Nummer 79


Het goede leven | september 2002


Het verhaal over een stadje in de Rioja, waar men het klappen van de zweep kent... (Christian Dutoit)<< Nummer 79

In de Rioja, de gekende Spaanse wijnstreek, ligt ten noorden van de Ebro een kleine stad die luistert naar de naam San Vicente de la Sonsierra, gekneld tussen Haro en de Baskische provincie Araba. Het stadje herbergt een aantal schitterende wijnhuizen als daar zijn 'Moraza', 'Sonsierra' en 'Ramirez de la Piscina', maar er is méér. De plaats trok reeds in de zomer van 1888 de aandacht van de Vlaamse dichter E. Verhaeren (1855-1916) die er zelfs samen met zijn vriend Dario de Regoyos (1857-1913) een boekje over schreef, 'España negra (1899) dat letterlijk eindigt met de volgende zin: "Si quelqu'un veut voir une Espagne du Moyen Age, qu'il aille un vendredi saint à San Vicente de la Sonsierra et s'il veut se laisser piquer, qu'il entre dans la confrérie noire." Een merkwaardig verhaal.

Het was niet Emile Verhaeren die mij prikkelde om het Riojastadje te bezoeken, maar wel mijn goede vriend Patrick Vandermeersch, een filosoof, theoloog en psychoanalyst die als godsdienstpsycholoog verbonden is aan de Universiteit van Groningen en onlangs een boek schreef La chair de la Passion. Une histoire de foi: la flagellation. Want daar gaat het over: jaarlijks, tijdens de goede week, om precies te zijn op Witte Donderdag en Goede Vrijdag, doet de plaatselijke bevolking er aan zelfgeseling ('autoflagellatie') als vorm van boetedoening. Het lijkt niet meer van deze tijd te zijn. Het is echter een eeuwenoude traditie die vroeger meer aanhangers telde dan vandaag, en een weinig in onbruik geraakt is. Vandermeersch schreef het boek niet als historicus, maar vanuit zijn eigen achtergronden. Toch is het uiteraard deels ook een historisch werk, waarvoor hij samen met een deskundig team uit Groningen (dat vooral uit protestanten bestond, die wel heel ver van deze praktijk staan) heel wat onderzoek verrichtte.

De zelfkastijding gaat heel ver terug in de geschiedenis en kent vele varianten (tot een dertigtal jaar geleden werd er nog gegeseld in onze Vlaamse kloosters. In San Vicente bestaat de traditie echter al - ononderbroken - minstens 450 jaar, en wordt er begeleid door een 'Broederschap van het Ware Kruis'. Alle lagen van de bevolking doen eraan mee, dus ook jongeren. Iedere "zelfgeselaar" wordt begeleid door iemand die er nauwlettend op toeziet dat de penitent tijdens de boetedoening de kalmte bewaart en niet in 'trance' geraakt. De geseling gebeurt met touwen uit vlas, en wanneer de rug een flinke beurt gekregen heeft voltooit een ouderling van het stadje, die terzake enige ervaring heeft, de boete door met een wassen bol voorzien van twee glasscherven voort de rug te bewerken. De rug wordt twaalf keer geprikt (ter herinnering aan de twaalf apostelen) tot het bloed gaat stromen. Daarna worden de penitenten naar het clublokaal van de broederschap gebracht (in een burcht) waar zij verzorgd worden met een lotion op basis van rozemarijn, om het leed enigszins te verzachten en ervoor te zorgen dat het ritueel zich jaarlijks kan herhalen.

Alles gebeurt anoniem, en het moet gezegd worden dat vrouwen uitgesloten worden van deze traditie. Zij kunnen echter wel op hun manier bijdragen tot het ritueel, door de processie blootsvoets en in het zwart gesluierd te volgen met kettingen rond hun enkels. De vrouwenemancipatie heeft echter ook hier toegeslagen, want sinds 1998 mogen ook vrouwen lid worden van de 'broederschap', voor zover ze beloven zichzelf niet te kastijden. De filosofie hierachter is - volgens de onderzoeker - dat "vrouwen de godsdienst tè ernstig opvatten, en dat zou schadelijk kunnen zijn voor de goede werking van de broederschap".

Merkwaardig is ook dat tijdens de processie geen gekruisigde Christusfiguur wordt meegedragen, maar en Wenende Moedermaagd, een Mater Dolorosa.

Ook eigenaardig is dat de bewoners van San Vicente allerminst happig zijn om veel uitleg te geven over deze merkwaardige traditie. In de afspanning El Torero op de grote markt, met een prachtige fontein met dobberende plastieken zwanen, gingen we de polsslag van het volk voelen maar waren de klanten op de snikhete namiddag van Onze-Lieve-Vrouw Ten Hemelopneming (15 Oogst) niet geneigd om er veel uitleg over te geven. Ze willen er duidelijk geen toeristische attractie van maken.

Waar komt nu die traditie vandaan en in welk opzicht verschilt zij van de massale Vlaamse en Henegouwse flagellantenbeweging van 1348?

De alleroudste roots liggen in het feit dat de bewoners van de stad deelnamen aan de Eerste Kruistocht. Dat is opmerkelijk, want in die duistere dagen waren er weinig inwoners van het Iberische schiereiland die zich geroepen voelden om op kruisvaart te trekken tegen de moslims, omdat de ongelovigen namelijk in eigen land zaten. Maar er is meer. De bewoners van San Vincente kwamen er zo ongeveer zonder verliezen van af, en dankten dit aan de persoonlijke tussenkomst van de Heilige Maagd, de zogenaamde Nuestra Señora de la Piscina (waarbij 'piscina' uiteraard niet slaat op 'zwembad', maar op 'doopvont'). De bewoners brachten een relikwie van het Heilig Kruis mee naar huis, en gingen die vereren in een speciaal daarvoor opgetrokken preromaanse kapel (in 1136) die als bij wonder nog steeds enkele kilometer te noorden van San Vincente in de blakende zon ligt. (De auteur merkt op dat er op dat ogenblik een florissant handeltje was in stukken van het Heilig Kruis, en dat ervan wel vijf (!) verschillende houtsoorten in omloop zijn.) De kapel staat pal bovenop een Keltische en dus heidense necropolis.

Het is niet duidelijk of ex-kruisvaarders onmiddellijk aan het zelfgeselen geslagen zijn, maar wel is zeker dat de middeleeuwers de praktijk kenden (ook in het heidense oude Rome werd er met zweepjes gewerkt tijdens de feesten ter ere van de afgod Lupercus, ook gekend als Pan).

Maar ook in het Oude Testament doet geseling het goed, waarbij wel gesteld werd dat er niet meer dan veertig opeenvolgende zweepslagen uitgevoerd mochten worden. Ideoloog van de zelfkastijding is Petrus Damianus (1007-1072), die echter veertig zweepslagen een beetje aan de lage kant vond. Ook de kritiek dat Christus zichzelf niet had gegeseld wees hij van de hand: als goddelijk wezen was Hij het tenslotte die er zelf over beslist had. Filosofie was dat de vroege martelaren vaak door anderen werden gegeseld, maar hoeveel godsvruchtiger was het dan niet om de roede aan zichzelf te slaan! Vergeten we ook niet dat in die tijd de biecht nog niet bestond (die werd pas uitgevonden tijdens het Vierde Concilie van Lateranen in 1215 en kwam slechts in de kerkelijke praktijk bij het Concilie van Trente (1545-1565).

De Nederlanden

Toch werd de zelfafranseling pas echt populair in de Nederlanden van de veertiende eeuw, na enkele experimenten in de spiritualiteit van de twaalfde eeuw.

De veertiende-eeuwse flagellantenbeweging, die quasi gelijktijdig liep met een zware epidemie van de zwarte pest en een lekenbeweging was, nam vooral grote afmetingen aan in de Nederlanden en in Centraal-Europa. Het ging niet om een miniclubje, want een tijdgenoot schatte het aantal aanhangers in Vlaanderen rond Kerstmis 1349 rond de 8.000, wat veel is voor die tijd. De officiële kerk zat wat verveeld met de beweging, omdat ze die niet goed onder controle had en die in een aantal Vlaamse steden massa-manifestaties organiseerde. Uiteindelijk veroordeelde een paus van Avignon de opstoot als 'ketters'. Zij wilden bijvoorbeeld niet op gewijde kerkhoven begraven worden en wilden het doopsel met water vervangen door een soort 'bloedbad'. De beweging, die ook gepaard ging met een opstoot van hevige anti-Joodse gevoelens, bleek een niet zo lang leven beschoren.

Maar terwijl de kerk wel de beweging bestreed, werd niet de zelfgeseling als dusdanig in het vizier genomen. Ze werd echter verwezen naar de binnenmuren van de kloosters, eerst door de franciscanen en daarna door de jezuïeten, die ze omschreven als 'de discipline'. Ook voor 'broederschappen' als die van San Vicente werd een uitzondering gemaakt. Maar er moesten wel strenge regels opgesteld worden, om te verhinderen dat één en ander uit de hand zou lopen. Die van de Cofradia de la Vera Cruz dateert uit 1551, de tijd van Trente dus. Er mocht vooral niet al te veel geïmproviseerd worden.

Nog steeds is er een zekere argwaan van de 'officiële' kerk tegenover deze mooie traditie, ook in de Rioja waar Opus Dei van oudsher stevig ingeplant is.

De protestanten stonden ook al erg huiverig tegenover de praktijk, maar die hadden weinig of geen aanhang op het Iberisch schiereiland.

Prof. Vandermeersch heeft het in zijn boeiende boek ook nog over o.m. sexologie, psychoanalyse en metafysica, maar dit zou in het bestek van deze aflevering van 'het goede leven' te ver leiden. Vermelden we enkel dat de praktijk in bepaalde periodes van de geschiedenis enigszins ontaardde en dat de overheid zich dan genoodzaakt zag om op te treden. In de achttiende eeuw bijvoorbeeld maakten veel rijken er een gewoonte van de flagellatie te laten begeleiden door flinke zwelg- en slemppartijen. Ze deden het ook om indruk te maken op vrouwen, want hoewel ze officieel wel gemaskerd waren, waren ze helemaal niet anoniem vermits ze zich lieten omgeven door hun hofhouding.

Een laatste detail: tijdens de jaren voorafgaande aan de Spaanse burgeroorlog, tijdens de Republiek dus, vonden de leden van de broederschap het wijselijker hun processies in open lucht tijdelijk op te schorten en ze te vervangen door bescheiden bijeenkomsten in de crypte van hun burcht (het doet een beetje denken aan de 'Oorlogsbedevaarten' in het Diksmuide van tijdens de laatste Wereldoorlog).

De auteur beëindigt zijn merkwaardig werk met een kort epilooghoofdstuk over 'San Vicente en Brugge'. Toch vond Vandermeersch niets terug in de archieven van de prestigieuze Congregatie van het Heilig Bloed te Brugge dat wijst op enige flagellatiepraktijk. Analoog met San Vicente is dan wel dat er ook een stuk van het Heilig Kruis aankwam. Rond 1300 vermeldt een inventaris van de verdwenen collegiale kerk van Sint-Donatius dit, maar Brugge was in die tijd een draaischijf van de wereldhandel in relikwieën.

De auteur vermeldt in zijn laatste paragraaf erg gegrepen te zijn door de tradities van San Vicente. "Ik weet niet of ik mij op een bepaalde dag zelf ga geselen samen met de leden van de Cofradia van San Vicente, en ik zou het u in elk geval ook niet mededelen. Maar als God het mij toelaat, dan wil ik U wel zeggen dat ik voort ga met hen een glas te gaan drinken, een sigaar te roken, te lachen en het 'Estrella del Mar' te zingen. Ook zo kan ik me inbeelden dat ik deelneem aan hun geloof. El hombre es un animal curioso."

Het verdient hoe dan ook aanbeveling, bij een bezoek aan de aangename Rioja-streek, een ommetje te maken langs San Vicente. En het nabijgelegen Haro, een centrum van de heerlijke Rioja-wijnen, ligt op een boogscheut en zal de liefhebber van gegiste druivensappen en Iberische ham zeker niet ontgoochelen. Je kan er zeer voortreffelijk tafelen en de prijzen zijn er al even aangenaam als de gerechten. Maar dat is een ander verhaal.

Patrick Vandermeersch. La chair de la passion. Une histoire de foi: la flagellation. Uitgeverij Les Editions du Cerf, reeks Passages, Parijs, 2002. 280 p. en voorzien van een uitgebreid voetnotenapparaat.