Nummer 91


In memoriam Antoon Roosens | november 2003


Roger Bourgeois getuigt over Antoon Roosens (Roger Bourgeois)<< Nummer 91

Onderstaande tekst werd op de begrafenis van Antoon Roosens op 6 november jl. in de Sint-Petruskerk van Meerbeke naar voren gebracht door Roger Bourgeois, iemand die een bijzondere band had met de overledene, doorheen allerlei gezamenlijke politieke en sociale initiatieven. Bourgeois leerde Roosens kennen in de jaren vijftig en had tot voor kort nog steeds een hechte band met Antoon.

Voor het laatst bij hem staand, zeg ik de dichteres Anna Enquist na, wanneer zij het begin november had over de dood en de treurnis en over onze schamele woordenschat: "Taal schiet altijd tekort. Je krijgt niet gezegd wat je voelt, daar zijn je verdriet en je machteloosheid te groot voor."

Toon Roosens heeft ons onverwacht, als het ware plots verlaten, net zoals hij soms bruusk kon verdwijnen uit een vergadering die naar zijn zin te lang duurde. Alleen wie hem zeer nabij was wist dat hij aan het eind van zijn krachten was, ook al bleef hij tot het laatst met studeren en schrijven doorgaan.

Wij zullen hem missen: de wijze voorzitter en stipte secretaris van zoveel besprekingen, de bestuurder en beleidsman, de inspirator en raadgever, de diplomaat en onderhandelaar, de geestdriftige redenaar en vinnige debater, de denker en publicist, de warme vriend en toeverlaat van velen onder ons.

Voor zijn ultieme tocht hebben wij hem teruggebracht naar zijn geboortegrond. Hier waar het gezin Roosens heeft geleefd, te midden van het volk waarvan zij hielden en dat van hen hield.

In deze streek waar destijds geluisterd werd naar het krachtige woord van de gebroeders Daens en hun sociaalvoelende christene volkspartij, naar de opstandige taal van de Roelanders van Ninove en wijde omgeving, naar de oproepen van de intellectuele voormannen die met het volk verbonden waren, de Van Langenhaekes, de Backer e.a.

De streek ook waar later onze strijdmakker Staf Verrept de geest van Hector Plancquaert, van de Fronters en van de Werkmanskringen levend hield.

Van jongs af heeft Toon Roosens het innig samengaan van taalflamingantisme, sociale strijd en democratie gezien en doorvoeld.

Het is die wezenlijke synthese die hij in zijn denken en handelen gaandeweg versterkt en meesterlijk ontwikkeld heeft, vanuit de destijds eenvoudig geformuleerde gedachten van onze voorgangers als 'De Vlaamse kwestie is een sociale kwestie' en 'De Vlaamse beweging zal democratisch zijn of zij zal niet zijn'.

Ik heb Toon leren kennen op het eind van de jaren '50, toen hij als jonge secretaris van het Vlaams Komitee voor Brussel, samen met zijn voorzitter Edgard Van Cauwelaert, de Vlamingen van Brussel en van de randgemeenten bijeenbracht voor de historische actie tegen de talentelling en voor rechtvaardiger taalwetten. Alsof het gisteren gebeurde hoor ik hem nog op de studiedagen van de Stichting Lodewijk de Raet scherp uitvaren - ik citeer hem - "tegen de Far West-praktijken van de grondspeculanten en het schuldig verzuim van de Vlaamse elite".

Hij was na zijn rechtenstudies in Brussel komen wonen, de stad die toen algemeen genoemd werd - en voor sommigen onder ons nog altijd is - "onze eer en onze schande". Hoe meer ervaring hij opdeed en hoe meer hij er de stand van zaken ontleedde, hoe meer hij van Brussel is gaan houden. Hij is er gebleven omdat hij ervan overtuigd was dat daar voor de Vlaamse beweging een cruciaal probleem lag. In zijn uiteindelijke visie heeft hij dan Brussel en een uitgebreid stedelijk gebied gezien als de enig denkbare hoofdstad van de zelfstandige natiestaat Vlaanderen. Dat daarover veel meningsverschil blijft, deed hem niet van opinie veranderen.

Een glorietijd voor de organisator en de strateeg Roosens waren de jaren zestig. De twee Marsen op Brussel, in oktober '61 en oktober '62, en de grote massabetoging te Antwerpen van 10 november 1963 met haar, voor die tijd, revolutionair program voor federalisme en economische democratie, brachten een kentering teweeg in de Vlaamse beweging. Een nieuwe, eigentijdse weg werd ingeslagen, in éénklank met de verzuchtingen van de jonge generatie en van de nieuw-opkomende links-democratische stromingen.

Toon Roosens heeft in die periode als secretaris van het Vlaams Aktiekomitee Brussel en Taalgrens een preëminente rol vervuld. Hij heeft het land doorkruist, massa's toegesproken, de acties bezield. Hij formuleerde de doelstellingen van een vernieuwde en slagvaardige Vlaamse beweging: luid, helder, systematisch en juridisch onderbouwd. Niemand kon dat zoals hij.

17 april 1964 is voor mij een onvergetelijke dag. Voordien waren wij voor elkaar goede bekenden, maar dan tijdens een urenlang gesprek, in het voor ons allen zo vertrouwde huis in de Rogierlaan, zijn we kameraden en 'compagnons de route' voor het leven geworden. Wij waren tot het besluit gekomen dat ons persoonlijk engagement buiten de gevestigde politieke machtsstructuren moest geschieden. Vanaf dan zijn we in ons denken en streven nauw verbonden gebleven, ook al hebben we mekaar soms even uit het oog verloren.

Nagenoeg veertig jaren zijn voorbijgegaan. Maar de herinneringen en mijlpalen zijn onuitwisbaar.

Er is ons stormachtig politiek avontuur als 'Vlaamse Democraten' geweest in de periode 1965-'68, gevolgd door de linkse frontvorming in het Democratisch Actiecomité Vlaanderen, de samenwerking met zoveel vernieuwers uit allerlei kringen ten tijde van Leuven-Vlaams, de steun aan de studentenrevolte van mei 1968, het Viëtnam-comité, de solidariteit met Cuba - waarover hij een prachtig boek heeft neergeschreven -, de internationale contacten met Algerije, Italië, het Baskenland, en met elke beweging die voor vrijheid en democratie streed.

Ieder van ons herinnert zich nog, voor een of ander van die tijdstippen, de immer enthousiaste en dynamische aanwezigheid van de man die wij niet meer zullen zien en horen. Overal was Toon Roosens bij betrokken. Altijd was hij rusteloos bezig en bekommerd over de politieke, sociale en culturele ontwikkelingen hier en elders. Nooit werd tevergeefs een beroep op hem gedaan. Maar meestal wachtte hij daar niet op. Hij nam zelf van meet af aan het roer in handen.

Zo was de inkt van het Egmontpact in de nacht van 24-25 mei 1977 nauwelijks droog of hij stond al klaar met plannen voor de organisatie van het verzet. Hij vond dat wij de eersten moesten zijn om categoriek neen te zeggen en ervoor te zorgen dat de hele Vlaamse beweging in al haar geledingen in het verweer kwam.

Het Vlaams Aktiekomitee Brussel-Brabant zag het licht, daarna het brede, succesvolle anti-Egmontcomité en het Komitee voor een democratisch federalisme.

Toon Roosens heeft in al die jaren niet alleen veel gesproken, maar ook veel geschreven. Het Pennoen, Richting, De Nieuwe, Rood, het Vlaams Marxistisch Tijdschrift en veel andere bladen hebben zijn heldere inzichten en meningen gepubliceerd. Niemand heeft zijn essay van 1981 over De Vlaamse kwestie vergeten. Het eindigt met een klemmende en nog steeds actuele oproep tot de Vlaamse intelligentsia om eindelijk de kloof te dempen tussen de Vlaamse beweging en de arbeidersbeweging.

De pers heeft steeds zijn grootste aandacht gehad. Hij heeft er, zonder berekening tijd, geld en beleidstalent aan besteed. In april 1964 stond hij mee aan de wieg van De Nieuwe en hij was mede-bestuurder ervan sinds 1977 tot aan de ontbinding van De Nieuwe Pers en de pijnlijke scheiding van goede vrienden in 1984. Daarna heeft hij geen moeite gespaard om andere initiatieven, zoals Toestanden of Markant, te nemen of te stimuleren en te begeleiden. De laatste jaren had hij een nieuw doel en een nieuw elan gevonden in het maandblad Meervoud en in de oprichting van het Vlaams Huis te Brussel, waarin hij een uitnemend centrum van Vlaamse aanwezigheid en uitstraling zag, en waarvan hij de zorgzame afgevaardigd-beheerder was.

Over de staatkundige en sociaal-economische vraagstukken en crisissen heeft hij veel gestudeerd en diep nagedacht. Tijdens zijn voorzitterschap van het pluralistische Frans Masereelfonds van 1978 tot 1987, heeft hij voor zichzelf een nog steviger gefundeerde en wetenschappelijke basis gezocht voor het probleem dat zijn hele militante leven heeft beheerst, namelijk de noodzakelijke verbinding van democratisch nationalisme, klassenstrijd en culturele en morele ontvoogding. Hij vond die in het gedachtegoed van zijn naamgenoot, de grote Italiaanse marxist Antonio Gramsci, gedachtegoed dat hij ingrijpend heeft toegepast op de Belgische en Vlaamse werkelijkheid. Op gevaar af medestanders soms te onthutsen heeft hij de jongste jaren in elke van zijn uiteenzettingen en geschriften Gramsci's ideeën aangevoerd om te bewijzen en te voorspellen dat een onafhankelijke Vlaamse staat er moet en zal komen door de ontwikkeling van een democratische Vlaams-nationale collectieve wil daartoe. Het Vlaamse volk, schreef hij onophoudend, moet niet alleen meester worden van zijn eigen staat, maar moet ook - tegen de huidige wereldstromingen in - de hefbomen van zijn economie in eigen hand nemen. Wij moeten niet op anderen wachten, wij moeten doorgaan op eigen kracht, was onveranderlijk zijn devies.

Menigeen heeft mij in de loop van de tijd - vooral in het begin van de jaren zestig - toevertrouwd dat voor Toon Roosens de hoogste politieke ambten in België konden worden weggelegd indien hij, met zijn intellect en talent, zich maar wilde conformeren aan de wensen van het establishment, zoals sommige van zijn vroegere strijdmakkers intussen gedaan hadden. Toen ik hem die meningen terloops vertelde, wuifde hij ze lachend weg. Als radicaal-links en democratisch flamingant, als republikeins rebel en als intellectueel nauw verbonden met de arbeidersklasse, was zijn plaats inderdaad elders dan binnen de gevestigde machtspartijen. Postjes, eerbetoon en banaal mediatiek spektakel waren niet aan hem besteed. Er waren waarachtig belangrijker en grondiger dingen te doen.

Ik bewaar van hem een beeld van integriteit en onbaatzuchtigheid, scherpte van geest en historische visie. En bovenal: van gedrevenheid en wilskracht ten dienste van een wereldwijd ideaal van solidariteit en rechtvaardigheid, die hij onder meer zó in Che Guevara bewonderde, zoals hij na het vernemen van diens dood schreef in De Nieuwe van 20 oktober 1967.

Vlaanderen, de Vlaamse beweging, het links-democratisch nationalisme en de arbeidersbeweging in de breedste zin van het woord, verliezen in Antoon Roosens één van hun grote voormannen.

Spiritus quiescit numquam: de geest rust nooit. Toons geest rustte nooit. Moge hij steeds dicht bij ons blijven.

Toon, goede vriend, mijn beste kameraad, dank voor alles. Vaarwel.