Nummer 9


Frans-Vlaanderen | september 1994


Marguerite Yourcenar (1903-1987): een grote dame en nomade (Hendrik Carette)<< Nummer 9

De naam van haar overgrootmoeder was Reine Bieswal de Briarde en de naam van haar moeder: Fernande de Cartier de Marchienne. Haar vader was een rentenier en grootgrondbezitter en haar echte naam was voluit Marguerite Cleenewerck de Crayencour. Haar schrijversnaam Yourcenar is dus een ingenieus anagram van een gedeelte van haar naam en ik moet bekennen dat ikzelf zeer graag naar de roepnaam Henri en vooral de familienaam de Crayencour geluisterd zou hebben. Bij het schrijven van bijvoorbeeld een chèque moet dit toch wel wat indruk maken. Marguerite werd echter geboren te Brussel, en niet te Brugge, hoewel zij zeer veel van deze stad gehouden heeft en er bevriend was met de nu gepensioneerde journalist Anthony Mertens, die destijds in 'De Standaard' over haar bezoeken aan Brugge de lezers zo goed kon berichten.

Haar ouderlijk huis was een kasteel op de Zwarteberg (le Mont-Noir) en dit kasteel werd volgens Georges de Crayencour gebouwd in 1815 en werd al in het oorlogsjaar 1917 verwoest. Deze Zwarteberg bevindt zich in het noorden van Frankrijk, vlak bij Sint-Jans-Cappel en dus in het Franse Vlaanderen van net over de grens of "de schreve".

Er waren dertig tot veertig kamers in dat kasteel. En in het souterrain of in de kelderverdiepingen was er - zoals in het bekende Britse feuilleton Upstairs, downstairs - woonruimte voor keukenmeiden, voor Achille, de koetsier, voor Hector, de tuinman en Joseph de "maître d'hôtel-valet de chambre" die maar al te graag "les fonds de bouteilles" dronk "en chantant des chansons alors à la mode, ou qui avaitent été à la mode dix ans plus tôt".

De piepjonge Marguerite had haar eigen gouvernante, zoals dat toen bij rijke en adellijke families de gewoonte was, en er is zelfs nog een foto bewaard van in het jaar 1905, genomen op het strand van Scheveningen, toen Marguerite haar eerste handkus mocht ontvangen van de toen ook nog piepjonge baron Egon de Vietinghoff.

Haar vader was een gecultiveerd man, met een niet zo vage eruditie, die de aanwezigheid en de charmes van mooie dames kon appreciëren en veelal in mondaine badplaatsen en andere kuuroorden verbleef en daarbij nog grote sommen geld van zijn niet zo onaanzienlijk fortuin (landerijen en pachthoeven) in de casino's vergokte.

Zij had tot aan zijn dood in 1929 een zeer goede relatie met deze Michel de Crayencour ("Il était naturellement gai de caractère, et d'esprit naturellement sombre." M.Y.) met wie zij lange en mooie reizen door het Europa van het interbellum en de gay twenties mocht maken (haar moeder overleed bij haar geboorte in het kraambed) en het was haar vader die de uitgave van haar eerste boek: Le Jardin des Chimères (1921), een dichtbundel die zij later zou verwerpen, gefinancierd heeft. Toch besefte zij algauw dat zij geen nieuwe Sapho zou worden, maar dat het klassieke proza haar mooi en machtig geestelijk domein zou zijn.

En dit domein werd nooit begrensd door een staatsgrens of andere grenzen. Zij was haar hele leven een echte nomade, met het Frans als cultuurtaal, maar met haar wortels in het Franse Vlaanderen. Zélf zei zij ooit hierover, in een lang en uitputtend interview (1) op de vraag "Vous sentez-vous flamande, par exemple?" het volgende: "Je n'ai repensé à mes origines flamandes que sur le tard, lors de la rédaction d'Archives du Nord. Oui, en me penchant sur ces ancêtres, j'ai cru reconnaître en moi un peu de ce que j'appelle 'la lente fougue flamande'. Mais je suis française, autant que flamande...". Wie het wonderlijke verhaal van haar leven kent weet dat deze "lente fougue flamande" niet zomaar een gratuite uitspraak is.

Maar eerste monumentale werk Mémoires d'Hadrien verscheen pas in 1951, maar deze gefingeerde memoires van een Romeinse keizer bezorgden haar toch een zekere roem en bekendheid. Zeven jaar later verscheen haar integrale vertaling (in proza!) van de Grieks-Alexandrijnse dichter Kavafis, en pas veel later, in dat fameuze jaar 1968 haar niet minder imposante meesterwerk L'Oeuvre au Noir dat zelfs verfilmd werd. Haar derde magnum opus is zonder enige twijfel het driedelige Le Labyrinthe du Monde, waarvan het laatste deel (niet meer geheel door haar geredigeerd en gecorrigeerd), postuum één jaar na haar dood in 1988 verscheen. (2)

Maar vooral het tweede deel Archives du Nord kon mij zeer bekoren en nogmaals overtuigen van de grootheid van haar stijl, met die soms lange maar altijd vloeiende volzinnen. Haar prachtig Frans idioom lijkt als het ware op een nieuwe versie van een schitterend en dof glanzend "modern" Latijn. Zowel deel I als deel II werden trouwens in het Nederlands vertaald (3). En in het eerste hoofdstuk van dit tweede en centrale boekdeel van deze slechts gedeeltelijk verzonnen herinneringen, waarin de strict persoonlijke details nauw verweven worden in een breed historisch panorama, evoceert Yourcenar in haar magistrale stijl 'De nacht der tijden'.

Hierbij als illustrerend en hopelijk ook overtuigend citaat, de twee eerste zinnen van de Nederlandse versie van deze "archieven" waarin onze zuidelijke gewesten, van Malo-les-Bains tot Sluis, van kaap Gris-Nez tot aan de Zeeuwse eilanden alsmaar aanwezig zijn: "In een volumen dat bestemd was om met dit deel de beide panelen van een tweeluik te vormen, heb ik getracht een beeld te geven van een echtpaar uit de Belle Epoque, mijn vader en mijn moeder, vervolgens verder terug te gaan in de tijd, naar voorouders van mijn moeders kant, gevestigd in het België van de negentiende eeuw, en daarna, met meer lacunes en tot steeds eenvoudiger lijnen teruggebrachte figuren, tot aan het Luik van de rococotijd en zelfs tot aan de middeleeuwen. Een enkele maal heb ik, door mijn verbeeldingskracht in te spannen en er derhalve even van af te zien me in het verleden vast te houden aan dat slappe koord dat de geschiedenis van een geslacht vormt, getracht door te dringen tot aan de Romeinse tijd of de tijd vóór de Romeinen."

Voorts liet zij nog haar niet minder indringende essays bundelen in boeken als: Sous bénéfice d'inventaire (1962) en Le Temps, ce grand sculpteur (1983). Zij wijdde een boek aan de fascinerende Japanse romancier Yukio Mishima: Mishima ou la Vision du vide (1981). Zij vertaalde The Waves van Virginia Woolf in het Frans, alsook een groot aantal Amerikaanse 'Gospels'. En in 1979 verscheen haar vertaling van een groot aantal anteke Griekse verzen of flarden van verzen in het weer zeer imposante en lijvige boek La Couronne et la Lyre.

Zij schreef novellen; zoals bv. Le Coup de grâce (1939) en brieven naar haar vrienden en uitgevers aan wie zij terecht strenge eisen stelde (de uitgeverijen Plon, Bernard Grasset, en ten slotte het fameuze huis Gallimard te Parijs).

En ondertussen vond zij nog voortdurend de tijd om, als de nomade en de grote dame die zij was, van Liverpool naar Lausanne te reizen, van de Griekse eilanden naar Grenada, van Amsterdam via Brugge naar Parijs, van Kenia naar de oostkust van de U.S.A., van Salzburg naar Sevilla, van haar cottage op het Mount-Desert eiland (ter hoogte van de kust van de Amerikaanse staat Maine) naar Genève om er bijvoorbeeld niemand minder dan de Argentijnse auteur Jorge Luis Borges te ontmoeten. De grote Borges die zij op haar beurt zeer bewonderde. Zij kende als geen ander 'de eeuwige stad' Rome en schreef schitterende bladzijden over de Italiaanse etser en tekenaar Giovanni Battista Piranesi.

Zij ontmoette de zogenaamde 'groten der aarde' van haar tijd en op 22 januari 1981 hield zij haar toespraak, als opvolgster van de académicien Roger Caillois en als eerste vrouw in de geschiedenis van de Académie française, L'homme qui aimait les pierres.

Zes jaar later overleed deze grote dame en nomade als een 'onsterfelijke'. En is ook zij de weg van alle vlees gegaan. Zoals ook Zénon, het romanpersonage van L'Oeuvre au Noir, in de gevangenis van Brugge, de eeuwigheid is ingegaan.

(1) in Les yeux ouverts, entretiens avec Matthieu Galey, ed. Le Centurion, Parijs 1980, p.273
(2) Quoi? L'Eternité, Gallimard, Parijs, collection Folio nr 2161
(3) Dierbare nagedachtenis en Archieven uit het Noorden bij uitg. Ambo te Baarn en Athenaeum-Polak & Van Gennep te Amsterdam in 1985