Nummer 70


Vlaamse beweging | oktober 2001


Bruisend Brussel? (Antoon Roosens)<< Nummer 70

In de middens van de politiek-correcte Brusselse Vlamingen heeft men het gaarne over 'Bruisend Brussel'. Het zelfstandig Brussels gewest wordt er voorgesteld als een succes-story, een model van een bloeiende, harmonieuze samenleving. In het mei-juninummer van het Brussels Agalev-blad werd het nog eens mooi geformuleerd door Adelheid Byttebier: «Dank zij de institutionele zelfstandigheid - samen met de uitbouw van het Gewest en de investeringen van de Vlaamse Gemeenschap - bloeit Brussel het laatste decennium op.» Deze optimistische visie van onze officiële Brusselaars staat, helaas, haaks op de realiteit, zoals o.m. blijkt uit de statistieken van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid. Economisch en sociaal gaat het met Brussel bergaf, en dat precies omwille van die institutionele zelfstandigheid.

Sinds 1981 verloor Brussel 3,2% van zijn werkgelegenheid, terwijl het Vlaams Gewest er met 19,2% op vooruitging en zelfs het 'arme Wallonië' erin slaagde een winst te boeken van bijna 1%. Het aandeel van Brussel in het globale inkomen van België daalde van 10,5% in 1985 tot 8,6% in 1997. Het inkomen per hoofd daalde in Brussel, tijdens dezelfde periode, van 106% van het Belgische gemiddelde, tot 92%. De werkloosheidsgraad (verhouding van de werkloze werkzoekenden tot de totale beroepsbevolking) bedraagt 18,7% in Brussel, tegenover 8,8% in Vlaanderen. Zelfs Wallonië doet het beter, met 17,3%.

De achteruitgang van Brussel is bijzonder opvallend, wanneer men de evolutie nagaat van het aandeel van Brussel in de tertiaire werkgelegenheid. In 1981 was Brussel nog goed voor 23,3% van de totale Belgische dienstensector. In 1999 was Brussel gedaald tot 19,2%: een verlies van 4,1%. Nu werd de economische evolutie van de laatste decennia gekenmerkt door de enorme verschuiving van de werkgelegenheid, van de industrie naar de diensten. In alle ontwikkelde landen is de economische expansie nog uitsluitend het resultaat van de groei van de dienstensector. En het is precies de functie van een grootstad, waar ook ter wereld, het centrum te zijn van die dienstenactiviteiten. Elke grootstad dankt haar bestaan en haar bloei aan het feit dat zij de ontbetwiste groeipool is van de dienstverlenende bedrijven waarvan de werkingssfeer zich uitstrekt over het gehele land. Alleen Brussel faalt in dit opzicht.

Een meer gedetailleerde analyse van de evolutie van de werkgelegenheid in die dienstensector, toont aan dat Brussel de laatste jaren 18% van zijn werkgelegenheid verloor in de subsectoren distributie en horeca. Precies dàt, wat van een hoofdstad een 'bruisende stad' maakt, haar winkels, restaurants en cafés, gaat in Brussel verloren. Ook in de twee subsectoren van 'diensten aan bedrijven' en 'non-profitdiensten', waar nationaal en internationaal de sterkste expansie is waar te nemen, slaat Brussel een belabberd figuur. Van de totale aangroei van 447.406 arbeidsplaatsen sinds 1981 in deze beide subsectoren, haalt Brussel er nauwelijks 10% naar zich toe. Terwijl 20 jaar geleden het aandeel van Brussel in de tertiaire werkgelegenheid nog 23,3% bedroeg.

Alle economische en sociale indices wijzen erop dat Brussel de laatste 10 à 15 jaar achteruitgaat. En de kans is groot dat deze achteruitgang in de komende jaren versnelt tot een vrije val, nu er een periode van algemene economische stagnatie aanbreekt. De officiële stelling, als zou Brussel dank zij zijn institutionele zelfstandigheid opbloeien, is dus flagrant in strijd met de realiteit.

*
* *

Deze irrealistische kreten over een 'bruisend Brussel' weerspiegelen slechts de comfortabele positie van een bepaalde sociale en politieke laag van Brusselse Vlamingen. Dank zij de gewestvorming-met-drie bekleden een aantal Vlaams-Brusselse politici, in het geheel van de politieke klasse, een onevenredig grote machtspositie. En de gulle subsidiestroom die de franstalig-Brusselse machthebbers, in de opeenvolgende fazes van de staatshervorming, wisten te bedingen voor Brussel, vanuit de zak van de Vlaamse belastingbetaler, komt voor een deel ook terecht bij deze Vlaams-Brusselse politieke kliek. Dat laat hen dan toe om aan een achterban van enkele duizenden Vlaamse yuppies een baantje te bezorgen in een van die talloze instellingen en organisaties die, met het geld van Vlaanderen, in Brussel floreren. Geen wonder dat deze mensen de vurigste verdedigers zijn van de Brusselse zelfstandigheid (en van het Belgisch establishment), en dat zij niet willen weten van 'een Vlaamse schoonmoeder'. Wel van haar geld, natuurlijk. Om dan hun eigen bevoorrechte positie moreel te verrechtvaardigen, wenden zij voor te geloven dat niet zijzelf, maar de gehele Brusselse bevolking, wel vaart bij deze Brusselse zelfstandigheid. Het is allemaal erg menselijk, maar politiek is het propaganda van een bedenkelijk allooi.

*
* *

De teloorgang van Brussel is niet het gevolg van politieke onbekwaamheid van de Brusselse machthebbers. In dat opzicht overtreffen zij zeer ver hun Vlaamse collega's, zoals blijkt bij elke belangrijke onderhandeling. De oorzaak ligt bij de structuur zelf van Brussel-derde-gewest. Binnen de enge grenzen van haar 19 gemeenten is Brussel niet in staat om een aantal problemen, die de leefbaarheid van de stad in gevaar brengen, technisch op te lossen.

De reële sociaal-economische ruimte van Brussel strekt zich immers uit tot ver buiten de grenzen van het Gewest. Meer dan de helft van de mensen die in Brussel werken, wonen buiten dat gewest, in de rand. En de nieuwe werkgelegenheid wordt gecreëerd in die rand, niet in Brussel. De Brusselse machthebbers hebben geen greep op de reële ontwikkeling van hun gewest. De problemen van werkgelegenheid, ruimtelijke ordening, stadsontwikkeling en, vooral, van verkeer en communicatie binnen de reële grootstedelijke ruimte, zijn technisch onoplosbaar binnen de enge grenzen van het politieke gewest. Het Brusselse stadsnet van openbaar vervoer stopt aan de grenzen van de 19 gemeenten, terwijl de verkeersstroom tussen stad en rand aanzwelt naarmate de bedrijven meer en meer de stad verlaten voor de rand. En de toenemende verkeerschaos die daaruit voortvloeit, drijft steeds meer ondernemingen uit de stad. Er ontstaat een kringloop waar het Brussels gewest machteloos tegenover staat. Het nefast effect van dit alles wordt dan nog versterkt door de Vlaams-vijandige politiek van de Brusselse machthebbers. De openlijke sabotage van de taalwetten, het hysterisch verzet tegen elke poging van Vlaanderen om rechtstreeks in Brussel bepaalde projecten te financieren, de onwil van het franstalig Brussels onderwijs om een efficiënt onderricht van de tweede taal te organiseren, enz., enz., dit alles draagt er niet weinig toe bij de Brusselse bevolking af te sluiten van de mogelijkheid mee te profiteren van de onmiskenbare economische expansie van het Vlaams gewest, waarbinnen Brussel gekneld ligt als een eiland van armoede binnen een zee van voorspoed.

*
* *

Ook voor Vlaanderen is deze voortschrijdende verloedering van Brussel niet zonder gevaar. Door zijn geografische ligging zelf, en ook als gevolg van een honderdjarige centraliserende politiek van de Belgische heersende klasse, is Brussel spijts alles het centrum van Vlaanderen. Een belangrijk deel van de tertiaire sector van de Vlaamse economie is in en rond Brussel gevestigd. Het kan niet anders, of de dichtslibbing van Brussel, en de aftakeling van de kern van het Brussels stadsgebied, zal op termijn ook een negatief effect hebben op de productiviteit van de Vlaamse bedrijfswereld in het algemeen. Veel meer nog dan de lethargie van de Waalse economie, is de langzame verstikkingsdood van de Brusselse agglomeratie een hypotheek, die rust op de toekomstige welvaart van geheel Vlaanderen.

De tendens tot toenemende loskoppeling van Brussel van zijn Vlaams hinterland, tendens die is ingebouwd in de staatshervorming en aanzienlijk werd versterkt met het onzalige Lambermontakkoord, is nefast zowel voor Brussel zelf als voor Vlaanderen in zijn geheel.

*
* *

Er zijn twee oplossingen mogelijk, en slechts twee. Vroeg of laat zal tussen deze beide oplossingen een fundamentele keuze gemaakt moeten worden.

De eerste bestaat erin het Brussels gewest aanzienlijk uit te breiden, door de aanhechting van het grootste deel van Vlaams-Brabant en, eventueel, van een deeltje van Waals-Brabant.

Dat is de oplossing die, enkele maanden geleden nog, voorgesteld werd door een congres van de Franstalige economisten van België. Zij hebben - correct - berekend dat Brussel slechts leefbaar wordt mits de aanhechting van 34 gemeenten van Vlaams-Brabant en van de Waalse gemeente Waterloo. Gezien de bestaande machtsverhoudingen zal het deze oplossing zijn die - voorlopig binnenskamers - door het Belgisch establishment in overweging genomen zal worden.

Het is ten zeerste de vraag of, na deze operatie, Vlaanderen nog leefbaar zou zijn. Dit betekent immers het definitief verlies van Brussel, en de teloorgang van de unificerende invloed van een hoofdstad die van een volk een natie maakt. De ontwikkeling van een nieuwe hoofdstad is een zeer langdurig sociologisch proces. Ondertussen zal Vlaanderen psychologisch weer uiteenvallen: het oude graafschap Vlaanderen, het groothertogdom Antwerpen, en enkele kleinere heerlijkheden zoals het Land van Loon en de Kempen, elk met hun eigen dialect en hun eigen provincialistisch particularisme. De idee van één Vlaamse natie zal de amputatie niet overleven.

De andere oplossing is diegene, die de Vlaamse beweging zich steeds tot doel heeft gesteld. Totdat de Volksunie, onder de leiding van een groot Antwerps staatsman, door de goedkeuring van het Egmontpact aan de Belgische machtshebbers te kennen gaf dat Vlaanderen wèl bereid is het verlies van Brussel te incasseren! Die oplossing was, en is, de tweeledige Belgische confederatie, zoniet de eigen Vlaamse staat, vanaf de taalgrens tot het Noorden, met alles erop en eraan, Brussel inbegrepen.

Deze oplossing veronderstelt de vervulling van drie voorwaarden.

Ten eerste de groei van het besef, bij minstens een belangrijke laag van Franstalig Brussel, dat in de huidige situatie Brussel ten dode is opgeschreven, dat een aansluiting bij Wallonië slechts de teloorgang van Brussel zou versnellen, en dat de economische toekomst van Brussel in Vlaanderen ligt.

Ten tweede, de bereidheid, in Vlaanderen, om Brussel in zijn schoot op te nemen zoals het is: een overwegend Franstalige stad, die dat ook wenst te blijven, en die dus ook in Vlaanderen moet beschikken over de nodige instrumenten om zijn eigen culturele en persoonsgebonden aangelegenheden te regelen. Het zal, in het beste geval, verschillende generaties vragen vooraleer Brussel, na zijn aansluiting bij Vlaanderen, zich enigzins zal openstellen voor de Nederlandse taal en cultuur.

Ten laatste, maar vooral, de groei, in Vlaanderen zelf, van een authentieke Vlaamse politieke klasse. Een klasse die ermee ophoudt, uit kortzichtig eigenbelang, haar bestaan te verbinden met het voortbestaan van de Belgische staat, en die de draagster wordt van een nieuwe staatsidee. Dit betekent, in de praktijk, de verwijning van alle thans bestaande partijen in Vlaanderen.

*
* *

De Vlaamse beweging zou er best aan doen van nu af de geesten voor te bereiden op deze beslissende keuze: Vlaanderen mèt Brussel, of géén Vlaanderen.