Nummer 82


"Ceterum censeo Bolognam delendam esse" | december 2002


Interview met Karin Verelst en Dirk De Smedt over 'Bologna' (Bernard Daelemans)<< Nummer 82

De weerstand tegen het Bolognadecreet begint concretere vormen aan te nemen. In het bijzonder aan de VUB begint de academische wereld zich los te maken uit de min of meer apathische houding die tot voor kort aan de dag gelegd werd ten opzichte van de ingrijpende hervormingsplannen van de Vlaamse regering inzake het hoger onderwijs. Gangmakers van dit verzet zijn de wetenschapsfilosofe Karin Verelst en economist Dirk De Smedt. In een gesprek met Meervoud ontmaskeren zij de ware aard van het Bolognadecreet dat véél meer inhoudt dan een Europese 'harmonisering' van graden, maar dat - als het erdoor komt - ons hoger-onderwijslandschap onherkenbaar zal veranderen en zal herscheppen in een commercieel marktgebeuren. Er komt een universitair 'kastensysteem' met 'top' en 'bottom'-universiteiten. De top zal natuurlijk onbetaalbaar zijn voor de gewone sterveling, en het geheel staat volledig ten dienste van het bedrijfsleven. Van enige maatschappijkritische functie zal geen sprake meer zijn...

- Er zijn vier officiële argumenten vóór Bologna...

Dirk De Smedt: Men ontwikkelt een argumentatie om Bologna in onderwijsmiddens en door de publieke opinie te laten verteren. Het eerste argument is de vergelijkbaarheid van diploma's. Dat slaat nergens op, aangezien vandaag de dag de Belgische diploma's en in wezen alle Europese diploma's reeds erkend worden. Daar is geen discussie over. Als Belgisch afgestudeerde word je overal ter wereld toegelaten op basis van je diploma, zowel in andere universitaire opleidingen als op de arbeidsmarkt. Een tweede argument is het 'belang van de studenten'. Zij zullen een grotere mobiliteit kennen binnen het Europese hoger onderwijssysteem, zegt men. Ook dat is vandaag reeds een feit. Men heeft Europese projecten, men heeft interuniversitaire samenwerkingsverbanden die toelaten dat je als student tijdens je opleiding een jaar of een half jaar in een ander land je opleiding kunt opbouwen. Hoop en al ontstaat er al eens discussie over een of ander vak dat niet in het curriculum is opgenomen, maar ten gronde speelt dat geen rol.

Karin Verelst: Het zou wel eens kunnen dat de mobiliteit vermindert met Bologna. Heel de hervorming is geïnspireerd op het Amerikaans model waar je 'centers of excellence' hebt en minderwaardige universiteiten. Er geldt een 'ranking', een rangschikking van de universiteiten. Terwijl je op dit ogenblik op grond van diploma's overal toegang hebt, zal je dan - zoals nu in de Verenigde Staten het geval is - een berg administratie moeten doorworstelen indien je wil verder studeren aan een universiteit die hoger gerangschikt is dan degene waar je vandaan komt. Als die universiteiten zich ook nog eens gaan organiseren in netwerken, zoals de KULeuven expliciet wil (cfr. Hun Coimbranetwerk), deels op grond van ideologische oriëntatie, dan sluiten de deuren zich definitief voor buitenstaanders. De reële mobiliteit zal verminderen. Wie in Oxford wil studeren, maar niet van de KUL komt krijgt het moeilijk. Men komt tot een stratificatie van universiteiten, een soort kastensysteem.

Dirk De Smedt: In de perfide Vlaamse logica heeft men nog een derde argument. Men laat de idee van onderwijs in eigen taal los, en stelt het Engels prioritair. Wie aandachtig het ontwerp leest, kan alleen maar concluderen dat Engels in de toekomst in het hoger onderwijs de norm wordt, en dat het Nederlands het bijvoegsel wordt dat men eigenlijk mag vergeten. Men moet goed de maatschappelijke gevolgen daarvan overzien. Het heeft een rechtstreekse impact, niet alleen op de democratisering van het onderwijs, maar ook op de ontwikkeling van de taal zelf. Als men geen wetenschap meer beoefent, en geen wetenschappelijk onderwijs meer organiseert in die taal, dan sterft die taal af, per definitie.

Karin Verelst: Het vierde argument dat steeds wordt aangehaald is dat de GATS ons zal verplichten om de onderwijsmarkt open te gooien. Het punt is natuurlijk dat er op dit ogenblik geen onderwijsmarkt bestaat. Het is waanzin: om onze onderwijsmarkt niet te laten inpalmen door de Australiërs en de Amerikanen, zullen we dan maar zelf onze onderwijsmarkt maken. Immers, de dam die nu waterdicht is, en toch onderwijsvrijheid garandeert, zonder dat het een markt is, gaan we opblazen. Dan kan men nog zitten kraaien dat we die markt gaan 'reguleren' en beperkingen opleggen enz. Maar dat haalt niets uit. Dat hebben we ook gezien met de commerciële televisie. De eerste stap die gezet wordt is fataal. Men veroorzaakt een dijkbreuk, die door niets meer gestuit kan worden. Bovendien zijn we niet verdragrechtelijk gebonden aan de GATS, tenzij we het zelf willen. Het basisverdrag is weliswaar onderschreven, maar voor elke concrete maatregel die onderhandeld wordt is telkens opnieuw een ratificatie nodig. Bovendien heeft de Europese Unie niet het recht om over onderwijs te onderhandelen, omdat dat een bevoegdheid is die expliciet onder de soevereiniteit van de lidstaten valt. Zelfs al zouden we de GATS-bepalingen ratificeren, dan zijn we nog gebonden aan andere, eerder aangegane verdragsrechtelijke verbintenissen zoals het Sociaal Charter en de Verklaring van de Rechten van de Mens, waarin staat dat lager onderwijs gratis en verplicht moet zijn, dat het middelbaar onderwijs gratis moet zijn, en dat het hoger onderwijs de kostenloosheid moet nastreven. Op grond van deze bepalingen heeft de Raad van State al geoordeeld dat een stijging van het inschrijvingsgeld met meer dan de index onwettelijk is. Overigens is er wereldwijd al heel wat protest geweest tegen de demarche van de GATS om het hoger onderwijs op de lijst van diensten, vatbaar voor liberalisering, te zetten. De Canadezen hebben naar verluidt ook een veto gesteld om hoger onderwijs in de GATS-regelingen op te nemen.

- Waar wil men met Bologna echt naartoe?

Karin Verelst: Men wil naar een systeem waar alle diploma's aan dezelfde regels voldoen. Maar tegelijkertijd kwalitatief niet aan dezelfde waarde beantwoorden. De reden is dat men zoveel mogelijk af wil van de staatsfinanciering van het hoger onderwijs, en de 'derde geldstromen' (uit de privésector) doen toenemen. Men streeft ook naar schaalvergroting. Men krijgt dan een Vlaams universitair landschap met Gent en Leuven als assen (Gent ook maar voorlopig, want de uiteindelijke doelstelling is dat Leuven 'van de Maas tot aan de Noordzee, zoals ze het zelf expliciet zeggen, de ene topuniversiteit wordt), met daarnaast een paar dank zij het grondwettelijk kader zichzelf nog overlevende instellingen. Die zullen echter niet volledig zijn, als gevolg van allerlei rationaliseringscriteria, en als gevolg van de accrediteringsnormen. Je krijgt dus één of twee instellingen die alles zullen mogen inrichten en daarvoor ook gefinancierd zullen worden. Een aantal instellingen zullen mogen blijven bestaan met enkele richtingen, die enkel nog het bachelor-niveau zullen mogen aanbieden, en hier of daar nog een licentie. Die zullen zich dan vooral mogen toeleggen op opleidingen toegespitst op de arbeidsmarkt. We zullen ook een semester-systeem krijgen, dat trouwens nu al in voege komt, hoewel het niet eens in het Bolognadecreet staat. Cursussen worden dus opgedeeld in kleinere stukken. Dat betekent dat men heel wat achtergrondinformatie moet weglaten. Op lange termijn krijg je mooie gemoduleerde cursus-eenheden, die het voorwerp zouden worden van een soort ISO-norm. Men komt dan in een logica dat een prof beoordeeld wordt op het handboek dat hij gebruikt heeft, dat moet voldoen aan de kwaliteitscriteria. Dat is dan natuurlijk een Amerikaans handboek. Een eigen cursus schrijven is 'not done'. Men krijgt dan een markt met intellectueel eigendom van bedrijven die cursussen verkopen. Die zijn dan natuurlijk volledig geijkt naar de behoeften van de arbeidsmarkt. De bedrijven die dat doen zijn inderdaad bedrijven, zoals de Europese Commissie letterlijk zegt: 'Open Universities are Enterprises'. Dat systeem wil men veralgemenen. Samengevat: je krijgt een landschap met top- en bottomuniversiteiten, een soort kastensysteem, waarbinnen de mobiliteit quasi onbestaande zal zijn; ten tweede een opdeling van het curriculum in hapklare brokken, die een flexibiliteit toelaten zoals de flexibiliteit die geldt op de arbeidsmarkt. De cursussen kunnen onmiddellijk aangepast worden aan de evoluties in het bedrijfsleven; ten derde, de harmonisering op het niveau van de taal: heel snel zal het grootste deel uitsluitend in het Engels worden aangeboden. Ten vierde zullen de hoogst gekwalificeerde 'centers of excellence' heel duur worden. De 'lagere'opleidingen zullen de democratisering van het onderwijs moeten waarmaken. Om KUL-rector Oosterlinck te citeren: "Wij zijn niet tegen de democratisering van het onderwijs, maar dat hoeft niet aan elke Universiteit".

- Wat is de functie van het instellen van 'bachelors' en 'masters'-graden?

Dirk De Smedt: Vooreerst de vaststelling dat het huidige onderwijssysteem wel degelijk twee diploma's voortbrengt: een kandidaatsdiploma en een licentiaatsdiploma. Ik stel vast dat men de laatste jaren de reële waarde van dat kandidaatsdiploma tracht uit te hollen. Want oorspronkelijk is het een diploma dat toegang verschaft tot een aantal beroepen. Een aantal jaren geleden kon men als kandidaat in het onderwijs perfect de functie van regent gaan vervullen. Die diploma's zijn in feite equivalent. Dat blijkt trouwens ook uit het feit dat je als regent ook toegang hebt tot bepaalde hogere universitaire studiejaren. Vandaag tracht men ons te doen geloven dat dat niet zo is. Men tracht het te doen voorkomen dat de universitaire studie een homogeen vierjaarlijks geheel is, dat men nu gaat opdelen. Dat wordt dan een bachelor en een master. De bachelorsstructuur moet minstens drie jaar bedragen. Waarom drie jaar? Dan kan men minstens de schijn ophouden dat het gaat om een volwaardig en volledig afgesloten diploma. Die logica vloeit voort uit de onderliggende betrachting van onze overheid, en de Europese overheden, om de financiële impact van dat hoger onderwijs te beperken. Vandaag is het zo dat iedere kandidaat het recht heeft om zijn universitaire studie verder te zetten en zijn licentiaatsdiploma te verwerven. Morgen zal het zo zijn, dat de overheid zegt: wij zullen de bachelor, wat de basisuniversitaire opleiding is, financieren, maar voor de masters zullen we een inflowbeperking opleggen, van academische én van financiële aard. Masters zullen volledig privé gefinancierd moeten worden. Dat is vandaag niet zo, en zo stelt men het natuurlijk niet zo voor, maar morgen zal het wel zo zijn. Als men de tekst van het decreet goed leest, vindt men daar al de instrumenten voor. Het is niet toevallig dat in het decreet staat dat de master-opleiding gelinkt is met het doctoraal niveau. Dat is niet zo onschuldig als het lijkt: het machtigt de overheid om te zeggen dat er voor de master dezelfde voorwaarden gelden als wat vandaag geldt voor de doctoraatsopleiding. Dat betekent concreet het vinden van een promotor die u toegang verschaft tot dat niveau, maar ook het worden aanvaard door een evaluatiecommissie. Daar zit een puur financiële logica achter. Dat doet afbreuk aan de dingen die de laatste jaren ontwikkeld werden, nl. democratisering van het onderwijs, gelijke toegang tot het onderwijs enz. Ook vandaag al stellen we vast dat het verschil in sociale afkomst op het moment dat men in een opleiding instapt, nog altijd determinerend is voor de slaagkansen. Stop dus met die perfide redeneringen, en laat ons universitair onderwijs een gewaarborgd recht van iedereen zijn die zijn secundair onderwijs met succes heeft afgesloten.

Karin Verelst: Wat is de reële equivalentie van onze diploma's ten opzichte van het angelsaksisch systeem? Onze kandidatuur ís een bachelor; onze licentie ís een master. Hoe zie je dat? Wat is een bachelorsdiploma? Dat is een diploma dat toegang geeft tot de mastersgraad. Wat is een kandidaatsdiploma? Dat is een diploma dat toegang geeft tot het licentiaatsniveau. Hoe kan je zien dat een licentie het eigenlijke einddiploma is aan onze universiteiten? De licentie geeft toegang tot het doctoraat. Hoe komt het dan dat onze kandidaturen meestal twee jaren beslaan, terwijl aan de Amerikaanse colleges een bachelor drie of vier jaar duurt? Dat heeft alleen te maken met het feit dat het middelbaar onderwijs in de Verenigde Staten van een dergelijk bedroevend niveau is dat de eerste twee bachelorsjaren eigenlijk ons hoger middelbaar zijn. Vandaar trouwens dat in onze oude gecoördineerde wetten op de Academische Graden stond dat de equivalentie voor mensen die uit de Verenigde Staten kwamen om zich hier in te schrijven aan een universiteit niet het middelbare schooldiploma was, maar wel de eerste twee jaar van hun college.

De financiële implicaties van de hervorming situeren zich niet alleen in het feit dat men de studieduur van vier op drie jaar terugbrengt, er is ook ten aanzien van het bedrijfsleven het feit van de ontwaarding van de werknemers, die 'slechts' een bachelors-diploma zullen hebben. Het is toch normaal dat men een licentiaat die vier jaar gestudeerd heeft, meer moet betalen dan een bachelor. Maar er zullen geen licentiaten meer zijn. Dus ook het sociaal statuut van uw zogezegd afgestudeerde werknemers gaat er bewust en gestructureerd op achteruit.

Ten slotte is er de duidelijke intentie van de werkgeversorganisaties om vooral niet te veel gevormde mensen te hebben. Die intentie is meermaals uitgesproken: men wil niet te veel mensen die nadenken! In Amerika is dat al een feit. 'The dirty secret of educational reform is that employers don't want a too highly trained workforce'. Concreet: in plaats van zuivere economie krijgt men alleen maar toegepaste; dat de fysika-vorming een heel pakket theoretische natuurkunde omvat, is niet langer acceptabel, het komt erop aan deeltjesversnellers te kunnen bouwen, enz.

Dirk De Smedt: Men mag de perversie van de financiële logica niet onderschatten. Die blijkt vandaag reeds uit de discussie. Programmatisch zal de bachelors-opleiding dezelfde zijn als onze huidige kandidaturen, uitgebreid met een aantal praktische toepassingen en stages. Daarom hebben een aantal professoren en decanen gevraagd om de masters uit te breiden naar twee jaar. Maar die discussie is onmiddellijk afgeblokt. Als men daarop ingaat, moet men ook de financiering voorzien. Gelet op de geheime agenda om de mastersfinanciering op termijn terug te schroeven, past de creatie van een bijkomend jaar natuurlijk niet in het plaatje.

- Is het dan geen stille hoop van sommige academici om de hervorming aan te grijpen om die drie-plus-twee-licentie, dus met een bijkomend jaar, te realiseren?

Dirk De Smedt: De academische wereld stelt vast dat hij de afgelopen jaren onder druk gezet werd door alle mogelijke aanvallen die men maar kan bedenken. Men heeft de financiering fundamenteel hervormd; de stopzetting van de inzapping (het creëren van professoraten) is een feit in alle Nederlandstalige universiteiten, men heeft de 'eerstaanwezend assistent', die eigenlijk de eerste stap was naar het professoraat, afgeschaft. Men heeft de structuur waarin onderzoekers vandaag moeten functioneren, het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, fundamenteel hervormd, zodat nu slechts met kortetermijncontracten gewerkt wordt. Iedereen is dus angstig. Men heeft systematisch de ene hervorming na de andere op de academische wereld losgelaten, met als resultaat dat de angst voor wat gaat komen, en de behoudsgezindheid zo groot is, dat men maar al te bereid is om mee in een bepaalde logica te stappen, om er het beste uit te halen.

Karin Verelst: Op dit moment spreken we niet over een gezonde behoudsgezindheid, in de zin van behouden wat in wezen op wereldschaal onovertroffen is. In België slaagt men erin om reëel gelijkwaardige diploma's af te leveren, aan universiteiten die ideologisch en structureel zeer verschillend zijn. Je kunt dat zien aan de manier waarop de afgestudeerden presteren aan buitenlandse universiteiten of bedrijven. En dit aan een te hoge, maar internationaal gesproken nog zeer democratische prijs. En zonder enige toegangsbeperking, op de medische en ingenieursopleidingen na.

- Wat is de functie van de externe accrediteringsorganen?

Dirk De Smedt: Dat is dus je reinste onzin. Vandaag heb je een wettelijk ingebedde notie van onderwijsinstellingen, een wettelijk ingebedde notie van onderwijsbevoegdheid. Bijgevolg heb je ook een wettelijk ingebedde bevoegdheid om diploma's uit te reiken. Men heeft die bevoegdheid in 1996 overgeheveld van een centraal niveau (de homologatiecommissie van het onderwijsministerie) naar de respectieve onderwijsinstellingen. Elke erkende onderwijsinstelling heeft het recht en de kwalificatie om een diploma uit te reiken. Vandaag brengt men een nieuw concept aan: de zogezegde accreditatiecommissie, die een Europese of internationale dimensie zou moeten hebben. Die gecentraliseerde Europese instelling zou dan moeten gaan bepalen welke universiteit of welke hogeschool welk diploma mag uitreiken. Dat is dus niet een nieuwe homologatiecommissie, het gaat om het toekennen van de macht aan een instelling om bepaalde diploma's uit te reiken. Daarover zegt de Raad van State in zijn advies over het Bologna-decreet zeer duidelijk dat het niet grondwettelijk is. Die bevoegdheid is toegekend aan de Vlaamse gemeenschap, en kan getransfereerd worden naar bepaalde instellingen, maar zeker niet naar een supranationale instelling.

Wat is eigenlijk de bedoeling van dit voorstel? Ook hier zien we weer een financiële en rationaliseringslogica. Door op een Europees niveau te gaan bepalen welke universiteiten en welke hogescholen welke diploma's kunnen uitreiken, zal het resultaat zijn dat het aantal instellingen beperkt wordt.

Karin Verelst: Accreditering wil zeggen dat men een orgaan creëert dat op basis van zogezegde kwaliteitscriteria opleidingen en diploma's erkent. Daarmee wordt de volheid van onderwijsbevoegdheid en de vrijheid van onderwijs die grondwettelijk gegarandeerd is overgedragen naar een extern orgaan dat daar niet toe gemachtigd kan zijn. Binnen een bepaalde marge kan het Vlaams parlement een deel van zijn macht als garant van de inrichtende machten overdragen wanneer die criteria minimaal en formeel zijn (dus niet een criterium dat over de hele lijn inhoudelijk evalueert), de onderwijsvrijheid en de autonomie van de instellingen respecteert. Dan nog moet dat per geval met een tweederde meerderheid worden goedgekeurd. Wat wil men nu doen? Omdat het op Belgisch niveau onmogelijk is, wil men het oplossen via de truuk van het internationaal verdrag met Nederland. Er bestaat niet zoiets als een Europees accrediteringsorgaan. Frankrijk heeft de Bolognaverklaring ondertekend, maar er is geen sprake van dat zij de erkenning van de wetenschappelijkheid van hun onderwijsorganen zouden laten afhangen van een of ander clubje die dan de facto een soort van privébedrijf zal zijn. Dus in Frankrijk beperkt de hervorming zich tot het invoeren van de titel 'le mastèr'. Die titel zal gelden voor de afgestudeerden van de Ecoles polytechniques en van de Universités, en dat is het zo wat. De Engelsen bewegen helemaal niet. De Duitsers laten de onderwijsinstellingen vrij. De meesten houden zich aan het oude systeem. De nieuwere instellingen gebruiken het bachelor/mastersysteem. De transparantie wordt er maar groter op, nietwaar? Maar er is geen enkel land dat er ook maar aan denkt om zijn onderwijsbevoegdheid af te staan aan een of ander extern orgaan. In Nederland gebeurt het dus wel, die hebben hun universitair onderwijs al bijna helemaal verengelst. En de Vlaamse technocraten, die blijkbaar denken dat wij de Hollanders moeten achterna lopen, willen ons daaraan vastkoppelen. Het zijn dus die in Nederland ontwikkelde zogenaamde kwaliteitscriteria die hier de norm zullen zijn. Men weet immers dat het in de Belgische context nooit gerealiseerd kan worden. Men stuurt dus aan op een verdrag met Nederland, dat volledig door de Nederlandse kwartiermakerscommissie zal ingevuld zijn. Nu moet men goed weten dat in 1986 al in Nederland de grondwettelijke vrijheid van onderwijs is afgeschaft. Daar zijn ze al tien jaar langer met de technocratisering en commercialisering van het onderwijs bezig. In de plaats van het beginsel van de vrijheid van onderwijs is het beginsel van de kwaliteitsbewaking opgenomen. Met als gevolg dat halve universiteiten zijn afgeschaft; dat alles op commerciële basis is gestoeld enz.

Dirk De Smedt: Het resultaat van dat beleid is dat de studiekost aanzienlijk de hoogte ingedreven is. Men heeft de pil verguld door leningfaciliteiten toe te staan. Het gevolg is dat iedere student die een universiteitsdiploma wenst, na het eind van zijn studies tot over de oren in de schulden zit, waar ze de eerste tien jaren van hun loopbaan de afbetaling van moeten opbrengen.

Karin Verelst: En het einde is nog niet in zicht. Op dit ogenblik zijn de inschrijvingsgelden in Nederland weliswaar erg hoog (zo'n zevenduizend euro), maar ze zijn nog altijd overal gelijk. Dus wil men nu de mogelijkheid scheppen om een 'gedifferentieerd collegegeld' toe te laten. En daar is onlangs een zeer scherp verzet tegen gerezen vanwege de Nederlandse studenten, maar zij zien nog altijd niet in wat het fundamenteel mechanisme is dat hieraan ten grondslag ligt.

De accreditering betekent dus dat men de grondwettelijke bevoegdheden van de inrichtende machten overdraagt aan een extern orgaan, dat op basis van arbitraire criteria zou werken, die de inhoud en de pedagogische vrijheid van de instelling fundamenteel beknotten.

De Belgische vrijheid van onderwijs houdt in dat iedereen een universiteit mag oprichten. Zo zijn zowel de ULB als de KUL ontstaan in 1834. De staat moet de gelijkwaardigheid van de diploma's garanderen, vandaar de homologatiecommissies van het verleden. Die werkte op basis van minimale formele criteria. Zo moet men voor het uitreiken van een diploma biologie, een cursus dierkunde aanbieden. Maar niet tot in de details vastleggen wat bijvoorbeeld de tijdschriften zijn waar men zijn wetenschappelijke artikels moet publiceren, en in welke taal. De accreditering dient om een ranking van universiteiten tot stand te brengen. Dat is totaal in strijd met de gelijkwaardigheid van de diploma's.

- Waar dienen de associaties voor?

Karin Verelst: De associaties hangen daarmee samen. Iedereen mag een universiteit inrichten in België. Maar om ervoor te zorgen dat er geen monopolies ontstaan heeft de wetgever die universiteiten altijd een geografisch bereik opgelegd. Dat is al zo van het begin van de twintigste eeuw. Om die reden heeft de KUL ook nooit afdelingen mogen oprichten in Brussel of Kortrijk of zo. Daar zijn wel onafhankelijke kandidatuursinstellingen gekomen die met haar samenwerken. Door het systeem van de associaties wordt dat doorbroken. Om die reden zijn ze trouwens onwettig. In zijn advies heeft de Raad van State nog meer gronden van ongrondwettigheid geponeerd, zoals het feit dat die associaties vzw's zijn, die geen onderwijsbevoegdheden kunnen uitoefenen.

Maar natuurlijk zijn die associaties belangrijk omdat ze de hogescholen in het universitair niveau binnentrekken. Hun graduaten zouden dan bachelors worden, maar omdat ze dan universitair moeten zijn, koppelt men ze aan een universiteit.

- Er is nu een advies van de Raad van State. U hebt er al naar verwezen. Wat staat er zoal in?

Karin Verelst: Het advies is desastreus ten opzichte van het ontwerp-decreet. Het stelt vast dat een aantal zaken met een tweederde meerderheid moeten goedgekeurd worden. Maar er zijn ook een aantal zaken die bevoegdheidsoverschrijdingen inhouden. De gelijkwaardigheid van diploma's, de studieduur, het taalgebruik in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dat zijn zaken die geen Vlaamse, maar federale bevoegdheden zijn. Wat de gelijkwaardigheid van de diploma's betreft stelt men verder dat de accreditering weliswaar niet verboden is, maar wel moet zij geschieden binnen minimale formele voorwaarden, die geen beperkingen op de inhoud met zich meebrengen, dat er altijd uitzonderingen moeten worden voorzien en dat de criteria moeten worden vastgelegd door middel van een tweederde meerderheid in het Vlaams Parlement. Aan geen van deze voorwaarden voldoet het ontwerp-decreet. Ook de associaties vallen niet in de gratie van de Raad van State. Men zegt niet dat associaties niet mogen bestaan, maar men stelt vast dat het overdragen van normeringsbevoegdheid van de inrichtende macht van de Vlaamse gemeenschap naar een derde organisme een aanslag vormt op de autonomie van de instellingen. Als men die zou willen overdragen is bovendien een stemming bij tweederde meerderheid vereist, per afzonderlijke instelling. Maar verder mogen die associaties niet de vorm van een vzw aannemen. Scholen en universiteiten hebben immers een eigensoortig juridisch statuut. Dan is er de grondwettelijk gewaarborgde actieve onderwijsvrijheid, die door het decreet geschaad wordt. Het gaat hier niet enkel om het genot van iets, maar ook het recht op het aanbieden van onderwijs. Dan is er het taalgebruik. Het is weliswaar zo dat de Vlaamse gemeenschap wijzigingen kan aanbrengen in de taalregeling in het onderwijs, maar ze mag daarmee niet de integriteit van het Nederlandse taalgebied schenden. Het komt erop neer dat de Vlaamse studenten het recht behouden om hun opleiding volledig in het Nederlands te genieten. En het Bolognadecreet wil voor de bachelorsopleiding de mogelijkheid invoeren om 20% van de opleiding 'in een andere taal' te voorzien, en voor de masters opleiding de mogelijkheid scheppen om volledige opleidingen 'in een andere taal' te verstrekken. Er zijn ook opmerkingen die voortvloeien uit de taalregeling die geldt voor het tweetalig gebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De Vlaamse gemeenschap kan de taalregeling voor Brussel in het geheel niet wijzigen. Zelfs de namen van de nieuwe titels zijn voor de Raad van State omstreden. Hij stelt de vraag waarom hier naar het angelsaksisch model wordt verwezen. Om het Bolognadecreet te laten toepassen zou men op allerlei punten de grondwet moeten wijzigen. Verder is er ook de duur om een bepaalde studie te voleindigen en de toegang tot bepaalde beroepen, dat zijn federale bevoegdheden.

- Wat zijn de bronnen van verzet tegen het Bologna-decreet?

Dirk De Smedt: De eerste bron van verzet is ongetwijfeld het advies van de Raad van State. Het zal al niet eenvoudig zijn om dat zomaar naast zich neer te leggen. Een tweede bron van verzet is de vaststelling dat wij vandaag de dag in Vlaanderen een van de beste onderwijssystemen ter wereld hebben, dat onze diploma's internationaal erkend worden en nergens worden gecontesteerd. Dat onze universitaire en andere afgestudeerden wereldwijd zonder probleem toegang vinden tot de arbeidsmarkt en in een aantal ondernemingen en instellingen als 'benchmark' qua opleidingsniveau worden gehanteerd om andere diploma's te evalueren. Op het vlak van het wetenschappelijk onderzoek leveren onze universiteiten puik werk. Zowel het zuiver wetenschappelijk onderzoek als het meer toepassingsgerichte onderzoek mag gezien worden.

Karin Verelst: In een normale democratie zou men verwachten dat men eerst een maatschappelijk debat voert, vervolgens een politieke discussie, gevolgd door juridische implementatie. Hier gaan we omgekeerd tewerk, door te dreigen met een juridische actie die alles onderuit haalt, en stimuleren we het politiek en maatschappelijk debat. Een andere werkwijze is niet mogelijk, want we stellen vast dat er een zelfcensuur geldt op het niveau van de media: bepaalde onderwerpen worden gewoon van de agenda geweerd.

- Wat is het belang van dit alles in de Europese context?

Karin Verelst: Als je echt Europees gezind bent moet je nu tegen Europa zijn, want het huidige Europa wil alles ondergeschikt maken aan industriële lobbies. Men schijnt te denken dat men het grondwettelijk en wettelijk kader hier zomaar naast zich neer kan leggen. Welnu, het gaat hier in het geval van Vlaanderen dan ook om een pilootproject voor de Europese industrie, omdat de grondwettelijke vrijheid hier het sterkst verankerd is. Dillemans en Davignon met hun Europese vriendjes hebben gedacht: als we het hier kunnen kraken, dan kunnen we het overal kraken, en met name ook in Frankrijk.

Gelukkig is ons gerechtsapparaat redelijk conservatief. In een andere tijd geconcipieerde grondwettelijke vrijheden worden daardoor nog steeds gegarandeerd. Wij beschermen de vrijheid van meningsuiting, de onderwijsvrijheid en alle andere vrijheden. We gebruiken dus in de eerste plaats onze juridische hefbomen, radicaal en met kennis van zaken. Een persoon die met kennis van zaken een dossier bij de Raad van State zou indienen, is in staat om heel de zaak op te doeken.

Zo slagen we er stilaan toch in om de algemeen opgelegde consensus te doorbreken. Door de doorstroming van informatie voelt men zich stilaan sterker gewapend. Ook bij de verschillende politieke families begint het te dagen. Vandaar het voortdurend uitstel en het feit dat het voorstel nog altijd niet in het parlement in behandeling is genomen. Elke tijdswinst is mooi meegenomen, zeker in het licht van de verkiezingen die er zitten aan te komen.

We moeten de discussie ook breder zien. Willen we onderwijs op maat van de economie? Willen we de mensen herleiden tot kennisinstrumenten die in een levenslang-leren-dynamiek meegesleurd worden om toch altijd maar flexibel te zijn en de stress in de maatschappij nog meer te laten toenemen? Is een klein beetje menselijkheid te veel gevraagd? We hebben een humanistisch erfgoed te vrijwaren.

We moeten trouwens de situatie waarin we ons bevinden goed onder ogen zien. Wie geen zand in de ogen heeft ziet zo, dat onze westerse samenlevingen regelrecht afstevenen op een grote crash. We zullen geconfronteerd worden met de noodzaak om na te denken hoe wij maatschappelijke verbeteringen tot stand kunnen brengen. We zullen regulatiemechanismen opnieuw moeten uitvinden. Manieren - anders dan enkel op winstbejag gebaseerd - om maatschappelijkheid tot stand te brengen. Onze universiteiten, door hun historische oorsprong die ergens in de 11de eeuw te situeren is, zijn een van de weinige nog tastbare aanwezige geheugens van hoe een maatschappelijk systeem eruit kan zien dat niet slechts door kapitalisme bepaald is. Want die komen uit een totaal andere wereld. En juist dat wil men vernietigen. Men wil van die gemeenschap de laatste relicten wegvegen, want die confronteren ons met andere mogelijke vormen van maatschappelijkheid. Alleen dat al verrechtvaardigt het opkomen voor de universiteiten als instituut. En dat is voor mij nog wel de meest fundamentele doelstelling.

Dirk De Smedt: Het komt erop aan om maatschappelijke weerbaarheid te genereren. Het gaat hier om dingen waar generaties voor ons voor hebben gestreden, waar mensen hebben voor gevochten, en het leven hebben gelaten. Er zijn drie platformen waar we ons op moeten concentreren: het maatschappelijke, het politieke en het juridische. Het maatschappelijke onderstelt het voeden van het debat, het verstrekken van informatie via pers en andere publieke fora. Op het politieke vlak moeten de politici bewustgemaakt worden. Op dit moment trekken die zich zeer weinig aan van wat er allemaal gebeurt. Ze vergeten dan eventjes dat dat 50% van hun taak is als we kijken naar de bevoegdheden en financieringsstromen die zij daar geacht woren te controleren. Ze mogen dit verhaal niet laten passeren. Als zij dat geweten niet hebben en zich daar niet van bewust zijn, zullen we hen dit bewustzijn moeten schoppen. Als deze stappen niet tot resultaten leiden hebben we nog de laatste redplank van het juridische niveau. Je hebt hier een ijzersterke casus om bij het Arbitragehof de absurditeit van dit decreet te laten aantonen.

Karin Verelst: Daarom is het belangrijk dat iedereen, of hij nu vanuit het taal-emancipatorisch perspectief ageert, of vanuit een sociaal-economisch rechtvaardigheidsgevoel, of vanuit een constitutionele benadering, of zelfs het vrijzinnig perspectief, de fora, de publicaties de discussiemomenten zoveel mogelijk aangrijpt om het debat te voeren. Het is belangrijker met deze boodschap diep door te dringen dan er de brede massa mee te bereiken. In dat verband hebben wij een heel opmerkelijke vaststelling gedaan. Op het moment dat wij, vrij recent, heel radicaal gezegd hebben dat dit decreet niet mag passeren - no pasarán - merkten wij dat dat gegeven zeer snel doorsijpelde naar het politieke niveau, dat we heel wat aandacht krijgen, dat we bondgenoten vinden enz.

- Welke bondgenoten vind je dan?

Karin Verelst: Dat gaat van studenten tot proffen, tot beheerders, tot partijpolitici, journalisten, mensen in culturele verenigingen. Het gaat vooral over mensen die binnen hun organisatie of kring hun lokale verantwoordelijkheid opnemen. Onze conditie is: hier moet je radicaal durven zijn. De eerste stap is de fatale stap, en die moeten we beletten. En blijkbaar beseffen vele mensen dat het al vijf over twaalf is, we hebben nog net de kracht om de klok terug op vijf voor twaalf te zetten. Want alle redeneringen die stellen dat er toch een aantal goede punten in zitten leiden naar een complete catastrofe. En zodra de zaken in beweging zijn kunnen we het echt op het brede publieke forum brengen.

Dirk De Smedt: Mensen zijn geëngageerd, en ik ben ervan overtuigd dat zij morgen georganiseerd zullen zijn. Maar wat ik het liefst zou hebben is dat de voorstanders van dit decreet eens duidelijk zouden stellen wat hun reële motieven zijn. Dan krijgt men pas een eerlijk en correct debat. Vandaag zit het vol met verborgen agenda's.