Nummer 81


Binnenland | november - december 2002


CD&V en N-VA: wedijveraars of mededingers? (Theo Van Heijst)<< Nummer 81

De democratische Vlaamse beweging heeft sinds een jaar weer een politieke partij. Het gaat schijnbaar niet slecht met de Nieuw-Vlaamse Alliantie (N-VA): een tijdje geleden werd de tienduizendste lidmaat gevierd. Maar er is nog veel werk voor de boeg om bekendheid onder de bevolking te verwerven: de opiniepeilingen zijn soms belovend en dan weer niet. Maar op korte termijn zal de partij haar politieke identiteit toch nog duidelijker moeten omlijnen, ook naar zichzelf toe.

Het N-VA-programma (congres 4-5 mei Leuven) is geen slecht maar zeker ook geen perfect werkstuk. In ieder geval is een programma niet voldoende om de identiteit van een partij te bepalen. De methode om het doel -Vlaamse zelfstandigheid (1)- te bereiken, het gekozen doel-electoraat en de verhouding tot de andere Vlaamse politieke partijen zullen van enorm belang zijn.

Tot de huidige meerderheidspartijen, VLD, SP.A en Agalev, kan de N-VA zich vandaag en in de toekomst niet anders dan oppositioneel verhouden. Voor deze drie is het neo-belgicisme meer dan ooit de hoeksteen van hun existentie. Indien de N-VA ooit tot samenwerking met één of meer overgaat, pleegt ze zelfmoord. Met die andere oppositie-partij die zich uitdrukkelijk Vlaams-nationaal noemt, het uiterst-rechtse populistische Blok, mag het niet verder dan tot toevallige synergieën komen.

Cruciaal voor de N-VA zal dus haar verhouding tot de CD&V worden; cruciaal voor de huidige identiteit van het Vlaams-nationalisme is de verdere evolutie van de Vlaamse christen-democratie. Zal de CD&V verder imploderen of uitgroeien tot een te duchten oppositiepartij? Zal zij op korte termijn terug aan de macht komen? Zal de N-VA niet meer dan haar rechterflank of haar Vlaamsgezinde zweep worden? 'Zullen de herrezen christen-democratie en haar Vlaams-nationale scheurmakers weer tot elkaar komen?' Zal de kleinzoon van de stichter van de CVP ooit weer 'thuiskomen'? Begin november heeft de N-VA alleszins een 'ultiem' aanbod van de CD&V om bij de volgende verkiezingen samen een lijst te vormen afgewezen. De reden hiervoor kwam niet echt uit de verf.

Geschiedenis

Om de toekomst te kunnen inschatten en voorbereiden, bekijken we eerst eens hoe in de Europese geschiedenis de christen-democratie zich verhield tot het nationalisme.

De eerste christen-democraten, die als progressieve alternatieven binnen of buiten de gevestigde christelijke partijen werkten, waren anti-kapitalistisch en centrum-links. Maar hun afkeer van socialisme en etatisme hield de deur wel open voor het conservatisme. Al lagen de wortels veel vroeger, hun startsein hadden ze gekregen door de encycliek Rerum Novarum van paus Leo XIII (1891): de Rooms-Katholieke Kerk veroordeelde hierin de excessen van het kapitalisme maar ook het klassenconflict der marxisten, terwijl het standpunt tegenover democratie zeer ambivalent bleef. Katholieke ideologen spraken van "de revolutie dopen" of " de democratie sanctifiëren".

Van in het prille begin hebben christen-democraten overal in Europa een rol van betekenis gespeeld in de nationalistische en internationalistische politieke bewegingen. Maar men mag niet vergeten dat, zeker vóór W.O.I, de christen-democratische beweging moeilijk te plaatsen was en dat de typologie van haar partijen in Europa nog meer varieerde. Ze hielden zich op de eerste plaats bezig met de binnenlandse uitdagingen en de lokale politiek en daardoor verschilde de houding tegenover nationalisme sterk van land tot land. Voor Vlaanderen kunnen we zeggen dat de eerste, recalcitrante christen-democraten vooraan in de Vlaamse beweging stonden.

In het interbellum werden de meeste Europese partijen met een basisprogramma gestoeld op christelijke principes, die massa-aanhang zochten om mee te dingen in de electorale politiek, officieel christen-democratisch. Vaak gesteund door christelijke vakbonden (en dat zal buitengewoon belangrijk worden in Vlaanderen!), stonden ze links in hun engagement voor economisch interventionisme en sociale welvaartprogramma's, en rechts in hun verdediging van eigendom en de traditionele waarden van Kerk en gezin en in hun strijd tegen de secularisatie van de samenleving.

Waar de partijen de conservatieven opgeslokt hadden werden ze in wezen conservatief, waar ze in concurrentie met een conservatieve partij bleven, gingen ze het centrum bezetten. Maar overal preekten ze klassenverzoening en transnationale samenwerking. De christen-democratie is 'the original Third Way'.

Hier ontstond de algemene grondhouding van de Europese christen-democratie tegenover nationalisme: christen-democraten zijn tegen de 'versplintering van het Christelijke Europa en de Europese cultuur'. Zij zijn dus nooit volbloed nationalisten maar wel altijd patriotten: als goede christenen onderwerpen ze zich aan het gezag waarin men geboren werd. In constitutionele monarchieën zijn ze onvoorwaardelijk royalistisch. Wél steunt de christen-democratie vormen van cultureel nationalisme (lokale autonomie en verenigingsleven buiten de moderne staat). Een moderne, seculiere staat met meerdere nationaliteiten onderdrukt de culturele (christelijke) minderheden. De christen-democratie is dus tegen het 'heidens' staatsnationalisme en voor het sub-staatsnationalisme. Culturele autonomie en politieke decentralisatie, via subsidiariteit of federalisme, zijn beter dan een multiplicatie van soevereine natiestaten. Voor de Vlaamse christen-democratie geldt dan ook dat ze sinds de jaren 1920 officieel gematigd Vlaamsgezind is en sterk Europeanist.

Na W.O.II werden de christen-democratische partijen de dominante gematigd conservatieve of centristische partijen in West-Europa, met de nadruk op stabiliteit en vooruitgang, traditionele waarden en moderniteit, pluralisme en anti-communisme. Overal omarmden zij de liberale democratie en zijn zij voor een welvaartsversie van het kapitalisme waarin de basisbehoeften verzekerd worden en de loontrekkenden een vorm van inspraak hebben. Hun succes in het aantrekken van zakenbelangen, middenklasse-elementen en niet-radicale arbeiders maakte hen een 'verlicht' alternatief voor links. Maar ze namen meer stemmen af van de conservatieve partijen en werden uiteindelijk zelf vrij conservatief. Waar een christen-democratische partij aan de macht kwam, alleen of in coalitie met liberalen of sociaal-democraten, was en is dat meestal rechts van het centrum. Dit was en is moeilijk te aanvaarden voor sommige christelijke intellectuelen en vakbondsmilitanten.

In de late 20ste eeuw zijn de meeste christen-democratische partijen verworden tot catch-all-partijen van centrum-rechts, die zich met zorg niet te sterk ideologisch onderscheiden van andere massa-gebaseerde partijen en die een wijd gamma van middenklasse-stemmers en -belangen groeperen. Ze gingen coalities aan met haast elke andere partij, om maar in het machtscentrum te kunnen blijven. De Vlaamse CVP is dan ook typisch voor de West-Europese christen-democratie: zeer sterk in de 15 jaren na de oorlog, een daling in de jaren 1960 en begin 1970, een stijginkje eind jaren 1970 en begin 1980 en sindsdien blijven achteruitgaan. Sinds 1945 heeft de CVP/CD&V meer dan de helft van haar aanhang verloren. En sinds 1999 zit ze in de oppositie...

Ideologie

Als je even geen rekening houdt met Belgisch-communautaire standpunten en je gaat uit de programma's de ideologie puren, dan kan je niet anders dan grote overeenkomsten tussen de Vlaamse christen-democratie en het democratisch Vlaams-nationalisme vaststellen. Dit gold al voor de (Christelijke) Volksunie tegenover de CVP en geldt vandaag voor de N-VA tegenover de CD&V. Oudere CVP'ers beschouwen de Vlaams-nationalisten nog altijd als schismocraten. Het water lijkt dus niet te diep.

De N-VA-voorzitter spreekt van 'ons' communautarisme en de CD&V blijft bij het sociaal-personalisme. Beide centrum-ideologieën hebben het over persoonlijke vrijheid en individuele verantwoordelijkheid die samengaan met het groot belang van de natuurlijke sociale verbanden en aandacht voor de gemeenschap.

Beiden zijn voor een functionele samenhang binnen de maatschappelijke ordening en sociale harmonie: de normen voor politiek en maatschappij moeten door de gemeenschap gevormd worden en mogen geen loutere versmelting zijn van individuele voorkeuren en belangen.

Beide denkwijzen zien de algemeen verspreide corrosie van normen en waarden als oorzaak van het om zich heen slaande individualisme. Het liberalisme zou de rechten van het individu tegenover staat en gemeenschap overaccentueren en daarmee gaan de individuele verantwoordelijkheidszin en de verplichtingen aan maatschappij en gezin verloren.

Beide ideologieën weigeren economische oorzaken voor maatschappelijke dysfuncties te aanvaarden maar vinden wel dat de democratische staat de markteconomie in sociale en ecologische zin moet corrigeren.

Beiden hechten veel belang aan het middenveld (de civil society), aan pluralisme, subsidiariteit, decentralisatie en pragmatisme maar voor beiden blijven kwesties van de gewenste relatie tussen de gemeenschap, de natie en de staat intellectueel iets te contentieus.

Praktijk

Bij dit laatste begint het schoentje reeds te wringen. Al staan beide partijen dicht bij elkaar in hun centrisme, hun moralisme en de federale gedachte, de praktijk moet hen scheiden. De boven beschreven christen-democratische grondhouding liet de CVP toe haar unitarisme te veranderen in federalisme en laat vandaag de CD&V toe in de oppositie hun federalisme in confederalisme om te vormen (de deelstaten krijgen het overwicht), maar verder kunnen zij nooit ofte nooit gaan. De officiële Vlaamse christen-democratie is in origine en door haar jarenlange regeringsdeelname en haar huidige regeringszucht fundamenteel belgicistisch. Hun denkkader kan niet buiten België gaan. Trouwens, de macht van de christelijke arbeidersbeweging (ACW), haar belangrijkste pijler en ooit de motor van Vlaamse emancipatie, is door de unitaire structuren van ziekenfonds en vakverbond sterk gehecht aan de Belgische sociale zekerheid en neo-corporatisme. De nomenklatura van het ACW staat vandaag vooraan in de belgitude en houdt de gewone loon- en weddetrekkende, van nature uit potentieel zeer Vlaamsvoelend, weg van de Vlaamse beweging door er het odium van extreem-rechts aan te kleven. Gevolg is zelfs dat meer en meer ACW'ers voor het post-materiële Agalev gaan stemmen.

Ook vandaag, in de oppositie, is de CD&V intrinsiek een standenpartij: de makelaar tussen allerlei belangengroepen. Interne democratie, ideologie of implementatie van het partijprogramma zijn niet zo belangrijk als het winnen van verkiezingen. Vandaar dat de VLD nu kan claimen de rol van belangrijkste politieke middenpartij overgenomen te hebben.

Volkspartij

Centrisme is een generieke term voor politieke bewegingen en partijen die, principieel of uit electoralisme, het midden zoeken tussen de krachten van conservatief rechts en de 'omwentelingen' van links. Het is meestal een eufemisme voor centrum-rechtse partijen - zelfs als een partij van zichzelf zegt dat ze centrist is, is haar positie niet echt duidelijk. Meestal zwakken ze hun ideologisch profiel af ten gunste van een gematigd, pragmatisch en zelfs 'managerieel' programma. Maar centrisme betekent ook vaak het vermijden van diepgaande keuzes en verstrekkende beslissingen, wat de laatste decennia voor de CVP gold.

In de jaren van de industrialisatie van Vlaanderen kon de CVP wel de centrum-volkspartij bij uitstek zijn. Wanneer vandaag daarentegen de VLD de brede centrum-partij wil worden door te stellen dat links en rechts voorbijgestreefd zijn, staat dat voor totalitair neo-belgicistisch liberalisme. De VLD kan nooit uitgroeien tot een volkspartij...

Een volkspartij is niet noodzakelijk van het centrum: het is een partij die de belangen van de grote massa der gewone mensen voorstaat. Dat betekent in het huidige Vlaanderen met zijn post-kapitalistische diensteneconomie dat een echte volkspartij democratisch nationalistisch moet zijn. De CD&V en de actuele regeringspartijen mogen dan wel drummen om 'het' politieke midden, het gaat om het centrum van het verleden.

Indien de N-VA meent een centrum-partij te moeten zijn, beseft ze beter dat het centrum van het politieke spectrum verschilt van land tot land, van natie tot natie, van ideologie tot ideologie en van tijdperk tot tijdperk. Zij zal dus in haar streven naar een Vlaamse republiek het politieke centrum moeten verschuiven. Zij moet de volkspartij gericht op de toekomst worden d.i. op de eerste plaats de verdediger van de meerderheid aan werkers uit de particuliere en publieke dienstensector. Daar ligt haar identiteit.

Tot nader order kunnen CD&V en N-VA geen wedijveraars zijn in de strijd om Vlaamse soevereiniteit. Zij blijven mededingers in het antagonisme België-Vlaanderen. Indien men ooit tot vormen van samenwerking wil komen, is het niet meer aan de Vlaams-nationalisten om water in de wijn te doen: eerst en vooral zal het kader van de Vlaamse christen-democratie fundamenteel moeten veranderen.

(1) Voor de Vlaamse beweging in het algemeen is onafhankelijkheid een middel maar geen doel; voor een Vlaams-nationale partij is het dat wel.