Nummer 69


Terugblik | september 2001


De lange schaduw van de leider (Pol Van Caeneghem)<< Nummer 69

Midden de jaren vijftig ben je zestien, een scholier die lesloopt aan een katholiek college uit de provincie. Je bent radicaal Vlaamsgezind, maar stamt niet uit een milieu van ex- of neodinaso's. Waarom knijp je dan op zondag steevast het laatste kwartiertje van de zondagstudie eraf om je te wijden aan de lectuur van «In de leer bij Joris Van Severen»? Toegegeven: een beetje om die overigens doodbrave surveillant uit te dagen. De toespraken en artikels van de voormalige Dinaso-leider behoorden weliswaar niet tot de categorie zedenschennende literatuur die je steevast in het hellevuur deed belanden, maar verspreidden toch een zwavelgeur die men thans als politiek incorrect zou brandmerken. Dus schoof, de eerste keer dat ik door Van Severens teksten grasduinde, genoemde surveillant naar me toe, nam het boek ter hand en las er wenkbrauwfronsend een paar passages uit. Na restitutie gleed de eerwaarde lichtjes hoofdschuddend terug naar zijn katheder, waarbij je hem kon horen denken dat het alllicht nooit nog goed zou komen met die jongen. Maar hij liet me verder ongemoeid. het was zoals gezegd een brave kerel.

Natuurlijk was er met mijn lectuur meer aan de hand dan een wat branie-achtige poging tot provocatie. Nadat ik het fraai ingebonden exemplaar van «In de leer bij...» in een antiquariaat opdiepte, had ik mij gretig op de tekst gestort.

Wat mij daarbij in eerste instantie meesleepte, was het beeld dat Van Severen opriep van de aloude Nederlanden, die thans tragisch verscheurd waren in verschillende staten, maar zich zouden hervinden en herenigen in een bezielend toekomstproject. En het waren zijn Dinaso's die als breekijzer en voorpost zouden fungeren van deze hereniging. Dat ietwat vreemde letterwoord Dinaso werkte daarbij een beetje als een magneet, als een soort magisch codewoord dat de belofte inhield van een perspectief «waar geen kleinheid viel te ontwaren...». Tijdens die naoorlogse jaren was er een niet onaanzienlijk aantal individuen en groepjes actief dat op deze manier gegrepen werd door de herinnering aan Van Severen en zijn Heel-Nederlandse droom.

In het zoals altijd boeiende en keurig gepresenteerde jaarboek van het «Studie- en coördinatiecentrum Joris Van Severen», thans aan zijn vijfde uitgave toe, heeft historicus Bart De Wever een uitvoerige en stevig doortimmerde studie gewijd aan deze bewegingen waarin «de schaduw van de leider» is blijven nawerken.

Naargelang de eigen invalshoek en de doelgroep die men daarbij op het oog had, kon je daarbij grosso modo twee hoofdstromingen onderkennen: er waren de zogeheten Belgische neo-Dinaso's, naast hen die binnen of aan de rand van het Vlaams-nationalisme opereerden, waarbij er ook regelmatig dwarsverbindingen en overlappingen ontstonden.

Kernfiguur in de eerste groep was Louis Gueuning, een Waal die een paar dagen voor het uitbreken van Wereldoorlog II door Van Severen was aangesteld tot verantwoordelijke voor «de Romaanse gouwen». Gueuning nam tijdens de oorlog een attentistische houding aan en groepeerde een handvol getrouwen in een «Joris Van Severen-orde» die de nagedachtenis en het gedachtengoed van de vermoorde leider in besloten kring bleven eren.

Die lijn zou Gueuning in de na-oorlogse periode verder doortrekken. De beweging(en) die hij leidde, vatte hij naar binnentoe op als een soort kloosterorde, waarbij de leden aangespoord werden tot het uitbouwen van een specifieke levensstijl. Zo kon je bijvoorbeeld in «Het Gulden Vlies», een tijdschrift dat zich binnen de Gueuning-sfeer bewoog, ooit een artikel lezen waarbij tips werden gesuggereerd voor een Dietse inrichting van je woonkamer, naast voorstellen van een soort morgenmediatie in gelijksoortige stijl.

Maar de groep had ook politieke ambities naar de buitenwereld toe. Die werden dan naast de theoretisch-ideologische publicaties, geventileerd in bladen zoals «De Uitweg».

Hierin wordt gepleit voor een herstel van de Bourgondische Nederlanden, waarbij Vlaams-Waals federalisme werd afgewezen als separatisme, dat een aantal grote buurmogendheden als twistappel hanteerden om onze gewesten te verscheuren en daarna de buit onder elkaar te verdelen.

Op binnenlands vlak was het «partijenregime» de grote boosdoener van «De Uitweg» en consoorten. Aflevering na aflevering werd genoemd regime geschandvlekt als de bron van al onze kwalen. Steevast werden daarbij overzichten gepubliceerd van alle mogelijke betogingen en acties die in den lande plaatsgrepen. Aan deze manifestaties had de Gueuning-groep part noch deel en ze werden trouwens vaak op touw gezet door organisaties die men, zoals de vakbonden, rauw lustte. Maar men beschouwde deze vormen van agitatie als een verrottingsverschijnsel, een voorteken dat de onvermijdelijke ineenstorting van het partijenregime aankondigde. Dat zou dan de baan moeten ruimen voor een autoritair bewind onder leiding van de koning. Alleen, het verfoeilijke democratische partijenreigme was niet zo vriendelijk in te gaan op deze verzuchtingen...

Ook na zijn overlijden hebben diverse groepen de lijn van Louis Gueuning verder doorgetrokken en de auteur ontwaart in zijn bijdrage op heldere manier hun diverse vertakkingen.

Naast de Belgische neo-Dinaso's had je de tendens die in Vlaanderen ageerde binnen, aan de rand of ook tegen het Vlaams-nationalisme.

Bart de Wever heeft het in dat verband op een bepaald moment over «een spervuur van initiatieven» en het ligt niet in de bedoeling binnen dit kort bestek zijn grondig overzicht te trachten samenvatten. Wij willen ons beperken tot het aangeven van een paar hoofdlijnen.

Een aantal voormalige Dinaso's werden in de na-oorlogse jaren actief in een traditionele partijpolitieke formatie. Een vrij bekende figuur daaronder was Jef van Bilsen, die zich binnen de christen-democratische familie zou opwerpen tot Congospecialist en commissaris van de koning voor ontwikkelingssamenwerking. Een Alex Donckerwolcke stond mee aan de wieg van de «Christelijke Vlaamse Volksunie», terwijl Lode Claes en Leo van de Weghe Volksunie-senatoren werden. Aan de «Christelijke Vlaamse Volksunie» en de Volksunie was trouwens een allereerste Volksunie van pure Dinaso-inspiratie voorafgegaan.

Niet weinigen zouden zich daarna geroepen voelen om het allemaal van meet af aan te willen overdoen. Een typische figuur was bijvoorbeeld de Gentenaar Albert Brienen, die in 1949 zíjn «Joris van Severen-Orde» oprichtte, later geflankeerd door een «Dietse Militanten Orde». Nadat de beweging doodbloedde zou Brienen als nieuwe militantengroep het «Verbond van Vlaamse Turners» oprichten dat een tijdlang met de VMO samenwerkte. Wanneer deze laatste in 1971 officieel werd ontbonden, werd Brienen medestichter van een «Solidaristisch Verbond» om in 1974 uit de circulatie te verdwijnen. Parallel met het komen en gaan van deze groupuscules, volgde Brienen een grillige lijn tegenover het partijpolitieke Vlaams-nationalisme. Hij stond eerst afwijzend tegen de Volksunie, stelde er zich vervolgens positief tegenover om ten slotte opnieuw het blanco-stemmen te propageren.

Albert Brienen weze hier aangehaald omdat zijn voorbeeld vrij symptomatisch is voor het vaak heel vluchtige bestaan van allerlei pogingen om een neo-Dinaso op gang te draaien.

Hetzelfde kan gezegd worden van de publicaties die gewijd werden aan de figuur en het gedachtengoed van Joris Van Severen. Bart de Wever wijdt een apart kapittel aan deze tijdschriften. Zij kenden eveneens een dikwijls kortstondig bestaan. Op een paar merkwaardige uitzonderingen na dan. Zo is het maandblad «Delta» onder impuls van Vik Eggermont, thans aan zijn 37ste jaargang toe. En ook dit vijfde jaarboek heeft een verdere voorgeschiedenis als voortzetting van «Ter Waarheid met Joris Van Severen» dat in 1988 uit de startblokken kwam.

Waar de meeste neo-Dinaso-initiatieven vaak overwegend het feit waren van oud-gedienden van de beweging, is de na-oorlogse Dietse jeugdbeweging het enige trefpunt geweest waar overwegend jongeren Van Severen en zijn beweging hebben leren kennen.

Een sleutelfiguur in dat verband was jeugdleider Staf Vermeire. Te midden van de na-oorlogse repressiejaren zou hij zich als heel jonge kerel opwerpen als pleitbezorger van een onafhankelijke en dwarsdoor Heel-Nederlandse jeugdformatie. Staf was daarbij een grote bewonderaar van Joris van Severen, hoewel hij van het «Algemeen Diets Jeugdverbond» zeker geen copie wou maken van het vooroorlogse Dinaso. Maar tijdens herdenkingen, in publicaties en op vormingsstonden evoceerde hij telkens weer zijn voorbeeld. Hij zag Van Severen daarbij in eerste instantie als bezieler van een Heel-Nederlandse gedachte die door de jeugd verdergedragen moest worden. Daarbij beperkte hij zijn Dietse agitatie niet tot de jeugdbeweging.

Wie zoals uw dienaar ooit met hem mocht samenwerken, weet hoe rusteloos Staf steeds aan het plannen en organiseren was. Daarbij viel het niet altijd gemakkelijk zijn doorgaans verschroeiend werktempo bij te houden. Nu eens waagde hij zich aan een nieuw blad of de publicatie van een boek, dan weer infiltreerde hij binnen de Volksunie, om je dan te betrekken bij het stichten van de «Dietse Eedgenoten», waarna hij in een adem een debat op gang draaide via zijn anonieme «Rebellenbrieven» (waarin hij ooit een artikel schreef tegen zijn eigen persoon, maar dat is een ander verhaal). Wat alles bij elkaar nog maar een kleine greep vormt van de activiteiten waarmee Staf zich vol Gentse keikoppigheid in het strijdperk wierp.

De rode draad doorheen dit alles was zijn Heel-Nederlandse visie die hij aan een nieuwe generatie meegeven wou. Bart de Wever heeft wellicht geen ongelijk als hij daarbij stelt dat deze Dietse visie hoofdzakelijk onder de leiding van de jeugdbeweging heeft geleefd en minder tot bij het bredere ledenbestand is doorgedrongen. Maar Staf is daarbij toch een van de zeldzame figuren geweest die zoals gezegd een aantal jongeren met het Heel-Nederlandse gedachtengoed van het Dinaso wist te bezielen. Je vindt een paar van hun namen trouwens tot heden ten dage in een aantal gelijkgestemde publicaties en initiatieven terug.

Er steekt nog heel wat stof tot verder nadenken en eventuele discussie in Bart de Wevers studie, maar het wordt tijd voor een persoonlijk besluit. Wat mij bijzonder opviel is het grote aantal mensen dat in het na-oorlogse Vlaams-nationalisme van ver of dichtbij met Joris van Severen te maken heeft gehad en door hem beïnvloed werd, hoezeer men daarbij ook uiteenlopende wegen mocht opgaan. En tevens, denk ik dat, indien er thans nog in de rand van de Vlaamse beweging ergens een klein Heel-Nederlands waakvlammetje brand, een aantal neo-Dinaso's dat voor een flink deel op hun actief kunnen schrijven.

Bart de Wever. De schaduw van de Leider. Joris van Severen en het na-oorlogse Vlaams-nationalisme. In Joris van Severen, Jaarboek 5. Een uitgave van het Studie- en Coördinatiecentrum Joris Van Severen, Ieper, 2001. Info: Paddevijverstr. 2, 8900 Ieper, tel. 057/204 194.