Nummer 79


| september 2002


Euro en dollar (Antoon Roosens)<< Nummer 79

Wanneer de euro op de wisselmarkt even stijgt tot één dollar, of iets meer, gaat de borst van onze perslui, politici en beroepseconomisten "van eed'le fierheid" zwellen: kijk, we hebben een sterke munt, we tellen mee! Deze stijging betekent evenwel niet dat de Europese economie plots beter zou presteren dan de Amerikaanse. Het is veeleer een optisch bedrog, gevolg van het internationaal muntstelsel waaronder we leven sinds het einde van de akkoorden van Bretton Woods, begin van de jaren zeventig. Het is niet de euro die stijgt, maar de dollar die valt. Met de intrinsieke waarde van onze munt heeft dat niets te maken.

Zoals iedereen weet is Amerika het centrum van het mondiaal kapitalisme. Zowat 60% van de grote multinationale ondernemingen zijn Amerikaans.Een goed deel van de rijkdom, in andere landen geproduceerd, wordt via deze ondernemingen naar Amerika overgeheveld. En sinds begin 1980 op bevel van deze mondiale groepen wereldwijd elke controle op de bewegingen van het kapitaal werd afgeschaft, vloeien niet allen het grootste deel van de ondernemingswinsten naar Amerika, maar worden ook de spaargelden van de gehele wereld overwegend belegd op de Amerikaanse beurs, of in aandelen en obligaties van Amerikaanse ondernemingen. Het water vloeit altijd naar de zee!

Dit laat de Amerikanen toe sinds tientallen jaren letterlijk 'boven hun stand te leven': zij verteren meer dan zij verdienen. De spaarquote, d.i. het deel van het gezinsinkomen dat niet wordt opgebruikt, ligt in Amerika sinds jaren rond de nul procent. In Europa is dat ongeveer 15%, in Japan meer dan 20%. Bovendien zitten de Amerikanen diep in de schuld. De gezamenlijke schuldenlast van de Amerikaanse gezinnen looptop tot 76% van het Bruto Nationaal Product, verhoudingsgewijze niet zoveel minder dan onze legendarische Belgische staatsschuld. Dit alles resulteert in een chronisch deficit op de Amerikaanse handelsbalans: er wordt maand na maand meer ingevoerd dan uitgevoerd. Dit deficit stijgt van jaar tot jaar en bedroeg, in mei jl., zowat 450 miljard dollar op jaarbasis.

Maar dit deficit wordt meer dan gecompenseerd door de toevloed van kapitaal naar Amerika: belegging van de spaargelden van de andere landen op de beurs van New York, ten belope van zowat 1.500 miljard dollar per dag. De Amerikanen hoeven zich dus geen zorgen te maken: de hele wereld betaalt, dag na dag, hun (valse) weelde. Tenminste zolang de mallemolen blijft draaien.

*

Nu kwam er begin van dit jaar even een kink in de kabel. Er kwam aan het licht dat, sinds ettelijke jaren, een aantal grote Amerikaanse ondernemingen systematisch hun boekhouding vervalsen, om hun verlies weg te moffelen en imaginaire winsten te kunnen publiceren, zodat zij verder kunnen putten uit het bodemloze vat van het naar Amerika toestromende kapitaal. Het gaat vooral om ondernemingen uit de sector van de informatie- en communicatietechnologie, de beruchte 'dot-com's', en uit de gedereguleerde en/of geprivatiseerde dienstensectoren zoals telecommunicatie, verkeer en vervoer, energie- en nutsbedrijven. Kortom, de sectoren die met veel blabla door de geleerde professoren de hemel werden ingeprezen als de 'nieuwe economie', het mirakel van de ultraliberale mondialisering die - mits enig geduld - de gehele wereldbevolking rijk zou maken.

In werkelijkheid maakten al deze bedrijven weinig of geen winst. Maar de liberale propagandamachine onderhield bij het brede publiek een klimaat van naïef enthousiasme (de 'irrational exuberance' waarvoor Alan Greenspan anderhalf jaar geleden reeds, tevergeefs, waarschuwde), waardoor de koers van de aandelen steeds hoger en hoger steeg. Toen de waarheid eindelijk aan het licht kwam, sloeg het grenzeloos vertrouwen van de goedgelovige speculanten plots om in een even diep wantrouwen. Zo is de mens nu eenmaal gemaakt. En de beurskoersen doken naar beneden.

Meteen stokte de molen die het het kapitaal aanvoerde waarmee Amerika zijn handelsdeficit dekte. Er vloeien nu méér dollars uit dat er binnenkomen. En de koers van de dollar daalt.

*

Met een 'sterke' euro heeft dit alles niets te maken. De reële koopkracht van de euro daalt integendeel van jaar tot jaar. De sterkte van de munt wordt bepaald door een zeer eenvoudig evenwicht. Het totaal van de geldmiddelen in omloop heeft altijd dezelfde waarde als het totaal van de goederen en diensten in omloop. Stijgt de geldomlooop sneller dan het volume van deze goederen, dan daalt de koopkracht van het geld. In Europa stijgt de geldomloop gemiddeld met 7 à 8% per jaar, terwijl de reële groei van de economie schommelt tussen 1 en 3% per jaar. Er is dus een onderliggende inflatie - of daling van de koopkracht - aan de gang van zowat 4 à 7%. Dat is trouwens de reden waarom Duisenburg, de voorzitter van de Europese Centrale Bank, hardnekkig weigert de rentevoet te verlagen en de geldkraan verder open te draaien, spijts de zakke prestatie van de reële economie in Euroland.

In het systeem van Bretton Woods werd de waarde van de munt uitgedrukt in verhouding tot de waarde van een concrete koopwaar: het goud. De dollar was rechtstreeks gekoppeld aan het goud, tegen de koers van 35 dollar voor 1 ounce (= 28,35 gram). De andere grote munten waren niet rechtstreeks aan het goud gekoppeld, maar onrechtstreeks, via de Amerikaanse dollar. Wanneer de prjs van het goud op de wereldmarkt steeg tot boven de 35 dollar per ounce, was dit een duidelijk signaal van een reële devalutie van de dollar.

Sinds de afschaffing van het systeem van Bretton Woods is geen enkele munt meer gekoppeld aan het goud, ook de dollar niet. De munten zijn zuivere abstracte symbolen geworden, die elke band hebben verloren met een concrete, reële waarde. De prijs van een munt op de wereldmarkt, haar koers, reflecteert nog uitsluitend de relatieve stroom van vraag en aanbod van die munt tegenover de andere munten. Indien alle munten aan hetzelfde ritme aan aankoopkracht winnen of verliezen, is er ogenschijnlijk geen enkele wijziging in de waarde van al die munten. Wanneer twee munten allebei aan koopkracht zullen verliezen, maar de ene minder snel dan de andere, dan zal de koers van de eerste munt stijgen tegenover deze van de tweede, ook al verliezen beide munten aan waarde.

Dat, en niets anders, was het mechanisme dat ten grondslag lag aan de stijging van de euro.