Nummer 69


| september 2001


De natiestaat, noodzakelijk tussenstation voor de antimondialiseringsbeweging (François Duvoucoux du Buysson)<< Nummer 69

[De auteur is Fransman en essayist. Zijn recente boek heeft als titel Une histoire d'amour, essai sur la République.]

De top van Genua heeft nog maar eens de mobilisatiekracht aangetoond van wat men de 'antimondialiseringsbeweging' is gaan noemen. Deze beweging heeft essentiële begrippen die in onze individualistische samenleving teloorgegaan waren, zoals grootmoedigheid, maatschappelijk engagement en militantisme in ere hersteld en verdient daarom sympathie of op zijn minst belangstelling.

Tegenover de ongeloofwaardige politici die de grootmachten besturen en de aristocratie van raadgevers en technici die de weg banen naar een steeds brutaler en ongebreidelder kapitalisme, heeft de beweging het nochtans moeilijk om werkelijk het voetvolk te vertegenwoordigen. Want hoe aanzienlijk ze ook is, de verzameling militanten van honderd-en-een verenigingen maakt nog geen volksbeweging. Dat is jammer genoeg de ironie van het lot van al die jonge mensen. Zonder aarzelen leggen ze duizenden kilometers af om de rangen aan te vullen van die bonte betogingen, die inmiddels tot een rituele vertoning uitgroeiden. Maar ze vertegenwoordigen alleen zichzelf.

Voor- en tegenstanders van de antimondialisering zijn het inderdaad eens over de basisstelling dat de nationale dimensie niet meer ter zake doet om vat te krijgen op het wereldgebeuren, zowel vanuit economisch als politiek standpunt. Zonder enige twijfel zit daar werkelijk een ideologische grendel. En de antimondialiseringsbeweging slaagt er niet in die te doen springen, want de natie wordt gelijkgesteld met egoïsme, met het verleden, met inefficiëntie. En dat terwijl tot op heden de natie het enige bestaande forum van democratische expressie vormt. Als men die realiteit weigert te aanvaarden stelt men zich op buiten elk representatief systeem, gebaseerd op verkiezingen, dus op de volkswil (volkssoevereiniteit).

Het gaat hier om een bewuste keuze vanwege heel wat antimondialiseringsmilitanten. De voorzitter van Attac-Frankrijk, Bernard Cassen, zegt het heel duidelijk: «Wij bewegen ons op middellange termijn, dus voorbij de electorale horizon. Wij streven naar een mentaliteitswijziging, wij willen een andere kijk op de wereld creëren om zo de wereld te veranderen.»

Het is natuurlijk zeer lovenswaardig om voorrang te verlenen aan een intellectuele taak van lange adem veeleer dan onmiddellijke politieke acties te voeren, en zo bij te dragen tot het ontstaan van een bewust universeel burgerschap. Maar zoals Keynes al zei «op lange termijn zijn we allemaal dood», en als de strategie er dan in bestaat om vol te houden dat de symbolisch erg belangrijke maatregel van de Tobin-taks «algemeen zal zijn of niet zal zijn», betekent dit de gewisse dood van de idee zelf. Trouwens, het feit dat het Europees parlement in de lente van 2000 de Tobin-taks op een zelfs amper beleefde manier heeft verworpen, toont duidelijk aan wat we te verwachten hebben van de supranationale representatieve instanties.

Het lijkt verkieslijker om de belasting op speculatief kapitaal door een nationaal parlement te laten opleggen. Zo wordt het pad geëffend voor de geleidelijke veralgemening van de maatregel door andere landen.

Men hanteert vaak het argument dat een dergelijk scenario onmogelijk is, omdat zulk een, internationaal geïsoleerde, nationale stellingname, zonder verwijl zou leiden tot een massale kapitaalvlucht met een scherpe financiële crisis voor gevolg in het land dat op die manier uit de band springt. Maar dan vergeet men dat niet alle naties hetzelfde gewicht hebben, en dat sommigen hun wet kunnen opleggen aan de buitenlandse investeerders zonder ze daarom af te schrikken. De 35-urenweek heeft Toyota er niet van weerhouden om zijn Europese hoofdvestiging in Frankrijk te plaatsen. En de beursschommelingen die Coca-Cola in juni 1999 mocht verwerken na de beslissing van de Franse regering om miljoenen toxische blikjes uit de markt te nemen hebben aangetoond dat een gigantische multinational gerust de beslissingen kan verduren van een regering van een land met 60 miljoen inwoners. Gewoon omdat Frankrijk ook een markt van 60 miljoen consumenten is, die haast allemaal solvabel zijn dank zij de sociale herverdelingsmechanismen. Heeft China er vandaag de dag ook zoveel? Ook dat is een realiteit die niet ontsnapt aan de financiële analisten.

Het is tijd dat de twee kritische stromingen tegen de mondialisering, te weten de antimondialisten en de republikeinen, de handen in elkaar slaan. De eersten kunnen zich dan losmaken uit de anarchistische sfeer die hen buiten het democratische kamp stelt en hen doemt tot geweldpleging. De laatsten kunnen leren inzien dat de problemen zich werkelijk op planetaire schaal voordoen en niet beperkt blijven tot een nationaal belangenspel. Kortom, er moet een nieuw soort internationalisme komen, dat stevig op die twee pijlers rust.

Het is uiteindelijk dat samenspel dat door Jean Jaurès (een figuur die beide stromingen dierbaar is) voorvoeld werd toen hij schreef: «Een beetje internationalisme verwijdert ons van het vaderland, veel internationalisme leidt ons er weer naartoe».