plaatsvindt. Voor het eerst krijgen we ook een duidelijker profiel van de 'Brusselse Vlamingen'. Professor Rudi Janssens hanteert als criterium om de Brusselse Vlamingen te identificeren de taal die men in de huiselijke kring spreekt. Hij becijferde dat 9,3% van de Brusselaars thuis uitsluitend Nederlands spreekt. Daarnaast bezigt 10,1% van de Brusselse bevolking thuis zowel het Nederlands als het Frans. De mensen die thuis alleen Frans spreken maken slechts de helft van de Brusselse bevolking uit, want dertig percent spreekt nog een andere taal dan Nederlands of Frans thuis. Twintig percent spreekt Frans noch Nederlands thuis. In totaal werden in het onderzoek wel 300 talen of taalcombinaties geregistreerd.

Iets meer dan de helft van de Brusselse Vlamingen zijn niet in Brussel geboren (dat geldt trouwens voor de helft van de Brusselse bevolking). Merkwaardig is wel dat de inwijkelingen uit Vlaanderen lang niet allemaal Nederlandstalig zijn: dertig percent van hen zegt thuis altijd Frans gesproken te hebben. Het gaat hier niet om Franstaligen uit de rand, maar om inwijkelingen uit heel Vlaanderen. Het profiel van de Vlamingen die zijn ingeweken verschilt wel enigszins van de geboren Brusselse Vlamingen. Deze laatsten zijn gemiddeld een stuk ouder, ze wonen in de Noordwestelijke rand (met Koekelberg, Ganshoren, Jette en Sint-Agatha-Berchem als koplopers). Ze spreken door de band meer Nederlands met de vrienden, maar schakelen makkelijker over op het Frans in hun betrekkingen met de overheid. De ingeweken Vlaamse bevolking is een stuk jonger, vestigt zich bij voorkeur in het centrum, maar ook in Elsene, Schaarbeek en Sint-Lambrechts-Woluwe. Ze hebben een meertalige kennissenkring, maar staan meer op hun taal in hun betrekkingen met de overheid.

Aangezien dit het eerste onderzoek in zijn soort is, moeten evolutieve gegevens vooral aan de leeftijd van de respondenten gerelateerd worden. Er zijn dus wel een aantal gevolgtrekkingen die wijzen op een gunstige trend. Zo kan men aantonen dat het fenomeen van de 'intergenerationele' verfransing wel degelijk is gestopt. Alle Nederlandstaligen zonder uitzondering sturen hun kinderen naar Vlaamse scholen. Met een anderstalige partner wil men wel nog taalafstand doen. De helft van de Vlamingen in Brussel heeft een relatie met een Franstalige, en merkwaardig genoeg gaan de ingeweken Vlamingen sneller Frans spreken met hun partner dan de autochtone Brusselse Vlamingen. Toch lijkt ook in relatieverband het fenomeen van taalafstand te verminderen.

Het onderzoek speurde ook naar 'Franstalige Vlamingen', namelijk Franstalige Brusselaars wier grootouders nog Nederlands spraken. Blijkt dat men er met het vergrootglas naar moet zoeken. Wat betreft de groep Franstaligen die zeer goed Nederlandskundig zijn, zij hebben doorgaans een hoog opleidingspeil, ze sturen hun kinderen naar Nederlandstalige scholen of overwegen dat te doen, en ze verwachten dat het Nederlands in de toekomst nog aan belang zal winnen. Algemeen geldt voor de respondenten het Nederlands op de arbeidsmarkt trouwens als even belangrijk als het Frans. Wel is het zo dat de Franstaligen de vooruitgang van het Nederlands wel als een realiteit, maar niet als een gewenste evolutie zien.

Een aantal vragen in verband met het institutioneel model van Brussel leverden nogal verrassende antwoorden op. Zo blijkt 75% van de ondervraagden gewonnen te zijn voor tweetalig onderwijs. Bij de Vlamingen en bij de tweetaligen scoort de vraag naar tweetalig onderwijs zelfs nog hoger. Verder blijkt dat heel wat Brusselse Vlamingen op Franstalige lijsten hun stem uitbrengen, iets wat omgekeerd praktisch niet voorkomt. Eveneens ruim drie kwart van de Vlamingen zijn gewonnen voor tweetalige partijen. De onderzoekers leiden hieruit af dat er in Brussel toch een soort Brussels gemeenschapsgevoel bestaat dat haaks staat op het tweeledig institutioneel model.

Nochtans wenst 60% het bestaande model te handhaven. 36% wil dat Brussel nog meer als aparte entiteit wordt ontwikkeld. Twee percent is voor aansluiting bij Wallonië en slechts een percent wil aanhechting bij Vlaanderen. Merkwaardig genoeg zijn er toch drie percent die een integratie in Vlaanderen waarschijnlijk achten tegenover slechts 1,5% die denkt dat Brussel in de toekomst zal samengaan met Wallonië.

De onderzoekers stellen wel dat de bestaande instellingen niet noodzakelijk overboord gegooid moeten worden om aan het Brussels 'gemeenschapsgevoel' tegemoet te komen. Aandacht voor overleg met de andere gemeenschap, en een bepaalde open invulling van de bestaande instellingen kunnen op dat punt al heel wat teweegbrengen.

Bij de persvoorstelling van de studie, die trouwens een onderdeel uitmaakt van een veelzijdige nieuwe publicatie met tal van bijdragen over Brussel van taalsociologische en taalpolitieke aard, werd aan de vertegenwoordigers van het beleid een commentaar gevraagd. Sigurd Vangermeersch, adjunct-kabinetschef van Cultuurminister Bert Anciaux stelde dat de huidige verbeterde positie van het Nederlands mede het gevolg is van de uitbouw van Vlaamse instellingen, niet in het minst inzake onderwijs. Hij is er dan ook voor beducht om het tweeledig organisatieprincipe in Brussel in vraag te stellen, omdat het risico bestaat dat men daarmee meteen de succesfactor onderuithaalt. De praktijkvoorbeelden uit de bicommunautaire sector, meer bepaald de ziekenhuizen zijn alvast niet van aard om dat model als zinvol alternatief te beschouwen. Ten aanzien van de vraag om in Brussel tweetalig onderwijs te organiseren reageerde ook de vertegenwoordiger van Onderwijsminister Marleen Vanderpoorten, Jo Dero terughoudend. De minister is wel bereid om verder onderzoek in dit verband te ondersteunen. Maar de obstakels tegenover meertalig onderwijs liggen niet alleen in de taalwetgeving, zoals vaak wordt beweerd. Het Onderwijs in Eigen Taal en Cultuur ligt moeilijk bij de Vlaamse volksvertegenwoordigers. En het is ook zeer de vraag in hoeverre de leerkrachten bereid zijn om in een project van meertalig onderwijs te stappen. Wel wordt met de Franstalige onderwijsministers nagegaan wat gedaan kan worden om de uitwisseling van studenten en leerkrachten tussen Vlaanderen en Franstalig België te vergemakkelijken.

Lambermont en de Nieuwe Brusselaars

In het Etterbeeks gemeenschapscentrum De Maalbeek werd door de Louis Paul Boonkring, de Vereniging van Democratische Marokkaanse Organisaties (VDMO) en het Masereelfonds een debat gehouden over de migranten en de communautaire problematiek. Het initiatief kende een groot succes. Een honderdtal geïnteresseerden, onder wie een zeer aanzienlijk aantal migranten vond de weg naar De Maalbeek. Tarik Fraihi (VDMO) legde de aanwezige Vlaamse politici de vraag voor of de tweeledige structuur van Brussel, gebaseerd op twee taalgemeenschappen nog wel opgaat voor de multiculturele stad die Brussel geworden is, en in hoeverre de migrantengemeenschap als groep erkend kan worden.

Geen van de aanwezige Vlaamse politici wilde het bestaande tweeledig model in vraag stellen, ook niet Adelheid Byttebier, die hierover zei dat er Vlaamse scholen zijn en Franstalige scholen en géén Belgische. Zelfs in de hypothese dat men bijvoorbeeld een Turkse school zou willen oprichten, dan zal die nog bij één van de twee gemeenschappen moeten aankloppen voor erkenning. Wel vond zij dat de Vlaamse en Franstalige partijen meer bereidheid aan de dag moeten leggen om de diversiteit van Brussel aan bod te brengen, door allochtone kandidaten verkiesbaar op te stellen. De kansen die het Lambermont-akkoord nu biedt, met een verhoogd aantal Vlaamse mandaten binnen handbereik, zullen het de Vlaamse partijen alvast makkelijker maken om allochtonen in de parlementaire rangen op te nemen.

Ook Robert Delathouwer stelde zich op deze lijn. Hij reageerde ook krachtig toen een van de aanwezigen vroeg om het gesprek in het Frans voort te zetten (voor de niet-Nederlandskundigen was een beknopte samenvatting in het Frans voorzien). Hij zei dat het onmogelijk was om een dergelijk gesprek te organiseren in het Nederlands, het Frans, het Marokkaans, het Italiaans, het Grieks enz. Zo is het ook ondoenbaar om institutionele voorzieningen uit te werken voor al de verschillende etnische groepen in Brussel. Voorts vond hij het logisch dat het gesprek in het Nederlands plaatsvond, aangezien het initiatief uitging van Nederlandstalige organisaties. Om tegemoet te komen aan de wens om de migranten meer in het bestuur te betrekken verklaarde hij dat zijn partij voorstander is voor gemeentelijk stemrecht, en dat hijzelf voorstander is van algemeen stemrecht voor alle inwoners. Wat betreft de erkenning van de cultuur van de migranten gaf hij toch aan dat de Vlamingen op dat vlak heel wat meer openheid aan de dag leggen dan de Franstaligen. Hij citeerde het voorbeeld van de Marokkaanse voetbalploeg Atlas, die door de COCOF onder druk gezet wordt om het 'Marokkaans' uit de titelvoering weg te laten.

Tarik Fraihi haalde nog uit naar Cultuurminister Bert Anciaux, die een omzendbrief verstuurd heeft aan alle zelforganisaties waarin hij hen verbiedt nog langer een andere taal dan het Nederlands te gebruiken in hun publicaties. Dezelfde minister treedt echter niet op tegen Vlaamse jeugdhuizen die affiches in het Engels verspreiden. Hij stelt ook vast dat de zelforganisaties minder subsidies krijgen dan de Vlaamse sociaal-culturele organisaties die aan dezelfde formele criteria beantwoorden. Radicalere eisen kwamen uit de zaal: de Vlamingen hebben in het verleden goed begrepen dat om vooruit te gaan de krachtverhoudingen gewijzigd moeten worden, maar nu stellen ze zich op tegenover de migranten met dezelfde argumenten als destijds de Franstaligen hen behandelden. Waarom krijgen de allochtonen niet meteen een derde van de zetels toegewezen?

Guy Vanhengel antwoordde dat alles een kwestie van tijd is. Als tweeënveertigjarige heeft hij het in zijn jeugd nog herhaaldelijk meegemaakt van op de tram te worden uitgemaakt voor 'sale Flamand'. Thans is hij minister...De versoepeling van de naturalisatiewetgeving biedt de allochtonen kansen om te participeren. Het is ook aan hen om de uitdaging aan te gaan. Hij wil wel praten over garanties wat betreft lijstvorming, maar gegarandeerde posities binnen het partijapparaat zijn voor Vanhengel niet bespreekbaar.

Hoofdstedelijke Bibliotheek gefopt

In een gesprek met Brussel Deze Week herinnert Relinde Raeymaekers, directeur van de Brusselse Hoofdstedelijke Bibliotheek, zich de bouw van de gigantische Martinitoren aan het Rogierplein. Het gebouw groeide zienderogen: elke week kwam er een verdieping bij. Ze vraagt zich af wanneer de zeer succesvolle Vlaamse bibliotheek aan het Muntplein er eens een verdieping bijkrijgt. De beloften die VGC-voorzitter Robert Delathouwer nog maar enkele maanden terug deed omtrent de huur van bijkomende ruimte die de bibiliotheek ten goede zou komen worden echter niet ingelost. De 400 bijkomende vierkante meter die de VGC in hetzelfde gebouw heeft afgehuurd zullen ingepalmd worden door de kersverse vzw Cultuurcommunicatie die Delathouwer boven de doopvont houdt. De nieuwe instelling zal bevolkt worden met het stafpersoneel van Brussel 2000 en moet een tweetalig informatiecentrum worden inzake culturele initiatieven in Brussel. Waarom de staf van Brussel 2000 voor het Communicatiecentrum wordt ingeschakeld is een groot raadsel, aangezien de dure grap die Brussel 2000 geweest is, niet bepaald een grote uitstraling gehad heeft buiten de elitaire culturele cenakels, en er toch heel wat te doen is geweest omtrent juist het communicatiebeleid - of het gebrek daaraan - bij het belgicistische clubje. Zoals gewoonlijk staan de Franstalige overheden, met wie Delathouwer zo graag wil samenwerken, absoluut niet te springen om in het project te stappen. Intussen is Bert Anciaux bezig met de uitbouw van een centrum 'Onthaal en Promotie Brussel' dat in een van de belendende straten, aan de andere kant van de Muntschouwburg zijn intrek zal nemen. Dat onthaalcentrum zou er meer op gericht zijn de Vlamingen over Brussel te informeren. De twee initiatieven worden langs elkaar ontwikkeld. De visies van Vlaamse Gemeenschap en Vlaamse Gemeenschapscommissie staan haaks op elkaar. Met een eufemisme noemt men dit dan een 'tweesporenbeleid'. Intussen wordt wel de expansie van de succesvolle bibliotheek gefnuikt.

Vlaamse Gemeenschapscommissie heeft geld te veel

Even zag het ernaar uit dat de Vlaamse Gemeenschapscommissie een slordige dertig miljoen frank zou mislopen die moet dienen voor het onderhouden van de infrastructuur van de 22 Vlaamse gemeenschapscentra in Brussel. Jaarlijks krijgt de VGC daarvoor 50 miljoen van de Vlaamse Gemeenschap. Dat is niet echt veel geld, want om die fondsen wordt tussen de gemeenschapscentra, die vaak wel meer dan een likje verf kunnen gebruiken, wel eens een robbertje gevochten. Het mag dan ook een raadsel heten waarom de voor het jaar 2000 voorziene dotatie niet helemaal werd opgebruikt. Dertig miljoen was er over, maar, zo meende de VGC-administratie, die moesten nu teruggestort worden aan de Vlaamse Gemeenschap, omdat ze niet naar een volgend begrotingsjaar konden worden overgeschreven.

Dit klopte niet met de feiten, want de jaarlijkse dotatie van 50 miljoen 'niet-gesplitste kredieten' werd destijds door minister Brigitte Grouwels omgezet in 'gesplitste kredieten', die wel doorgeschoven kunnen worden naar een volgend begrotingsjaar. Bij de bespreking van een begrotingsherziening was Grouwels erop uitgekomen dat minister van Financiën Guy Vanhengel hier blijkbaar geen rekening mee had gehouden. Het euvel is nu recht gezet, maar het is weer eens een illustratie van de gebrekkige communatie tussen Vlaamse Gemeenschap en VGC.

Stukje Brusselse stadswal ontbloot

Aan de Treurenberg, tussen de Sint-Goedelekathedraal en de Koningsstraat, werden een aantal panden afgebroken. Daardoor werd een verborgen stuk van een van de vier Brusselse omwallingen zichtbaar. De geïnteresseerden zullen zich wel moeten haasten om er nog een glimp van op te vangen, aangezien de nieuwbouw alweer begint te vorderen en de wallen binnenkort weer aan het oog onttrokken zullen worden. In tegenstelling tot de vierde stadsomwalling die helemaal geslecht werd (behalve de Halletoren) om plaats te ruimen voor de kleine Brusselse ring, zijn er van de derde omwalling nog een aantal stukken over, onder meer te zien op de speelplaats van de Sint-Jorisschool aan de Cellebroersstraat. Aan de Keizerslaan staat nog een toren, en op de Zaterdagmarkt staat de zogezegde Zwarte Toren, die nu na de restauratie echter weer helemaal wit is. Helemaal authentiek zijn de bouwwerken niet want in de negentiende eeuw werden ze met de nodige fantasie gereconstrueerd.