Nummer 86


Volhardt en tekent, Demeulemeester | april 2003


Een bewogen droom (Jari Demeulemeester)<< Nummer 86

Het rad van de tijd draait onverbiddelijk voort en wentelt nooit terug. Het collectieve geheugen deemstert weg en sleept met zich mee de souvenirs aan het engagement van zovele duizenden vrijwilligers in een eeuw Vlaamse strijd in mijn geboortestad, sinds mensenheugenis door Vlaanderen zijn hoofdstad genoemd. Zo komt het dat ik als een van de laatste, oudst actieve beroepsactivisten (er zijn vandaag immers veel meer Brusselsprekers dan Vlaams-Brusselse pleitbezorgers) geregeld in Meervoud getuigenis moet komen afleggen van een uiterst moeizaam traject: nl. dat van een hoopvol, dikwijls frustrerend overlevingsproces in een alsmaar meer om zich heen grijpende francofonie tot een insneeuwing vandaag in een plethore van organisaties, structuren, overheidstussenkomsten, overbestaffing, financiële faciliteiten, bestuurlijke complexiteit/onmacht, duale samenleving en mondiale verstedelijking. Maar toen, 43 jaar geleden...

"Studenten aan dit college, étudiants de ce collège! De jongste weken horen wij teveel rumoer op de speelplaats. Het gaat allemaal over die taalkwestie, die ons land verscheurt. Dat gaat ons niet aan. De eerste die in dit respectueuze midden nog één allusie maakt op deze twisten, zal de school op staande voet moeten verlaten. We zullen nu samen een volledige rozenkrans bidden." Zo sprak de prefect van ons Brussels college in 1960, ten tijde van de betogingen in Wemmel en andere faciliteitengemeenten. En zo eindigde mijn eerste daad van flaminganterie, ingefluisterd door die boerenjongens uit Merchtem en Opwijk.

Wist ik veel, als jonge tiener, van de communautaire problemen, ik die thuis altijd "Pourquoi pas?" las, die mijn moeder meebracht van bij haar francofone bourgeois (bruxelloise van Vlaamse origine) werkgeefster. En in ons arbeidersstraatje dierven de mensen amper in 't Vlaams ademen in volle repressienaweeën. Met zijn reprimande had de prefect echter de kiemen gezaaid voor veertig jaar Vlaamse bekommernis in mijn doen en laten. Drie maanden later stapte ik ostentatief de kerk uit in Blankenberge tijdens een franstalige preek. Ocharme ik...

"I had a dream, when I was fourteen": toen droomde ik ooit op een mooie dag de Grote Markt van Brussel op te draven op een prachtig wit ros, omgeven door honderd piekeniers en met de vaandels van 650 jaar Vlaamse beweging. Het onrecht zou worden hersteld, elk morzel grond opnieuw veroverd, hertog Jan de Vijfde zou ik zijn, het fiere en felle hertogdom Brabant herinstalleren en zo leiden tot de renaissance van de 17 provincies. Eigenlijk diende de klok teruggedraaid en alle sporen van 1830 uitgewist.

De Vlaamse beweging heeft het dikwijls moeten hebben van zulke absolute idealen. En ook wat Brussel betreft slingerden de verwachtingen van de allerhoogste betrachting "het totale herstel van des ouderen prael" tot de minimaalste vragen in de vijftiger jaren: "toch ook voor ons een beetje respect aub". Dit verzoek evolueerde nadien van "graag een beetje mee besturen" en "wegens federale pariteit ook totale en consequente pariteit in Brussel" over "Brussel ook onze hoofdstad" tot "Brussel, waar het goed om wonen is", "Brussel, een stad om te delen met vele anderen" "Brussel, multiculturele playground".

In al deze gevallen heb je een electorale onderbouw nodig, tenzij men de letter van de wet wil toepassen en continu autoritair ingrijpen. Dat wil zeggen véél meer Nederlandstalige bewoners aantrekken. Daar waar men in de jaren '60 vooral voet aan de grond wilde (de Vlaamse politiek had een baksteen in de buik - tamelijk visionair toch dat aankopenbeleid!), was vanaf de jaren '70 de hele culturele operatie er op gericht Brussel aantrekkelijk om wonen voor te stellen. Het is vreemd dat het demografisch verval van toen parallel liep met steeds meer culturele investeringen én beleving. De emigratie van eigen sterke jongerengroepen, de generatie van 70, is de ware kaalslag gebleken in ons bevolkingsquantum.

Evenwel heeft de doorgedreven cultuurpolitiek vanaf de jaren '80 de dramatische cijfers enigszins kunnen opkrikken: de punkgeneratie, het Dansaertfenomeen, de herinname van de prijsmatige Noordrand, van Anderlecht tot Schaarbeek, door jonge gezinnen in opgeknapt huis-met-tuin (een noodzaak om hier te blijven!).

Voorbeelden uit het buitenland leren ons al lang dat omgaan met een waaier aan kunstenaars (de snedigste), zoveel mogelijk alerte toeschouwers, met productiestructuren en met de hele klimaatsopbouw er rond, essentiële factoren zijn in de emancipatiebeweging van vele volkeren. Soms lopen de culturele actoren helemaal voorop, zoals in de Amerikaanse burgerrechtenbeweging en in Bretagne en Ierland (hoewel daar nog gemengd met militaire drift); soms werkt cultuur zeer kostbaar in een uitgekiend samenspel met politiek, economie en samenleving, getuigen Catalonië en Quebec.

In Brussel is cultuur sowieso een vitaal instrument geweest eerst in een heroveringsperpectief, dan in een revitalisatie van het publieke vertrouwen, later in het securiseren van de ingehaalde en gewonnen bevolking. Thans staat die sector voor een grote uitdaging, nl. meedraaien in het meerwaardig hoofdstedelijk aanbod. En alweer zal het initiatief hiertoe volledig van de Vlaamse regering moeten komen. Mag ik er nog eens op wijzen dat totnogtoe alle grote successen op het terrein te wijten zijn aan rechtstreekse interventies van de Vlaamse Gemeenschap.

Waarom wordt die hoofdstedelijke functie nu ineens zo urgent? Omdat, tot mijn grote spijt, allicht heel snel een einde zal komen aan de verdere Vlaamse herbewoning van de stad; gewoon wegens gebrek aan aanbod. De paar duizend bestaande woningen zouden tussen dit en vier jaar kunnen worden ingepalmd door de nieuwe golf van eurocraten, ditmaal van Oost-Europa. Binnen enkele jaren is het vastgoed op en dat voor jaren. Daar gaat mijn witte paard, maar zonder grote verbittering. Immers, wij zullen er dan toch in geslaagd zijn een niet aanzienlijke minderheid in deze stad te blijven, naast zovele andere groepen, die zich op de meest diverse niveaus van het Engels, het Frans of het Arabisch zullen bedienen. Wij zullen in de voorgaande jaren een paar 10.000 jonge Vlamingen hebben kunnen registreren en Quartier Latin, de studentencampus in volle uitbreiding zal na elk academisch jaar een aantal Brussel-lovers afleveren.

Wij kunnen het medebestuur aan van een kleine internationale stad, met woonkwaliteiten, ten minste indien de 300.000 die wij hier achterlaten (zijnde de Nederlandstaligen en een aantal welwillende Brusselaars) blijk blijven geven van veel intelligentie, werklust, diplomatie, bestuurskunde, zakelijkheid en universaliteit. Op het niveau van het Gewest zijn reeds enkele van die opdrachten ingevuld. Vlaanderen moet zorgen dat het deze lieden aan geen engagementscomfort ontbreekt.

Kortom, de oude historische drijfveer "deze stad is van ons en moet terug naar ons" mogen wij vergeten. Daar blijft echter dat fantastische mission statement "Brussel, hoofdstad van Vlaanderen". Meer dan ooit behoort dit tot de mogelijkheden. Je moet immers niet in een stad wonen om je er volwaardig burger te voelen en ten aanzien van die stede heel wat ambities te koesteren. Dat is een belangrijke nieuwigheid: Brussel als baken, exclusiviteitsdrager, internationaal referentiekader, kwaliteitsnorm, kritische gids, inspirator van een natie van zes miljoen inwoners, een land dat nog altijd wacht op de grote uitdagingen.

Er moet geen zand meer zijn zeker? Maar toegegeven, dat is mijn bewogen droom nu dezer dagen...