Nummer 78


Het hart gelucht | juni 2002


Marc Reynebeau als voorbode van de volgende ronde VTM-isering? (Rudi Dierick)<< Nummer 78

Marc Reynebeau lijkt niet echt een vriend van de Vlaamse Beweging. Dat is zijn volste recht. Dat is echter géén vrijbrief voor steken onder de gordel zoals in 'De Taal is gans het volk' (Knack, 22 mei 2002). Verscholen in enkele pagina's met schijnbare kennis van zaken wemelt het van straffe stoten.

Het artikel opent met de stelling dat de brede Vlaamse Beweging zich enkel zou interesseren voor de eigen maatschappelijke promotie van het 'zeer klein aantal flaminganten', en niet voor de ellende van de 'gewone Vlaamse man'. Die snode Vlaamsgezinden zouden enkel aandacht gehad hebben voor culturele akkefietjes zoals de vernederlandsing van de Gentse universiteit. Tja, je zal, als Vlaamsgezinde, dus maar beter altijd eerst en vooral een sociale strijd voeren. Zelfs wanneer je persoonlijk een eerder culturele interesse zou hebben, gelieve dan toch altijd maar de problemen van de de kleine man voorrang te geven. Anders wordt je door de politiek-correcte pilaarbijters van deze tijden verketterd.

Even verderop moet, na de flamingant, ook die kleine Vlaamse man zelf maar niet teveel pretenties krijgen. In andere landen mag hij hopen dat zijn klinderen in zijn eigen taal naar school mogen. Niet zo hier. Het Nederlands, én de facto ook het recht op onderwijs in eigen taal, worden namelijk via een handigheidje in twee bewegingen gediskwalificeerd. Immers, al die Vlaamse boeren en arbeiders spraken toch geen cultuurtaal, maar slechts 'weinig meer dan een reeks lokaal erg verschillend klinkende dialecten, die op de sukkel waren geraakt'. Terzijde: is het niet eigen aan dialecten dat ze erg kunnen verschillen? Voorts: spreekt Marc Reynebeau hier over de vele dialecten, of over die ene taal van de Vlamingen, het Nederlands dus zoals de Vlamingen, inderdaad na enige verwarring, duidelijk kozen? Zijn redenering is wat vaag.

Gezien die (niet nader gespecificeerde) volkstaal weinig geschikt was 'voor het meer gesofistikeerde gebruik ervan, in bijvoorbeeld literatuur, onderwijs, wetenschap, bestuur of administratie', was het toch niet meer dan normaal dat die Belgische staat enkel het Frans als kultuurtaal erkende. Dat lijkt de redenering van Reynebeau wel. Of heb ik dat verkeerd begrepen?

Het Frans was dan misschien wel de taal van de adel en de haute-bourgeoisie in heel Europa, dat heeft de regeringen in al die andere landen met 'kleinere' talen zoals Nederland, Zweden en Denemarken niet belet om hun sociale ontvoogding te laten samengaan met het aanbieden van onderwijs, wetenschap, bestuur of administratie in de volkstaal. Nochtans beheerste in de 19de eeuw overal slechts een kleine deel van de bevolking de standaardtaal goed. Overal waren de dialecten dominant. Was het niet zo dat ten tijde van de Franse revolutie slechts een kleine helft van de Fransen het 'standaard-Frans', het Frans van Parijs, de 'langue d'oïl' begreep? Nochtans hebben al die dialecten de Zweedse, Nederlandse, Deense regeringen niet belet om hun volk in de eigen taal te dienen. Het is dus enkel Vlaanderen, waar men, anders dan in al die andere landen, ten gevolge van het beleid van de regering, niet in de eigen taal kon studeren, ambtenaar worden, wetenschap bedrijven, ...

Kortom, waren niet die Belgische regeringen van de negentiende en begin twintigste eeuw de uitzondering? Doet het terzake hoe slecht de gemiddelde Vlaming in 1830 zijn volkstaal sprak? Neen, natuurlijk niet. Welsprekendheid, geletterdheid en diploma zijn geen reden om de politieke en burgerrechten van deze of gene groep te verminderen. Zet juist dat soort redeneringen de democratisering van onze maatschappij niet op losse schroeven? Immers: de kleine man sprak nergens een mooie standaardtaal; hij had nergens veel school kunnen lopen, laat staan de hogere cultuuruitingen leren waarderen.

Valt Marc Reynebeau hier niet over zijn eigen bananenschil, door de sociale ontvoogding te willen loskoppelen van de Vlaamse ontvoogding? Zijn beide maatschappelijke evoluties niet -uit de aard van de zaak- zeer nauw met elkaar verbonden? Genieten ze niet beide dezelfde oerdemokratische legitimiteit?

Het Belgische beleid was daarbij zelfs niet een zaak van 'achterop lopen', maar van regelrechte tegenwerking. Moest niet elke stap vooruit door de Vlaamse beweging -en net zo goed door de sociale bewegingen- afgedwongen worden? Wat deden al die Belgische regeringen uit eigen zin en overtuiging voor de sociale én culturele ontvoogding, en voor de gelijkberechtiging, van de Vlamingen? Het Frans gaven ze wel voluit en uit eigen beweging alle erkenning én ruime middelen in het openbare leven. Had de regering niet alle macht, middelen en bevoegdheid om het Nederlands niet te discrimineren?

Moeten we niet besluiten dat, juist omwille van dat opvallende verschil in attitude vergeleken met de regeringen in andere 'kleine landen', er wel degelijk sprake was van een doelbewuste poging van de Franstalige burgerij (of van minstens van een deel daarvan, namelijk dat deel dat de ministers en hogere ambtenaren leverde) om in het kersverse België de volkstaal van de Vlamingen doelbewust 'naar Bokrijk' te verbannen? Dat daarbij een paar goedbetaalde conservators ('schrijvers en filologen die ermee omgingen') goed van pas kwamen doet niets af aan de flagrante miskenning die ervan uitging. Voor die Belgische elite lag er overduidelijk exclusieve nadruk op de 'Vlaamse culturele tradities' met wat lippendienst aan de dialecten, in tegenstelling tot de 'taal van het officiële openbare leven'. Kortom, hebben al die Belgische regeringen de Vlamingen en hun taal, het Nederlands als cultuurtaal niet doelbewust gediscrimineerd?

Is dat onderscheid van Reynebeau tussen 'volkstaal' en 'cultuurtaal' daarom juist niet de schaamlap waarachter het volksvreemde en anti-Vlaamse beleid van de Belgische regering deels verborgen, en deels goedgepraat wordt?

Reynebeau gaat daarbij nog niet zover als andere belgicisten die stellen dat 'het Nederlands' niet geschikt is voor literatuur, onderwijs, wetenschap, bestuur of administratie. Hij weet ongetwijfeld dat het Nederlands wel degelijk geschikt was als cultuurtaal, net zoals al die andere 'middelkleine' taal. Nederland bewijst dat voldoende. Het telt bijvoorbeeld in verhouding evenveel of zelfs méér toonaangevende wetenschappers dan Frankrijk. De berekening van aantallen Nobelprijswinnaars per miljoen inwoners is daarvan slechts één, benaderende, maar duidelijke aanwijzing. Het veralgemeend gebruik van het Nederlands in het openbare leven vormde voor die onderzoekers blijkbaar géén belemmering voor hun ontdekkingen!

Vandaar dan maar de omweg om een muurtje op te trekken tussen dialekt en standaardtaal en om dan die dialectische volkstaal ongeschikt te verklaren voor 'hoger' gebruik, maar wel in dezelfde adem ook het niet-invoeren van het Nederlands te minimaliseren en te vergoelijken?

Laag, héél laag lijkt me dat. Is dit -zij het met wat omwegen- hetzelfde als stellen dat, omwille van die lage verpreiding van de standaardtaal én omwille van het gebrek aan 'hogere' cultuuruitingen in de eigen taal, de Franstalige machthebbers dan maar gelijk hadden, en het recht ertoe hadden, om géén Nederlands toe te laten in officieel taalgebruik?

Is dat niet van dezelfde bedenkelijke morele orde als de stelling dat, op basis van (wel correcte en objectief verifieerbare) aantallen academisch afgestudeerden, wetenschappelijke publikaties en andere 'hogere culturele uitingen' bewezen was dat 'die domme massa toch niet bekwaamheid was tot wetenschap, technologie, cultuur, ...,' waarna de Afrikaners in 1948 in een pennetrek de zwarten en kleurlingen elke toegang tot hogere wiskunde en wetenschappelijk onderwijs verboden? Inderdaad, zwart Afrika heeft zelfs vandaag géén schitterende wetenschappelijke palmares. Maar daarom de zwarte Afrikanen uitsluiten van modern onderwijs, van wetenschap, ... is en blijft wel racistisch.

De Vlaamse beweging streefde dus naar de erkenning van de eigen taal. Statistisch gezien domineerde in de 19de eeuw het dialect. Nooit vroegen Vlaamsgezinden erkenning van de dialect. Al snel kozen ze ervoor om, voor de taalkundige norm, aan te sluiten bij de toen in Nederland reeds officieel erkende standaardtaal. Daarbij sloot de Vlaamse Beweging in één klap ook aan bij een reeds verder geëvolueerde norm.

Reynebeau houdt die verwarring tussen volkstaal en Nederlands lang vol. Véélzeggend is zijn bewering ten aanzien van de 'uiterst beperkte kring van de geletterde kleine burgerij' die 'weinig betekende maar wel hoopte cultureel iets te bereiken' en waar de flaminganten schreven 'in een door henzelf haast letterlijk uitgevonden taal'.

Moeten we dat serieus nemen?
1. Sinds wanneer zijn meningen pas respectabel indien ze door grote aantallen bijgetreden worden?
2. Hebben dan alleen diegenen die politiek en economisch wel véél te betekenen hebben recht van spreken? Zegt de democratie niet net het tegenovergestelde?
3. Vergeet Reynebeau soms even dat de geleidelijke ontwikkeling van het standaard-Nederlands initieel vooral gedragen werd door 'Noord-Nederlandse' taalkundigen zoals Siegenbeeck, de Vries en te Winkel, dat Vlaanderen daarna pas 'taalkundig' aansloot bij Nederland, en dat gedurende de twintigste eeuw de verdere evolutie van het Nederlands werd gedragen door taalkundigen in Nederlands-Vlaamse werkgroepen (spellingscommissies en andere) en, hier, door cultuurminnaars in de Vlaamse Beweging én erbuiten, zoals de bijvoorbeeld in de 'neutrale' NIR, later BRT. Bij mijn weten is het Nederlands dus nooit 'uitgevonden'! Het Nederlands kende een taalkundige evoutie zoals quasi alle andere talen, elk met zijn verschillende wortels en geleidelijke normering. Bij mijn weten hebben die flaminganten geen enkele verdienste aan die geleidelijke standardisatie van het Nederlands, en noch minder aan een taalkundige uitvinding.

Heeft dat 'haast letterlijk uitgevonden' van Reynebeau geen héél andere opzet dan de primaire betekenis van zijn woorden? Schuilt daar géén poging in om de legitimiteit van de Vlaamse verzuchtingen aan te tasten?

Ook verderop wemelt het van curieuze beweringen met een uitgesproken anti-Vlaamse ondertoon. 'De meeste flaminganten koesterden vanuit hun kleinburgerlijkheid' een onmiskenbare argwaan en zelfs misprijzen tegenover de 'gewone Vlaamse boer of arbeider'. Laten we nu even intellectueel eerlijk zijn: was zo'n misprijzen en argwaan toen niet het kenmerk van de burgerij in alle landen en in alle talen? Is het dan eerlijk om de Vlaamsgezinden en de Vlaamse beweging daarop specifiek te willen pakken?

Hoe komt het toch dat ik ineens denk aan ranzige boter? Is dit schandschrift van Reynebeau met zijn bizarre redeneringen en laster via achterpoortjes soms een teken van een VTM-isering van de tijdschriftenpers? Lui met mooie diploma's die zo'n kromme redeneringen durven neerpennen, om maar te zwijgen van de impliciete laster en de selectieve lezing van historische gegegevens die die lui overigens wel zouden moeten kennen. We spreken hier immers toch niet over cultuurbarbaren zonder het minste historisch besef?