Nummer 93


Economie | januari 2004


Geen toekomst meer voor de Vlaamse zeevisserij? (Frans Maes)<< Nummer 93

Onlangs hebben de EU-ministers van landbouw nieuwe richtlijnen uitgevaardigd voor de Europese zeevisserij voor 2004. De Vlaamse vissers zijn er (zoals ze al gewoon waren) opnieuw bekaaid vanaf gekomen. Er werd een compromis uitgedokterd waarbij niet alleen de vangstquota nog maar eens werden verlaagd maar bovendien werd ook het aantal zeedagen ingeperkt. De Vlaamse vissers mogen dit jaar wel evenveel tong ophalen als in 2003, zijnde 4.144 ton maar voor schol is een daling voorzien met 11% met een maximum van 5.005 ton. Vooral de beperking van de vaardagen is een doorn in het vlees van de Vlaamse vissers die voortaan nog maar 14 dagen per maand in de traditionele visgrond van het Engelse Kanaal (andere belangrijke visgronden zijn de Noordzee en de Ierse Zee) bedrijvig mogen zijn terwijl de Fransen hier toch 4 dagen extra verkregen. Om de maand vol te maken zullen de Vlamingen dus moeten uitwijken, o.m. naar de Golf van Biskaje maar ook daar gelden beperkingen.

Het blijft in dit land altijd hetzelfde refrein. De Waalse federale minister Sabine Laruelle van landbouw, die ook zeevisserij onder haar bevoegdheid heeft wanneer met Europa moet worden onderhandeld, was in geen velden te bekennen. Vlaams minister Sannen heeft zich (uit eerlijke schaamte?) onthouden bij de stemming over het compromis. De regering Verhofstadt heeft wel de mond vol over het scheppen van banen maar hijzelf en zijn ministers zijn nog niet eens in staat bestaande banen te helpen handhaven. In dit land wordt tot in den treure toe herhaald dat de KMO's de drijvende kracht moeten zijn achter de werkgelegenheid maar men laat geen gelegenheid voorbijgaan om zich te verschuilen en de zaken hun veelal nefast beloop te laten gaan. De Vlaamse visserij is een kleine, maar voor de kuststreek vitale nijverheidssector die zeer slecht wordt verdedigd en waar de werkgelegenheid dan ook sinds decennia gestaag afbrokkelt. In Europa, waar zowat alles inzake landbouw en visserij wordt beslist, zijn wij het kleinste broertje. Wij voeren zo'n 26.000 ton zeevis per jaar aan waarvan 18.000 ton in onze visafslagen terechtkomt (de rest wordt in het buitenland aan de markt gebracht). Zeebrugge is goed voor zo'n 12.000 ton, Oostende voor 5.000 ton en de rest komt in de vismijn van Nieuwpoort terecht. Dat onze stem in Europa nauwelijks wordt gehoord heeft mede te maken met het feit dat de personen die geacht worden de zaak van de Vlaamse visserij te verdedigen niet eens een hond van een zeekat kunnen onderscheiden. Het gaat zelfs zover dat de Rederscentrale uit Oostende, de organisatie die de belangen van onze vissers behartigt, recent en allicht uit pure radeloosheid, voormalig minister van landbouw Jaak Gabriëls tot voorzitter heeft verkozen.

De Vlaamse visserij is een KMO-sector bij uitstek met zijn meestal dynamische familiale bedrijven die eigenlijk tegen beter weten in blijven strijden om het hoofd boven water te houden. Momenteel tellen wij nog maar zo'n 125 schepen (waarvan er dan nog 25 weliswaar met Vlaamse bemanningen varen maar in Nederlandse handen zijn) kleine en grote eenheden dooreen genomen. Die zijn in handen van 102 rederijen die daarvoor per eenheid toch meer dan één miljoen euro moeten investeren. Alle studies zijn het erover eens dat het industrieel weefsel ten minste 150 eenheden nodig heeft om te kunnen voortbestaan. In 1950 waren er dat nog meer dan 300. De Vlaamse vissers, geconcentreerd in Heist, Zeebrugge, Blankenberge, Oostende en Nieuwpoort zijn nog met zo'n 700 actief, meestal op bokkenvaartuigen. Het gaat om vaartuigen die met twee "bokkenkorren", één aan elke zijde van het schip, vissen op platvis (tong en schol) maar ook op garnaal en in mindere mate kabeljauw. Een 5-tal reders hebben zich toegelegd op de visserij met warrelnetten. Daarbij worden per vaartuig tussen 5 en 15 kilometer netten uitgezet die niet worden gesleept, maar waarin de vis zichzelf verstrikt. Wel is het zo dat de zeevisserij zich sinds 1950 fiks heeft gemoderniseerd. Zo zijn er steeds grotere vaartuigen in de vaart gekomen (van zo'n 20 meter tot de moderne 35-meter-types) met een stijgend motorvermogen (van gemiddeld 250 tot gemiddeld 1.200 PK) en waarbij ook de bruto-tonnemaat en het gebruik van elektronische apparatuur flink zijn toegenomen. Qua tewerkstelling in de sector gaat het uiteraard niet om de vissers allen. De hele sector biedt een baan aan zo'n 3.000 personen in de scheepsbevoorrading, de scheepswerven, de scheepsherstelling, de vismijnen en de tertiaire sector met o.m. de verzekerings- en boekhoudkantoren en de visserijscholen. Dat is minstens evenveel als een grote industriële onderneming.

Vlaanderen is uiteraard niet alleen wanneer het gaat om opgelegde aderlatingen aan schepen en vissers. Waren er in 1990 in Europa nog 300.000 mensen werkzaam in de sector dan was dat cijfer in '98 al gedaald tot 250.000 terwijl er momenteel nog nauwelijks 200.000 in de sector actief zijn. Vooral Zuid-Europa werd zwaar getroffen door de restrictieve maatregelen die Europa achtereenvolgens uitvaardigde, veelal in naam van de vrijwaring van de visbetanden. En ook hier knelt het schoentje. Er wordt wel onderzoek gedaan naar de visbestanden maar bij de vissers die het dagelijks meemaken, wordt gesteld dat het zo'n vaart niet loopt met de bedreiging van de visbestanden. Van onze vissers horen wij dat de vis er zit maar dat zij die niet mogen vangen omdat de momentopnamen van de onderzoekers een zeer laag bestand aangeven. In de sectorcommissie zeevisserij van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CBR) stelde voorzitter Manu Desutter uit Knokke-Heist dat de besluiten van de onderzoeken naar de visbestanden overtrokken en misleidend zijn. Hij hanteerde daarbij o.m. cijfers over de in Europa aangevoerde Noordzeetong. Tussen 1957 en 1997 (toen de aanvoerquota niet zo drastisch laag waren gelegd) bedroeg de gemiddelde aanvoer 22.000 ton maar in die periode werden grote pieken genoteerd met maar 10.000 ton in 1965 en 35.000 ton in '92. Bovendien zou ook de reglementering inzake de terugzetting moeten bekeken worden. Gebleken is immers dat de bijvangsten (wat onbedoeld in de netten terechtkomt en niet aan boord mag worden genomen zoals jonge vis en soorten waarvoor een nulquotum is opgelegd) pure verspilling zijn. De vissers zetten de betrokken soorten wel weer overboord maar het sterftecijfer bedraagt meer dan 90 %. Er gaan dan ook stemmen op om dat soort vis wel aan boord te nemen en ze voor verkoop aan te bieden maar ze wel in rekening te brengen voor de quota. Uit studies is gebleken dat die bijvangsten minstens even hoog zijn als de aan land gebrachte vangsten.

Kritiek is er ook op de pufvisserij. Het gaat hier om het wegvissen van kleine vissoorten als spiering, sprot, sardien ed. door o.m. Deense schepen die als stofzuigers hele vangstgebieden leegvissen voor de productie van vismeel. Dat gaat dan hoofdzakelijk naar viskwekerijen die dan wel 4 kilo gevangen vis nodig hebben om één kilo gekweekte vis (vooral zalm) te produceren.

Een ander niet te veronachtzamen punt van kritiek is de zware bureaucratie. De Europese visgebieden zijn ingedeeld in vierkante vakken met een oppervlakte van een paar mijlen. Per vak is vastgelegd hoeveel de vangst mag bedragen. Het is zover gekomen dat met de quotering er vakken zijn waar welgeteld drie tongen in één uur mogen gevangen worden. Dat kan lachwekkend voorkomen maar de schipper die in het betrokken vak vist moet zich wel strikt aan die bureaucratische reglementering houden en daarover boekhouding voeren. Doet hij dat niet dan kan volgen er bij controle zware sancties die kunnen gaan tot inbeslagname van de vangst en zware administratieve boetes.

Een en ander in acht genomen zou er ook meer aandacht moeten gaan naar de viskweek. De jongste jaren is door wetenschappers op dat gebied grote vooruitgang gemaakt. Indien men zich in Vlaanderen al niet wil gaan toeleggen op de kweek van consumptievis zou men toch pogingen kunnen doen met het oog op de kweek van jonge vis voor "restocking". Daarbij worden natuurlijke populaties aangevuld met aan land gekweekte pootvis. Hier zouden een aantal banen kunnen gecreëerd worden die zouden kunnen ingenomen worden door vissers die hun schepen noodgedwongen uit de vaart moeten nemen.

Wat dat laatste betreft, zo wordt in de sector gesteld, heeft Vlaanderen al ruimschoots zijn deel gedaan bij zover dat het aantal leerlingen in de visserijscholen in Heist en Oostende voortdurend daalt omdat de toekomst van de visserij somber wordt ingezien. In de vicieuze cirkel leidt dat dan weer tot een tekort aan geschoolde bemanningsleden.