Nummer 84


Een overgangstijdperk | februari 2003


Het koningshuis: bastion van de Belgische bourgeoisie (Antoon Roosens)<< Nummer 84

Dat een economisch reeds voorbijgestreefde klasse, nl. de kapitalistische bourgeoisie, toch haar politieke macht nog lange tijd kan behouden, vloeit voort uit een aantal factoren die gemeenschappelijk zijn aan alle industriële landen, te weten de verdwijning van het industrieel proletariaat, politieke tegenpool van de bourgeoisie, en ook de overdracht van economische beslissingsmacht van het nationaal naar het supranationaal niveau. Maar daarnaast zijn er factoren die eigen zijn aan elk land. Bij ons zijn dat voornamelijk de behendige manipulatie van de zogenaamde communautaire tegenstellingen door de oude heersende klassse, en de uitzonderlijke machtsconcentratie in handen van het Belgisch koningshuis. Het is over dit laatste punt dat wij het nu zullen hebben.

De uitzonderlijke machtspositie van het Belgische koningshuis is het resultaat van het samenspel van twee elementen: zijn positie als onbetwistbaar hoofd van het Belgisch holdingkapitalisme, en de buitengewone politieke bevoegdheden door de grondwet toegekend aan de koning. Deze combinatie is uniek in de gehele Westerse wereld.

Het instrument van de economische macht van het koningshuis is steeds de Société Générale geweest, de grootste financiële groep die de Belgische economie heeft beheerst vanaf de oprichting van de Belgische staat tot de definitieve doorbraak van het mondiaal kapitalisme rond het einde van de jaren 1980. Het Hof heeft steeds de meest strikte geheimhouding in acht genomen omtrent zijn financiële belangen: op zichzelf een hoogst ondemocratische houding. Nietemin zijn alle onderzoekers het erover eens dat, sinds de kapitaalsverhoging van de Société Générale in 1837, het Hof de veruit majoritaire aandeelhouder van deze holding is geworden en gebleven. Zowel Pierre Joye in zijn standaardwerk van 1956 Les trusts en Belgique als het gekende onderzoeksinstituut CRISP (Centre de Recherche et d'Information Socio-Politique), in een uitvoerige studie gepubliceerd onder de titel Morphologie des Groupes Financiers, komen beiden tot de conclusie dat Leopold I bij de kapitaalsverhoging van 1837 de meerderheid verwierf van de aandelen van de Société Générale. De overwegende rol van het koningshuis in deze holding werd nadien nog aanzienlijk versterkt door de inbreng van het privé-koloniaal bezit van de koning, het latere Belgisch Congo. Sinds 1837 wordt het Hof ononderbroken vertegenwoordigd door Hofdignitarissen in het College van Commissarissen van de Société Générale, en in de beleidsorganen van een aantal van de grootste ondernemingen gecontroleerd door de holding.

De Société Générale heeft gedurende anderhalve eeuw de Belgische economie gedomineerd. Van groot belang hierbij was het feit dat de Générale, dank zij de koning, de controle verwierf over de enorme bodemrijkdommen van Congo, via een aantal grote dochterondernemingen zoals de Compagnie Financière du Katanga en de Union Minière du Haut-Katanga, die elk op hun beurt tientallen grote ondernemingen controleren in Congo, Angola enz. Het fortuin van het Belgisch koningshuis berust nog steeds in niet geringe mate op de soms inhumane exploitatie van de Afrikaanse bevolkingen.

In het hoger geciteerd naslagwerk van CRISP neemt de summiere beschrijving van de binnen- en buitenlandse ondernemingen afhangende van de Société Générale, niet minder dan 100 bladzijden in beslag op een totaal van 487 bladzijden tekst: een hallucinerende burcht van wijdvertakte kapitalistische exploitatie en accumulatie. Het is dus een vaststaand feit dat het Belgisch koningshuis, gedurende zowat 150 jaar, onafgebroken de spil en de dominerende macht is geweest van het kapitalisme in ons land. De koning was steeds - en is nog altijd - de onbetwiste leider van de Belgische industrieel-financiële bourgeoisie.

Met de versmelting van de Société Générale en de Franse groep Suez werd deze economische machtspositie weliswaar gewijzigd, maar geenszins verminderd. Figuren als Davignon, Lippens en Frère - allen emanaties van de oude Société Générale - beheersen vandaag nog het Belgische bedrijfsleven, zoals recentelijk nog bleek naar aanleiding van het debâcle van Sabena. De gehele Belgische klasse van grootkapitalisten heeft haar vermogen ingebracht in een aantal mondiale financiële groepen. Zij vertegenwoordigt sindsdien de belangen van het mondiaal kapitalisme in België.

*

Het is pas tegen de achtergrond van deze economische machtspositie van het Hof, dat men de reële betekenis en de draagwijdte kan vatten van de grondwettelijke prerogatieven van de koning.

Hij is het hoofd van de uitvoerende macht en dus meteen een onderdeel van de wetgevende macht, samen met Kamer en Senaat. Bij elke regeringsvorming duidt hij de formateur aan, en hij benoemt de ministers door deze formateur gekozen in gemeenschappelijk overleg met het Hof. Geen enkele politicus kan in dit land de top van de hiërarchie bereiken, indien hij geen genade vindt in de ogen van het Hof. De titularissen van de sleuteldepartementen zoals Financiën en Economische Zaken worden, evenals de persoon van de Eerste Minister zelf, zorgvuldig geselecteerd door het Hof in functie van hun ideologische verenigbaarheid met de fundamentele belangen van de kapitalistische bourgeoisie, waarvan de koning de persoonlijke leider is. De verkozen leiders van dit land zijn dus geenszins vrij in het bepalen van hun politieke opties.

Daarnaast is de koning de opperbevelhebber van het leger. Vanaf de graad van kolonel en hoger, komt niemand in aanmerking voor bevordering tenzij hij persona grata is bij het Militaire Huis van de koning. De heersende klasse weet perfect wat de reële basis is van elke politieke macht: de controle over het geld en over de wapens. Met de aan de gang zijnde politiehervorming wordt nu ook de gemeentelijke politie, via de rijkswacht, ingeschakeld in het door het Hof gecontroleerde militaire apparaat.

De koning benoemt onze diplomatieke vertegenwoordigers in het buitenland, alsook de ambtenaren van het gerecht en van de contrale administratie. Natuurlijk is het Hof niet geïnteresseerd in de benoeming van de postbode van Pulderbos, of van de klerk-griffier bij het vredegerecht van Zoutenaaie. Dat 'kleine wild' wordt overgelaten aan de stropers van onze democratische politieke partijen. Maar niemand maakt enige kans op een vooraanstaande diplomatieke post, niemand mag hopen het ooit te brengen tot Raadsheer bij het Hof van Cassatie, tot Procureur-Generaal bij een Hof van Beroep, of zelfs tot Procureur in een van de grote stedelijke arrondissmenten, indien hij ooit in woord of daad - of zelfs maar in gedachten - gezondigd heeft tegen de politieke en economische belangen waar het Hof voor staat. En deze selectieve benoemingspolitiek van het Hof stelt nooit een politiek probleem, omdat de Eerste Minister en de gehele regering zelf vooraf reeds werden geselecteerd in functie van hun trouw aan de hoge belangen van het Hof en Kapitaal, en zich dus bij voorbaat hebben vereenzelvigd met deze onzindelijke en corrupte praktijk van een ondemocratische machtspiramide.

Uit enkele recente interviews met gewezen politieke leiders zoals Martens en Dehaene, gepubliceerd in het weekblad Humo, heeft men geleerd dat elke Eerste Minister steevast zijn dag aanvangt met een onderhoud op het koninklijk paleis. Daar worden alle politieke problemen van de dag onder de loupe genomen, zodat de belangen van het Hof en Kapitaal bij elke stap in de politieke besluitvorming gevrijwaard kunnen worden. Deze dagelijkse en indringende inmenging in het politieke beleid vanwege de niet-verkozen leider van de hoogste economische kringen van binnen- en buitenland, geeft aan de Belgische heersende klassse een feitelijke politieke macht die ongeëvenaard is in om het even welke andere ontwikkelde natie. Men kan ons land, op gebied van politieke machtsuitoefening, best vergelijken met Saoudi-Arabië. Het is hier zelfs erger, want ginder wéét men tenminste dat de grote lijnen van het beleid steeds worden bepaald door het koningshuis en de grote oliemaatschappijen. Terwijl hier de macht van de heerser occult is en ontsnapt aan elke mogelijkheid tot publieke kritiek, dank zij de diabolische constructie van de 'politieke onverantwoordelijkheid' van de koning. De kroon mag niet worden ontbloot... ook al is de keizer naakt!

*

De ondemocratische greep van het koningshuis op de loopbaan van de politieke en administratieve elites van het land is dan de voedingsbodem voor dat veelkoppige en ongrijpbare monster dat men het 'Belgisch establishment' noemt. Niet alleeen de eigenlijke politieke, militaire, gerechtelijke en administratieve functies worden ingebouwd in, en onderworpen aan de visie en de belangen van de heersende klasse. Maar de 'uitstraling' van het Hof wordt ook gehanteerd als instrument voor de onverwerping van het gehele maatschappelijke middenveld; vakbonden en ziekenfondsen, werkgeversorganisaties, universiteiten en hogescholen, de media, allerlei culturele en humanitaire organisaties, enz., enz.

Een schitterende, dikwijls wrange en soms hallucinante beschrijving van deze tentakels van de macht vindt men in het recente hekelschrift van Hubert de Sy, Het belgicistisch regime en de Vlaamse beweging. Hij schetst er de menigvuldige middelen waarmee het Hof, exponent van de Belgische heersende klasse, erin slaagt de kaders en leiders van deze organisaties en kringen in te lijven in het establishment, zodat ze zich gaan gedragen "als een schare middeleeuwse laten tegenover hun koninklijke leenheer" (p. 246). Een opsomming van al de hierbij gebruikte stratagemen en knepen zou het bestek van deze tekst te buiten gaan. In laatste analyse komt het steeds neer op de exploitatie van machtsdrang, hebzucht of menselijke ijdelheid: tot en met het gul uitreiken van adellijke titels en lintjes, "een soort psychologisch kuras ter bescherming van de monarchie" (p. 255).

Men mag de impact van deze koninklijke politiek naar het middenveld toe niet onderschatten. Het is inderdaad een belangrijk wapen in wat men 'de ideologische klassenstrijd' kan noemen. Elke gevestigde macht streeft er steeds naar om de leiders van potentieel gevaarlijke sociale krachten te neutraliseren door hen, geestelijk of materieel, in te schakelen in het raderwerk van het bestaande systeem. Op dit stuk heeft de Belgische heersende klasse steeds blijk gegeven van reële staatsmanszin. Om slechts twee voorbeelden aan te halen: de leiders van onze quasi-revolutionaire arbeidersklasse werden, vanaf de jaren twintig van vorige eeuw, opgenomen in het cenakel van de politieke macht en geestelijk ingeschakeld in de logica van het Belgisch holdingkapitalisme; en de Vlaamse en Waalse nationale bewegingen werden, vanaf de jaren zestig, eveneens geneutraliseerd door enkele van hun leiders mee te laten vreten aan de welgevulde staatsruif, of hen een klapstoeltje aan te bieden aan de voet van de koninklijke troon. De vergaande en occulte verstrengeling van economische belangen en politieke macht is steeds de voedingsbodem van corruptie.

*

Maar anderzijds mag men zich evenmin laten ontmoedigen door deze ogenschijnlijk verpletterende macht en invloed van het establishment (dat is onze - zachte - kritiek op Hubert de Sy).

De dialectische evolutie van de geschiedenis wil nu eenmaal dat een heersende klasse op steeds grotere schaal haar toevlucht neemt tot dergelijke manipulaties (alsook tot steeds scherpere repressie van vrije meningsuiting en politieke vrijheden), naarmate haar onderliggende economische macht - en dus haar hegemonische positie - verzwakt. Zij wordt dan verplicht haar afbrokkelende legitimiteit steeds agressiever te verdedigen, onder meer door een corrumperende recuperatiepolitiek tegenover de leidende kringen van het maatschappelijk middenveld. Wat dus een bewijs van macht lijkt, is tevens een symtoom van zwakheid.

Maar de massa zal die corrupte leiders niet blijven volgen. Zij zal, geleidelijk en in steeds groter aantal, breken met haar traditionele leiding. Deze beweging is reeds volop aan de gang. Le cri de l'honnête homme, zoals men het hekelschrift van de Sy kan noemen; of de 'propere handen' van een Geert Bourgeois; of de steeds herhaalde morele verontwaardiging van een Mark Grammens in zijn Journaal: het zijn zovele signalen die uiteindelijk door steeds bredere kringen gehoord en begrepen worden. De oplossing van de diepe maatschappelijke crisis, die een overgangstijdperk steeds meebrengt, veronderstelt immers het voorafgaand herstel van ethiek en moraal in de politieke praktijk. Pas dan kan er een hergroepering tot stand komen, met veel vallen en opstaan, van een nieuwe klasse onder een nieuwe leiding die zal weerstaan aan de corrumperende lokroep van de bestaande macht en die, met een jacobijnse compromisloosheid, de massa zal begeleiden naar de noodzakelijke politieke revolutie.