Nummer 79


Brussel | september 2002


Er was eens ... het "taalhoffelijkheidsakkoord" (David Vits)<< Nummer 79

Veertig procent halen op een toelatingsexamen en toch een contract krijgen. Dat kan alleen in de Brusselse gemeenten en OCMW's. Om aan de slag te kunnen bij die besturen is vooraf slagen in een examen tweede taal - een wettelijke verplichting - niet langer nodig. Slagen in het examen mag ook later, veel later ... Nederlandsonkundige ambtenaren worden stilaan meer de regel dan de uitzondering.

Sabotage

Eerst voerden de Franstaligen nog aan dat contractuelen volgens hen niet onder de taalwet zouden vallen. De Vaste Commissie voor Taaltoezicht en de Raad van State maakten al gauw brandhout van dit "argument". "Geen probleem. Als de wet ons geen gelijk geeft, dan saboteren we gewoon de toepassing ervan", zo moeten de Franstaligen gedacht hebben. En de oprichting van het Brussels Gewest gaf hen daarvoor het instrument bij uitstek: het toezicht op de lokale besturen. De vice-gouverneur mag onwettige aanwervingen dan al schorsen. Vernietigingen door de Brusselse regering blijven uit.

En het gaat niet om kleine aantallen, zoals minister-president De Donnea steeds opnieuw beweert. Vooral in de OCMW's loopt de situatie totaal uit de hand. De problematiek van het taalgebruik in de Brusselse OCMW-ziekenhuizen is bekend. Enkele cijfers: van de 847 aanwervingen in 1999 (laatst beschikbare cijfers) zijn er 637 niet in orde met de taalwet. Dat is ruim drie kwart (75,2%!). Daarvan werden er 536 "gedekt" door het eerste taalhoffelijkheidsakkoord. De andere werden geschorst door de vice-gouverneur, maar uiteindelijk vernietigde de Brusselse regering er maar twee (2!).

Niet onbelangrijk: voor de OCMW's is voor elke vernietiging de handtekening nodig van een Franstalige minister. Voor de gemeenten tekent alleen de minister-president. Maar ook dat is in de praktijk steeds een Franstalige.

Illegaal akkoord

Een Nederlandstalige reactie kon niet uitblijven. Bij de start van de vorige legislatuur werd afgesproken de problematiek op te volgen d.m.v. driemaandelijkse taalrapporten. Maar dit bracht geen soelaas. Over een andere boeg dan maar! Eind 1996 werden de Brusselse ministers het eens over het "taalhoffelijkheidsakkoord I".

Het akkoord bevatte drie krachtlijnen. Ten eerste moesten de gemeenten en de OCMW's "prioritair" uit een tweetalige wervingsreserve putten. Ten tweede zouden in "bijzondere nood" - bij uitputting van de reserve of voor tijdelijke vervangingen (zwangerschap, ...) - eentalige contractuelen gedoogd worden op voorwaarde dat ze na twee jaar wel zouden slagen voor hun taalexamen. Ten slotte werd aan de federale regering een "aanpassing" van de taalexamens gevraagd. "Onwettig!", zei de Vaste Commissie voor Taaltoezicht achteraf. Maar daar trokken vice-gouverneur en Brusselse regering zich niets van aan.

Midden 2000 verlengt de Brusselse regering de "regularisatieperiode"- het (onwettige) uitstel voor contractuelen om te slagen in het taalexamen - verlengd met twee jaar "in afwachting van de aanpassing van de taalexamens".

Eenrichtingshoffelijkheid

Die aanpassing is er nu. Op drie manieren wordt het taalexamen sterk versoepeld. Ten eerste door te foeteren aan de puntenberekening: geen strafpunten meer voor foute antwoorden. Verder door een duidelijker onderscheid te maken tussen de vereiste niveaus: elementair, voldoende of grondig. En ten slotte door de aanwezigheid van gewestambtenaren bij de beraadslaging van de examenjury. Een nieuwe verlenging van het taalakkoord - volgens de Franstaligen noodzakelijk omdat de taalexamens te moeilijk zijn - was dus niet langer nodig. Eindelijk zou ook gevolg gegeven worden aan het tweede deel van het akkoord: "niet tweetalig? buiten!". Zo leek het.

Niet dus! Op 19 juli ll. maakte de Brusselse regering het "taalhoffelijkheidsakkoord II". Drie krachtlijnen opnieuw. Ten eerste, de "oude" eentalige contractuelen krijgen opnieuw twee jaar respijt (totaal: zes jaar). Tegelijk wordt de deur opengezet voor de aanwerving van vele "nieuwe" eentalige contractuelen. Van de voorrang voor tweetalige contractuelen uit de wervingsreserve is geen sprake meer. En ten slotte, zegt de Brusselse regering zelfs na de regularisatie-periode "in uitzonderlijke gevallen" een oogje te zullen dichtknijpen.

Opmerkelijk: de Nederlandstalige ministers keuren het akkoord mee goed en zwijgen nadien in alle talen.

Voor drie Vlaamse verenigingen - de VVB, het VKB en het VVO - is de maat daarmee meer dan vol. Ze vechten het akkoord aan bij de Raad van State, daarin op de voet gevolgd door de N-VA. Uitspraak over enkele maanden.